verzinsel

Mijn gedachten
Mijn zorgen
Niets verwachten
Wachten op morgen

Mijn woorden
Hersenlichten
Gedachtenoorden
Emogedichten

Mijn gevoel
Zielespinsel
Nog geen doel….
Puur verzinsel

Hüttenschlapf’n

Seit ziemlich genau 4 Jahren wohne ich nun in Österreich. Davor schon 10 Jahren in Deutschland (und davor auch schon mal in Österreich, aber das ist jetzt nicht wirklich relevant). Und obwohl beide Länder wirklich grundverschieden sind, gibt es auf jeden Fall einen Bereich, wo man sich absolut einig ist: im Innenbereich.

Ob in der Schule, im Büro, bei Freunden oder im eigenen Haus, man zieht sich bei der Eingangstür die Schuhe aus. Jeder. Jede. Immer. Es ist höchst unhöflich, mit den Straßenschuhen einfach ins Haus zu latschen: der Gast schleicht sich auf Socken durch die Gänge, mit etwas Glück gibt’s sogar „Gästeschlapfen“ um die Füßlein warm zu halten, vor allem in Fußbodenheizungsärmeren Räumlichkeiten. In der Schule hat jedes Kind in der Garderobe seine „Patscherl“ in einer Stofftüte in der Garderobe. Kind kommt in die Schule, knallt Schullranzen auf die Bank und rennt zum Sackerl für den schleunigsten Fußbekleidungswechsel allerzeiten. Auch im Büro ist man einfach ein Nichts ohne gescheite Birkenstocks.

Als ich damals (long, long time ago, schätzungsweise ein knappes Vierteljahrhundert) zum ersten Mal ins Haus meiner Schwiegereltern kam (es war  Februar, Winter also. Schnee, Matsch, Dreck…), wusste ich das noch nicht. Hundsnervös, neugierig, mit dem Herzen irgendwo in der Magengegend und mit den Schuhen selbstverständlich noch an, kam die Holländerin in die Stube. Ein leichter Kulturschock rollte durchs Haus. Man starrte auf den Boden, genau dorthin wo ich stand. Eine kleine, schwarzbraune Lacke (für die Deutschen: eine Lache, eine kleine Ansammlung von Flüssigkeit). Zurück in die Garderobe geflüchtet, suchte ich mir ein paar Gästehausschuhe aus dem gutgefüllten Schuhschrank und versuchte, „auf guat Glück“ zum zweiten Mal einen guten ersten Eindruck zu machen…

OK, so schlimm war’s nicht. Aber so langsam lernte ich schon, wie extremst unhöflich es hier ist, mit Straßenschuhen einfach irgendwo hineinzuspazieren. Das komische ist, dass es in Holland genau umgekehrt ist. Dort ist es eben unhöflich, sich woanders auf Anhieb die Schuhe auszuziehen. Praktisch als wäre man zu Hause: man macht es sich erst mal bequem und marschiert auf den Stinkesocken durchs traute Heim. Die Horrorvorstellung schlechthin für den Holländer: der Gast setzt sich auf die Couch und quartiert sich dort mit besockten oder gar mit den bloßen Füßen unter sich gezogen, ein. So was MACHT man nicht. Nur daheim oder bei guten Freunden oder sonst wo, aber grundsätzlich einfach nicht. In den Niederlanden behält man die Schuhe an. Zu allen Zeiten. Nur im Bett nicht (oder doch, manchmal auch…aber dann sonst eben nix). Schuhe haben dort auch einen ganz anderen Stellenwert: man trägt sie eben den ganzen Tag, nicht nur wenn man gerade irgendwo draußen unterwegs ist. Schuhe gehören zum Outfit, sollten bequem, schön und gut für die Füße sein. Man zieht sie eben NICHT aus. Oba dafia zieans di eb’n die Sock’n üba die Ohr’n 😉

Mittlerweile habe ich mich gut adaptiert. Integration heißt das. Ich bin wirklich „voll integriert“. Das Erste was ich mache, wenn ich irgendwo ins Haus (sogar ins eigene Haus) komme: SOFORT die Schuhe ausziehen. Und anschließend knalle ich meine Füße samt Hüttenschlapf’n gemütlich und freimütig auf den Couchtisch 🙂

Boom

Ik wou dat ik was
als een boom…

zo stabiel
zo draagkrachtig
zo mooi
zo standvastig

zo breed vertakt
zo energiek
zo gewaardeerd
zo vol mystiek

zo robuust
zo vrij
zo zinvol
zo wens ik mij…

ach.
dromen mag.

I don’t feel like blogging

I don’t feel like blogging, no sir no blogging today…
Want de buikpijn van eergisteren en gisteren was niet alleen hormoneel maar ook bacterieel. En dus zat ik om kwart voor 9 al in de wachtkamer van de dokter. Wel nadat ik braaf op de dokterswc in een paars (!!!) plastic bekertje met m’n naam heb mogen piesen. Ik ben inmiddels een volleerd en professioneel bekertjesplasser. Met een blaas als de mijne moet je dat ook wel. Die plastuit vond ik ook een prima uitvinding trouwens. Jammer dat dat weer iets typisch nederlands is, die dingen zijn hier niet te krijgen.
Wat een wanhopige, lange zit was dat. Met 11 andere mensen in een redelijk krappe wachtkamer, een diepkeels rochelen rechts van mij, een hoestniezer aan de andere kant, ongeduldig op en neer wippende voeten. Maar wat zal ‘t, ik zit toch de helft van de tijd op de wc i.p.v. in die wachtkamer, dus ik vang ook maar de helft van die rondvliegende ziektekiemen op. Toch? