Hoe jij me weer leerde lopen

Drie jaar is het nu. Zo kort geleden dat het nu al een eeuwigheid lijkt. We knalden onverwacht online op elkaar. In gesprek geraakt over een niet lukkende betaling. Een gesprek dat al snel niet meer te stoppen bleek.
Gevonden.

Drie jaar geleden leerde ik je ‘in het echt’ kennen. We moesten elkaar zien. Ging niet anders. Ik hoopte stiekem dat ik na mijn spontane bezoek aan jou enigszins genezen zou zijn van de gekte. Dat ik in zou zien dat dit niet kon. Dat ik verder moest met het leven dat ik al leefde. Door met de gevolgen van keuzes die ik in het verleden gemaakt had.

Het liep anders.
Ik kwam. Wij zagen. Jij overwon.
Mij. Alles. Alles in mij.
En ik jou. Dat ook.

bron: eigen illustratie (LB)

Het was de herkenning die ’t deed. De herkenning van onszelf in elkaar. Vingerafdrukken die exact op onze hartscanners pasten. Dikke sloten ineens opengebroken.

In het daaropvolgende jaar gebeurde alles wat je maar in een mensjaar kunt proppen. De ene rampzaligheid na de andere. Mijn leven zoals het was, escaleerde. Explodeerde. Draaide 180°. De heftigheid van de gebeurtenissen nam de overhand. Maar de acceptatie was nog ver te zoeken, bij ons, maar ook bij de mensen om ons heen.
We worstelden.

Ik zocht een tijdelijke woning, verhuisde. In mijn uppie. Daar zat ik dan. Met niks.
Geen keuken, geen meubels, geen verwarming, geen bed. Alleen een matras en een deken. En wat haastig in de tas gepropte kleren. Ik liet alles achter. Maar ik had jou. Ik regelde me suf. Leidde als een zwoegende zombie de chaotische toestanden in vage banen. Van aardverschuiving tot verzekering. Van huilbui tot huisraad. Van IKEA-keuken tot kinderkamer voor twee.

Maar ik wist waarvoor. Eindelijk was er iemand die zag, wie ik werkelijk was. Wie ik wílde zijn, ook al kon ik dat zelf nog niet zien.
Jij gaf me de rust in mijn hoofd, het vertrouwen in mijzelf, en de hoop voor ‘straks’.
“Kijk niet naar die chaos van nu. Rol door en probeer je voor te stellen waar je over een half jaar staat. Zes maanden zijn in een oogwenk voorbij en dan is alles anders. Beter.”
Doorsta het nu en kijk alleen naar morgen. Dat is wat je mij zei.

De kinderen gingen wonderbaarlijk goed om met de veranderde situatie. Ook bij hen viel blijkbaar spanning weg. Ze waren blij met jou, omdat jij goed was voor mij. Gelukkig waren ze op diezelfde manier ook blij met de nieuwe partner van hun papa. Hoe jong ook, zelfs zij zagen dat het zo voor iedereen beter was, ook al was het niet langer die geïdealiseerde gezinssituatie. En jij had gelijk: het leven rolde inderdaad op de een of andere onbegrijpelijke manier met een rottempo door.

We keerden steeds naar elkaar terug, hoe onmogelijk dat soms ook was. Verslaafd aan elkaar. Je hielp mij op te staan, stappen te zetten. Je leerde mij opnieuw te lopen, verder te kijken, vol te houden. En in mezelf te geloven. De liefde groeide, ook al leek nóg meer toen al onmogelijk. We brainstormden samen. Ideeën vloeiden, werden besproken, geconcretiseerd.

Ik begon zelfs een tweede bedrijf; mijn eigen tekst- en vertaalbureau. Iets wat ik al heel lang wilde, maar niet om wist te zetten. En wéér steunde jij mij in al mijn verwoede pogingen mijn bestaan weer op de rit te krijgen. Ja, zelfs te doen waar ik voor huiverde. Je gaf me mijn leven terug. Je gaf mij míj terug. Jij maakte me tot wie ik altijd al was, maar nog niet had kunnen zijn.

“You cannot find peace by avoiding life.”
Een quote uit de film ‘The Hours’, die we laatst samen keken. En dat is, wat ik deed. Ik vermeed jarenlang te leven om wanhopig rust te vinden in de status quo. Nu ik wél weer durf te leven, heb ik die rust eindelijk gevonden. Door jou. In jou.

Nu, drie jaar later zijn we nog steeds ‘wij’. In alle openheid. Het mag. Soms – veel te vaak – te ver van elkaar verwijderd, maar toch altijd #samen in onze hoofden. Mijn maat, mijn lief, mijn compagnon, mijn andere kant, mijn partner, mijn mens, mijn. Dat ben jij.

Weet je, misschien zijn we al lang oud in de ogen van de jongeren.
En misschien zijn we nog steeds fout in de ogen van vele goeden.
Nou en. Dan maar lekker fout stokoud met jou worden.
Niks fijners dan dat.

Mijn voetbalkindekes, ik zal ze missen

Negen jaar lang heb ik het gedaan.
Elke maandag. Elk voorjaar, elk najaar.
Wat dan, vraag je je af? Voetbalkindjes trainen bij de lokale dorpssportclub.

bron: eigen foto (LB)

De allerkleinsten. De F-jes. De ‘bambini’s’ onder de voetbaljeugd. De vier- t/m zesjarigen. Maar aan het eind van dit voorjaarsseizoen ga ik afscheid nemen. Met twee kinderen, twee bedrijven in twee buitenlanden en een partner 1000 km verderop (mijn auto is mijn tweede thuis) kan ik de voetbaltrainingen simpelweg niet meer bolwerken. Daarnaast verhuis ik in de herfst ook nog eens naar de big city. Dan zou ik voor de training iedere maandag drie kwartier in de file moeten gaan staan. Voor mij een no go.

Maar ach, ze zijn zo schattig, mijn bambini’s…
Meestal heb ik ’s maandags totáál geen zin. Eigenlijk moet ik dan koken voor ’t hongerige kroost thuis en ben ik daarnaast druk aan het werk. Toch hijs ik me om half vijf alsnog in een clubtrainingspak en scheur naar het voetbalveld.

Maar als ik er dan eenmaal ben en al die koters – gemiddeld 20 tot 22 stuks –  in de zon over het veld zie hobbelen met een junior-bal, dan vind ik het tóch weer hartstikke leuk en loop ik vervolgens een uur lang te grijnzen en mee te rennen, wat op zich voor mij helemaal niet zo slecht is.

bron: eigen foto (LB)

Eerst de warming up. Jumping Jacks blijken elke keer weer ondoenlijk voor die kleintjes. Links en rechts uit elkaar houden is ook een dingetje. Dan doen we een loopspelletje (meestal tikkertje met verlos of iets van dien aard). Daarna volgt de loop- en behendigheidstraining: slalommen. Zonder bal (gaat prima, ze lopen alles overhoop en de stangen worden ook meteen meegenomen) en met bal (gaat voor geen meter: botsingen en chaos voorgeprogrammeerd).

Vervolgens komt ’t hoogtepunt: doeltrappen! Op het grotemensendoel, natuurlijk. Daar staan wij (trainer en helpers) dan in, liefst met ons achterste – het eigenlijke doel – naar de kinderen toegekeerd zodat ze daar zo hard mogelijk tegenaan kunnen trappen. ‘Raak de kont!’ Vinden ze gewéldig. Afsluitend 20 minuten chaosvoetbal. Dat is met minstens 3, liever 4 paaldoelen, waarbij je in elk van die doelen mag scoren, behalve in je eigen doel. Dat laatste blijkt over het geheel genomen uitermate lastig, dus goals in eigen doel tellen ook positief mee. Ieder kind telt gewoon de eigen doelpunten, maakt niet uit waar je ze gemaakt hebt. Zou voor Danny Blind een verademing geweest zijn. Te laat!

bron: eigen foto (LB)

bron: eigen foto (LB)

Vanzelfsprekend zitten er altijd een aantal lastpakken bij. Jochies die sneaky ieder ander op hun pad omver duwen of een stomp geven. Meiskes die om de haverklap naar de wc moeten (en dan moet je natuurlijk mee; alleen durven ze niet) of die gewoon in jurkje en zondagse schoentjes meerennen. Mennekes met glimmende nieuwe voetbalschoenen inclusief glibbergladde veters die continu en ondanks dubbele knoop weer los raken (ik strik dus minstens tien paar schoenen in dat uur). Knullekes die voor geen meter opletten en in alle richtingen staan te turen, behalve in de richting van de bal. Boink = brullen. Het aantal gestelpte bloedneuzen tijdens mijn ‘voetbalcarrière’ is al niet meer te tellen.

Enfin. Het is weer eens maandag. En het is weer bal.
Ik draaf tussen de pak-‘m-beet 20 krioelende kinderen, in een nutteloze poging om van het geharrewar op het veld iets van voetbal van te maken.

Een ieniemini jochie, Tobie heet ie (of Ronaldo, volgens zijn T-shirt), wil per se in één van de doelen staan. Prompt ontvangt het ukkie een bal in zijn onderbuikzone. Ik zie hem ineenkrimpen, ren erheen, aai ‘m over zijn bol en vraag of het erg pijn doet. Dat is de standaard vraag. ‘Gaat het nog?’ moet je vooral níét meteen vragen, want dan brullen ze er stante pede op los om aan te tonen dat het echt helemáál niet meer gaat. ‘Gaat het nog’ komt pas later. Dus:
“Doet ’t pijn, Tobie?”
“Ja-haa! Mega!” en hij pinkt een moeizaam uitgeperste krokodillentraan weg.
“Waar doet het pijn? In de buik?”
“Nee! Hier!” Hij rukt zijn joggingbroekje omlaag, trekt de rand van zijn onderbroek naar voren en wijst naar zijn blootgelegde pielemansje. Aha. Duidelijk. Ja. Goed. Nee. Niet goed.
“Eh, ja, dát kan pijn doen inderdaad. Joh, gaat wel weer over. Topvoetballers gaan ook gewoon door…”
Even blijf ik bij hem staan terwijl ik simultaan zijn doel verdedig. Dan volgt de heikele vraag:
“Gaat het nu weer een beetje, knul?”
“YO!!” En weg is Tobie, mij in het doel achterlatend.

Ze blijven geweldig, die kleine, enthousiaste fanatiekelingen.
Ik zal ze in de herfst stiekem best gaan missen.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Huilhaar

bron: eigen foto (LB)

Voor de LINDA worden blijkbaar vrouwen gezocht die stevig balen van hun haar. Vrouwen die elke ochtend wanhopig een traan wegpinken als ze voor de spiegel staan en naar hun natuurlijke hoofdbedekking staren. Die met geen mogelijkheid ook maar enig fatsoen in hun vlaskapsel weten te brengen. Of die praktisch kaal zijn (waarbij ik dan denk: die balen toch niet van hun haar? Die balen van géén haar!). En die vrouwen zijn ogenschijnlijk nérgens te vinden!

Wel, IK baal! Want ik heb huilhaar. Héél dun, slierterig, altijd in de knoop, eeuwig piekerig. Hoe vaak ik het ook bij laat knippen. En  aalglad is ’t ook: geen land mee te bezeilen. Mijn haar is zo ongeveer het enige aan mij wat iel en dun is, dus het steekt ook nog eens extra af tegen de rest van mij.

Als ik mijn haar ‘in model’ föhn, is het uiterlijk na een half uur weer modelletje verzopen-cavia-in-een-bloempot. Dus föhnen doe ik ook niet meer. Zinloos.
Ik heb een kruin die een kale plek op mijn achterhoofd in volle glorie laat shinen. Ik zie die plek weliswaar niet, maar ik weet dat ie er is.
In elke door mij bereide maaltijd bevinden zich minstens drie tot vijf van mijn hoofdharen, want haaruitval hoort nu eenmaal bij ouderdom. Zeker na het wassen. Maar goed, het is wel schoon, gewassen haar, daar in dat eten. Dat dan wel weer.

bron: eigen foto (LB)

Het enige wat ik doe als ik héél erg van mijn hoofdbegroeiing – en van alles eigenlijk – baal: de boel knalrood verven. Dan voel ik me weer even heel lekker in mijn haar. Tot de uitgroei begint.

Ik ben dan ook – niet eens stiekem – stíkjaloers op al die mooie, golvende, dikke haardossen van mijn medevrouwen. Ik heb al over extensions nagedacht, maar die moet je ook weer ergens aan bevestigen. En aan superdun, uitvallend haar blijven die (peperdure) haarstukken vast niet lang plakken.

Ik leg me er dus maar bij neer. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ik beschik dan weer over een prachtige bos haar op de tong. En op de tanden. Misschien moet ik die maar in model gaan föhnen.

(PS: heb jij ook huilhaar? Meld JIJ je dan maar naar LINDA. Ik ga mijn piekhaarprobleem in ieder geval niet meer dan nodig tentoonspreiden. Deze blog is wel voldoende.)


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Reality sucks (at being real)

bron: pixabay

“Wees nou eens realistisch!”
“Jij loopt ook eeuwig en altijd te dromen…”
“Waarom altijd  weer die angst? Dóé gewoon!”

“Het leven is leuk totdat de realiteit je bij de kladden grijpt.”

Zomaar wat dagelijkse uitroepen. Maar ‘realiteit’, wat is dat nou helemaal? Vraag drie verschillende mensen wat de ‘realiteit’ voor hen is en ze zullen alledrie iets anders antwoorden. Het concept der realiteit is dus juist níét wat de naam doet vermoeden. Het is niet reëel. Het zit slechts in het hoofd van een willekeurige persoon.

Wat is realiteit nu helemaal? En angst?
Realiteit is enkel gebaseerd op een specifiek leven. Ander leven = andere realiteit. Fictie voor de één is werkelijkheid voor een ander. Ofwel: wat voor de één reële, op diens realiteit gebaseerde, angst is, is voor de ander aluhoedje-materie, negatieve fantasie of juist iets spannends en uitdagends.

“Angst is een slechte raadgever,” zeggen ‘ze’ altijd. Wie is ‘ze’ in jouw beleving? Zijn ‘ze’ reëel? En verder klopt het inderdaad: Als je angstgevoel hoort bij jouw persoonlijke perceptie van de realiteit, dan moet je eerst gaan nadenken of die realiteit wel helemaal juist geïnterpreteerd door jou wordt. Is het écht zoals jij denkt dat het is? Zou het niet tóch anders kunnen zijn? Wat is het ergste dat er kan gebeuren in jouw angstsituatie?

Bang of angstig?
En ís het wel angst? Of ben je gewoon even bang?
Bang ben je in een specifieke situatie. Bang in het donker, bang voor een achtervolger, bang voor terrorisme, bang voor school, bang voor een gesprek, bang voor een motorbende, bang voor een asielzoekerscentrum in de buurt.

Angst, of liever gezegd: grote bezorgdheid en onrust, is veel existentiëler. Angst heeft te maken met je bestaan, je hele zijn. Met jóúw eigen realiteit dus, of die voor anderen nu reëel is of niet.

Kiezen is een keuze
In de huidige wereld wordt angst steeds minder geaccepteerd. Als je uitermate verontrust bent over iets, ligt dat meteen aan jou, aan jouw – al dan niet foute – perceptie en leefwereld. Niet aan de werkelijkheid van ‘de massa’. Je gaat dan al snel op zoek naar de weg van de minste weerstand. Neem een pilletje tegen je angst en floep, alles is weer afgevlakt en oké.

Het aantal mensen met een ‘overmatige angst’ is nu groter dan ooit. Ik denk dat dat komt doordat we steeds meer keuzevrijheid hebben: je moet continu levenskeuzes maken. Dag in dag uit ‘zinvolle’ richtingen kiezen. En elke keuze die je maakt, heeft invloed op je leven en op het leven van anderen. Met elke keuze definieer en kies je jezelf.En dat is eng. Keuzestress is het gevolg. Dan maar liever niet kiezen? Zoals de Grote Paul steeds weer zegt: Kiezen is een keuze!

Angststoornis
Niet willen kiezen en bang zijn voor de – gevreesde negatieve – gevolgen van een keuze uit zich – onder andere – in angststoornissen (die wederom met allerlei middelen – pillen, alcohol en drogerende middelen, you name it – onderdrukt worden). Angststoornissen worden algemeen gedefinieerd als ‘angst zonder reële grond’, die gepaard gaat met sociale problemen. En daar heb je het weer: WIE bepaalt welke grond reëel is? Wie bepaalt wanneer iets sociaal problematisch is? De media? De artsen? De experts? De maatschappij?

Nee. Jij.

Afgrond
Als je nooit in de afgrond hebt hoeven kijken, weet je ook niet wat angst voor vallen is. Maar wát een afgrond is, bepaal je nog altijd zelf. Wat voor jou een onoverkomelijke diepte zonder reling of vangnet is, is voor freerunner gewoon een uitdagend sprongetje waar hij met een salto in of zelfs overheen springt.

Misschien moet je, als je angst voelt, je eigen concept van de realiteit eens overdenken. Als je durft.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Eerlijkheid voor alles: Kinders over moeders

Bij voorbaat mijn excuses voor het feit dat hier nu nog zo’n lijstjesding verschijnt. Eentje die onze lieve Klivia dit keer zelf bedacht heeft. Zij beschreef het als de ‘moeder/dochter-tag’ of zoiets: “Tien vragen over jou, aan je dochter – wat weet ze nou echt van me?” Tien vragen over mij dus, die dan door het kind in kwestie vanzelfsprekend aller-aller-eerlijkste wijze beantwoord moeten worden.

Nu heb ik – naast een lieftallige dochter (11) – toevallig ook nog een zoon (14). Daarom heb ik ze tijdens het avondeten maar meteen simultaan ondervraagd. Mochten ze lekker door elkaar gillen. Lang leve de voice-recorder. En ik heb de boel dus wel even vanuit ’t Duits vertaald.

Wie van de twee kent mij het beste? En hoe goed kennen ze me daadwerkelijk?

Bring it on…


Wat eet ik het liefste?
Dochter: “Groente. Broccoli en boontjes en salade en zo. Oh, en biefstuk. Met lekkere jus.”
Zoon: “Biefstuk. En eieren. In alle vormen, maakt niet uit hoe, als het maar ei is.”
[Hah, ze weten het precies. Biefstuk, groente, eieren. Niet noodzakelijk in die volgorde]

Wat is mijn minst leuke eigenschap?
D: “Laat hem maar beginnen.”
Z: “Ik weet niks.”
Ik: “Ach, kom op zeg, nu effe eerlijk.”
D: “Oké dan. Wat ik het minst leuk aan jou vind, is dat je zo ontzettend veel werkt. Maar dat is geen eigenschap. Maar jij bent zowat verslaafd aan je werk, en dat is wel weer een eigenschap, toch?”
Z: Nou ja dat. Maar verder weet ik nog steeds niks.
[Ik heb het echt geprobeerd! Ze mochten alles zeggen. Ik had geen mes in de hand. Maar ze wisten het niet. Echt niet.] 

En mijn leukste eigenschap?
D: “Tjee, nou eh, zoveel, poeh…” [Ja, wát dan? Hmm?]
Z: “Jij helpt altijd. Iedereen. Mij met mijn huiswerk en anderen als het niet goed gaat. Jij luistert altijd. En jij weet ook altijd alles. Zelfs beter dan ik en dat is best moeilijk. En je kunt goed koken, dat is ook wel heel fijn. Je bent altijd vriendelijk en je troost iedereen en mij ook als ik weer eens slecht cijfer heb. Je wordt dan nooit boos.”
D: “Ha, ik weet het nu, ik weet het! Met jou kan je lachen! Dat vind ik het leukst.”
[Van mij mochten ze nog wel even doorgaan met deze vraag, maar zo was het wel weer genoeg, volgens de kinderen.]

Wat zou ik aan mijzelf willen veranderen als dat zou kunnen?
D: “Dat weet ik! Jij zou jezelf meteen superslank maken.”
Z: “Wat ik dan weer stom vind. Want je bent gewoon gewoon.”
Ik: “Jij bent niet objectief. Jij ziet mij als moeder, niet als vrouw. Moeders zijn nooit te dik.”
Z: “Nou, jij bént toch een moeder? Dan bén je dus nooit te dik. Je zegt het zelf.”
[Ik mag die logica van zoon wel]

Wat vind ik het allerstomste?
D: “Dat je soms zoveel moet werken. En dat Luuk zo ver weg is.”
[Zij zei het! Niet ik. Ik heb de soundfile als bewijs.]
Z: “Dat wij zoveel voor de TV hangen en die niet uit onszelf uitdoen om wat ‘zinnigs’ te gaan doen. Want dat zeg je altijd. En dat we dan ook nog eens zoveel ‘stomme dingen’ kijken.”
[Klopt. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik geen ‘echte’ TV heb: ik ‘zuig’ wat mee van de buren en via internet, dus in principe hebben ze een hoop keus, maar niet het normale TV-programma hier. Veel werken vind ik trouwens gewoon lekker. Niet stom. Wat dus eerder neerkomt op een verslaving dan wat anders.]

Waaraan ben ik echt verslaafd?
Z: “Aan werken. Koffie. Skypen.”
D: “Koffie. Wijn. En werken ook, ja.”
Z: “Oh, en aan e…”
Ik: “Stop maar, stop maar. Deze vraag slaan we verder maar over.”
D: “Jij bent verslaafd aan kinderen!”
Ik: “Ja hallo, ik hoef echt niet dagelijks een heel kind te consumeren om geen afkickverschijnselen te krijgen. Dus ik ben niet verslaafd aan kinderen.”
Z: “Dan water! Ik wed dat jij geen twee dagen zonder water kunt. Mooi dat je dan wél afkickverschijnselen krijgt! Je had er gewoon nooit mee moeten beginnen, met dat water zuipen.” En vervolgens ligt hij dubbel om zijn eigen gein.

Waarmee kun je mij pissig krijgen?
D: “Als we elkaar aan ’t klieren zijn en ruziën over de controller van de Wii.”
Z: “Als we niet luisteren wanneer jij iets vraagt. Dan vraag je het nog een keer en dan reageren we weer niet. En dan ben je pissig. Dan begin je “Joehoe! Zit ik hier in mijn eentje te lullen of wat!? Reactie graag!!” te roepen.”
D: “Oh, en van die ene fotograaf, toch? Daar werd je toch ook mega-pissig van?”
[Oeh, dat laatste… ai. Ik heb maar gelijk de volgende vraag gesteld.]

Waarvan word ik hartstikke blij?
Z: “Van een speurtocht in ’t huis, met Sinterklaas.”
[Ik weet natuurlijk meteen wat hij bedoelt: met Sinterklaas had hij een speurtocht uitgezet met een schatkaart (plattegrond). De schatkaart leidde tot een prachtig, zelf geknutseld cadeau. Ik was tot tranen geroerd.]
D: “Als ik je haren uitgebreid kam en je rug masseer als je moe bent en bij ons op de bank hangt.”
Z: “En schilderen! En mooie foto’s maken. Daar word jij ook happy van, toch?”
D: “En van heel harde muziek tijdens het autorijden. En dat we dan met z’n allen meezingen.”
[Klopt allemaal. Als een bus.]

Als ik iets in mijn leven over zou kunnen doen, wat zou dat dan zijn?
D: “Stomme vraag. Ons krijgen. Dat zou je toch meteen weer doen? Toch?”
Z: “Laten we bij het begin beginnen: Je eigen geboorte natuurlijk.”

Stel dat ik 1000 euro zou krijgen, wat zou ik dan als eerste kopen?
D: “Een nieuwe smartphone. Met een nóg betere camera.”
Z: “Niks. Je zou het geld sparen voor dagelijkse dingen, en voor straks, als het nieuwe huis klaar is.”


Wel, ik kan maar één ding concluderen: Mijn kinderen kennen mij. Door en door.
En mijn zoon is een zeer logische denker, maar dat wist ik al.

ussie

Mijn favoriete… (lijstjesalarm!)

Door een blog van ons aller Zuster Klivia viel mijn oog op het volgende, inmiddels op vele andere blogs circulerende lijstje. Een soort van ‘doorgeefstokje’, dit keer oorspronkelijk opgesteld door Melody. Nu heb ik niet echt iets met invullijstjes (ik heb enkel een waslijst van to-do dingen) en heb ik op mijn blog – volgens mij – nog nooit een lijstjesding gedaan. Maar voor alles is een eerste keer! Bij deze.


Wat is je favoriete…

1) Auto
Eentje die het altijd doet en waar je relaxed hele grote afstanden mee af kunt leggen. Klein beetje luxe moet ie dus ook zijn. Ik heb momenteel een Mercedes, echt een droom van een auto. Ik ben er als het ware mee vergroeid. Bij het uitstappen moet ik mij altijd losrukken. Ik werk thuis en rijd toch zo’n vijf tot zesduizend kilometer per maand (allemaal lange afstanden dus). Zonder auto ben ik nergens en kom ik nergens (wegens ‘in the middle of nowhere’ wonen). Ik ben echt gek op mijn auto en op autorijden; de auto is mijn alles. Bijna mijn derde kind. Gestoord. Ik weet het.

2) Kleur
Qua kleding: zwart. Ik loop de hele dag optisch te rouwen. Heerlijk. Geen bloemetjes aan mijn lijf.
Qua haar: rood. Hartstikke.
Qua inrichting: zwart/wit, rood, hout.
Vroeger was mijn favoriete kleur jarenlang ‘stoplichtgroen’. Ik vraag me af waarom.

3) BN-er
Probleem. Ik ken praktisch geen BN-ers. Die die ik ken, vind ik niet aardig of wil ik zelfs liever niet kennen. Ik kijk geen TV, alleen soms ‘uitzending gemist’. Maar als ik moet kiezen: Arjen Lubach, vanwege het ‘ik wou dat ik zo was’-effect, maar ja, ben al geen man, dus dat schiet niet op. En Ronald Snijders van ‘Normale Mensen’ omdat hij me vreselijk beet heeft gehad met die idiote schrikkelkalender (nu is mij beetnemen niet bepaald moeilijk is, maar toch). En hij heeft wel een leuke kop.

4) TV-programma (binnen- & buitenland)
Daar hebben we weer die TV die ik niet kijk. Maar als ik een serie zou mogen kiezen: Black Mirror. Een Britse SF-serie over de technologische, mediale en sociaal-maatschappelijke issues waar we mee te kampen gaan krijgen (of al hebben). Losse afleveringen (mini-movies) die elke keer weer je haren overeind laten staan omdat ze zó onder de huid gaan. ‘Ja, zo zou het binnen afzienbare tijd kunnen zijn… Of nee, zo ís het eigenlijk al!’ Geweldig goed gemaakt. Briljant, zou ik zeggen. Maar dat woord mag niet.

5) Maaltijd
Alles met eieren. Ik ben een eier-ulk eerste klas. En biefstuk. Ik wil mijn cholesterol-level dan ook niet weten. Interne kop-in-‘t-zand-politiek.

6) Jaargetijde
Dat hangt van het jaargetijde af. Is het zomer, wil ik winter (want in de zomer heb ik het heet en ik kan mijn laarzen niet aan). Is het winter, wil ik zomer (want in de winter heb ik het koud en kan ik niet buiten zitten). Lente en herfst zijn beide wel oké (mooie kleuren). Ik ben dan ook een ‘Herfst-type’.

7) Hobby
Oh hemel. Dit is een lijstje op zich. Schilderen. Tekenen. Schrijven (blogs, HoeVrouwenDenken, HoeKinderenDenken, andere artikelen, privé-dingen, gedichten). Drummen. Zingen. Lezen. Skiën. Tennissen. Fotograferen en foto’s bewerken (Instagram!).
Maar die tijd, hè. Die tijd…

loudrawsyou

8) Persoon
In mijn geval: Personen (mv):
Uitgegroeid: Luuk.
Nog niet helemaal uitgegroeid: mijn kinderen (Geen link. Sorry. Mag niet.)

9) Dier
Ik had ooit een hoop Red Fire-dwerggarnalen. Die zijn inmiddels allemaal dood. Eentje overleefde er toch nog heel erg lang. Die heette ‘Frau Prieler’. Helaas had ze een lage aaibaarheidsfactor. Daarom is Frau Prieler inmiddels ook al lang en breed (kort en smal) in de porseleinen hemel beland. Nu heb ik dus geen favoriete dieren meer.

10) Dagdeel
Bestaat een dag uit meer dan twee delen? Ik heb enkel een wakkergedeelte en een slaapgedeelte. Ik vind ze allebei even leuk, maar het slaapgedeelte is over het algemeen veel te kort en gaat meestal onbewust aan mij voorbij. Dan maar het wakkergedeelte.

11) Fruit
Granaatappel en mango. Gék op die granaatappelpitjes: Tandenknarsen galore! Jammer dat het zo’n geklooi is om een granaatappel te slachten. Mango is in alle vormen lekker. Schillen en erin duiken. Tot op de pit.

12) Drankje
Zonder alcohol: koffie.
Met alcohol: rode wijn (Cabernet en Montepulciano) en whiskey (Monkey Shoulder).

13) Uitje
Rood. Of lente-.

Ketting met reservehart

Ketting met reservehart

14) Sieraad
Mijn hartenketting. Bijna altijd om en dus volledig afgesleten; hij was ooit zilverkleurig maar het goedkope koper eronder heeft zichzelf inmiddels blootgelegd. Soort van metalen reservehart aan een touwtje. Als ik mijn dochter knuffel voor het slapen gaan, rilt ze soms even en zegt: “Mam, je hart is zo koud…” Oh en tweede sieraad: mijn ringen. Allemaal tekenen van verbondenheid en liefde.

15) Bloem
Amaryllis. Ideale bloem. Stop je in een pot met klein beetje mos (of watten) op de bodem. Niks meer aan doen. Geen water geven (of echt heeeeeel weinig) en hoppa, een tros gigantische, mooie bloemen staat ineens voor je neus als je weer terugkomt van een reis. Beter kan het niet.

16) Vervoermiddel
Stomme vraag. Zie 1)

17) Accessoire
Mijn bruine leren schoudertas. De grabbelton der grabbeltonnen. Soms leeg ik ‘m op de keukentafel en dan vind ik allemaal geweldige dingen waarvan ik helemaal niet meer wist dat ik ze had.

18) Luxe-artikel
De auto uit 1) en de biefstuk uit 5)

19) Muziekgenre
No music no life. Muziek is enorm belangrijk voor mij. Maar hoe die genres nu heten, geen idee. Ik ben gek op Melissa Etheridge, Pink, Bon Jovi, Lady Gaga, Hooverphonic, The Cure, Nathalie Merchant, Alanis Morissette, Bruno Mars, Lady Gaga, Bruce Springsteen, Waterboys… gaat u maar door. Maar bestaat daar een genre-naam voor? Oldie-pop of zo?

20) Kledingstuk
Een zwart jurkje met fijn lang vest of colbertje eroverheen. En laarzen. In de zomer heb ik dus een probleem.

21) Tijdverdrijf buitenshuis
Tennissen (doe ik veel te weinig), skiën (doe ik nóg minder, wegens gedoe en verrotte knie), wandelen (zou ik nog wat meer moeten doen), bioscoop met de kinderen (doe ik vaak genoeg), uit eten gaan met lief (mag nog véél vaker). En autorijden.

22) Schoonheidsritueel
Ik ben altijd retesnel in de badkamer. Ik kan verbazingwekkend rap douchen (ik heb getuigen!). ’s Ochtends heb ik – na het speeddouchen – ook niet meer dan 5 minuten nodig. Tanden poetsen, oogschaduw op, lijntje, mascara, deo in de okselgrotten, klaar. En ik heb een grondige hekel aan rituelen.

23) Rusthouding
Ogen dicht. Buikslaper. Liefst met de armen onder de romp gefrommeld. Uitermate charmant.

24) Toetje
Ben & Jerry’s Cookie Dough.

25) Tijdverdrijf thuis
Zie de binnenshuizige hobby’s bij 7).
En werken. Veel werken. En series kijken ter ontspanning.
Aan huishouden heb ik een bloedhekel, dus dat doe ik zo min mogelijk.


Bij deze weet u weer wat meer over mij. Het is een doorgeefstokje, dus U mag ‘m jatten, die lijst. Graag zelfs. Wie volgt?

Megaloos maxistische dinnerconversaties

Weekend. Avondeten. Friet met een tartaartje en boontjes, hoezee.
Ik zie dat dochter (11) ergens mee zit maar wacht het rustig af. Komt vanzelf.

“Mam, Max wil een spreekbeurt houden over Trump. En hij wil dat samen met mij doen. Wat nu?”

Daar heb je het al. Ik vraag me meteen af waar dat ‘Wat nu’ op slaat. Op het spreekbeurt houden zelf, op de samenwerking met Max of op het feit dat de spreekbeurt over Trump moet gaan.
Diplomatiek als ik ben, antwoord ik: “Nou joh, leuk toch?”
“Nee. Max is een grote eikel.”

bron: pixabay

Ah, dáár hebben we ware het probleem.
Ik blijf op mijn hoede. “Waarom is Max dan een eikel?”
“Nou, omdat hij een hoop rottige dingen zegt tegen de andere meisjes van de klas. Vooral tegen Ishlah. Over dat ze maar fijn terug moet gaan en zo. Iedereen moet ook altijd precies doen wat hij wil. En hij overdrijft alles, hij is een megaloze [huh? Heb ik zojuist een nieuw woord geleerd? Een combinatie van megalomaan en weergaloos?] opschepper en hij maakt steeds van die super-overdreven bewegingen met zijn handen als hij praat. Alsof hij je wil slaan. Oh, en hij liegt altijd en zegt dat dat, wat anderen zeggen, niet waar is en dat hij het niet gedaan heeft.”
Da’s een prachtige, ellenlange opsomming van tekortkomingen.
Volgens mij ken ik nog een paar van die types ergens in de huidige wereldpolitiek.

“Waarom wil Max dan samen met jóú een spreekbeurt houden? Vindt hij je stiekem misschien heel aardig?”
“Nee, natuurlijk niet! Tjee zeg. Max weet gewoon dat ik dan wel weer alles doe. Hij gaat in z’n neus zit te boren en ik kan het goede cijfer binnenslepen. Lekker makkelijk voor hem.”

Oh.

Mijn immer ambitieuze dochter laat zich inderdaad vaak voor allerhande karretjes spannen. Ze moet eens leren dat samenwerken inhoudt dat iederéén iets doet voor het gezamenlijke doel, niet alleen zij. Maar goed, dit keer heeft ze duidelijk géén zin in die dienstbare rol. En het verheugt mij om te zien dat ze inmiddels een flinke dosis zelfkennis heeft opgedaan.

“Nou, dan doe je het toch gewoon niet?”
Dochter zucht. Ma altijd met haar oplossingen…
Stilte.

“Mam, vind jij Trump ook een eikel? Max vindt hem mega-geweldig, maar verder vindt iedereen ‘m een klootzak. Jij ook?”
Ai. Ik dacht dat Trump hier niet de issue was. Helaas. Fout gedacht.
“Nou eh, ik weet nog niet zo goed wat ik ervan moet vinden. Trump is eigenlijk best wel een beetje als Max. Misschien vindt Max hem daarom wel zo – eh – megaloos?”
“Hoe bedoel je, ‘als Max’…” [Hah! Ik heb het woord megaloos blijkbaar goed gebruikt, want dát valt haar niet op].

“Nou, Trump overdrijft nogal eens en hij zegt vaak dat dat, wat anderen zeggen, niet waar is. ‘Fake!’ noemt ie dat.”
Over z’n rare ‘wijsvinger-raakt-duim-en-dan-gaat-de-handpalm-dramatisch-open’-handbewegingen ga ik het maar niet hebben, dat voert te ver.

bron: pixabay

“Ja maar… dat doen toch ál die presidenten. Daarom is ie nog lang geen eikel, zoals Max?”
“Heb je helemaal gelijk in. Maar hij heeft ook nogal absurde ideeën over wat goed is voor het eigen volk en voor de hele wereld. Hij drijft zijn wil door en hij is behoorlijk uit op winst ten koste van heel veel anderen.”
Ik voeg er nog snel “…vind ík dan…” aan toe, beseffende dat ik hier nogal aan het uitweiden ben over zaken die niet veel meer met Max te maken hebben.

Dochter denkt zichtbaar na. Ik klets ietwat voorzichtiger door: “Trump doet ook wel iets goed, hoor… Hij houdt zich namelijk aan al zijn beloftes, en dat doen niet veel mensen tegenwoordig. Zeker politici niet. Die beloven voor de verkiezingen van alles en nog wat, en na de verkiezingen maken ze daar niks van waar. Trump wel. Die doet alles wat hij beloofd had, en wel meteen. Hoe stom dat dan ook mag zijn. En hij weet te delegeren en overal zijn voordeel uit te slaan. Da’s best knap.”

bron: pixabay

Dat vindt dochter overduidelijk een interessante visie. “Delegeren. Dat is als je andere mensen dingen voor je laat doen, hè? Misschien moet ik het dan toch maar doen, die spreekbeurt met Max. Dan zeg ik hem gewoon wat HIJ allemaal moet doen en zeggen, in plaats van dat ik alles doe. Handig!” Mooi. Opgelost.
Go for it, girl! It’s gonna be great. Huge! Megalistical.

Enfin. Ik zit nog gezapig de laatste frietjes weg te kanen. Dochter staat op en pakt het bord met friet. Ik protesteer gelijk.
“Ik ben nog niet klaar hoor, laat dat bord nog maar mooi effe staan.”
“Hè mam, ik wilde het bord alleen maar even in het midden zetten zodat ik er óók bij kan en jij niet alles in je eentje opvreet.” Ze kijkt me met een licht spottende grijns aan.
“Dacht je nu écht dat IK de tafel ging afruimen? Haha, daar ben JIJ toch voor?”


Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken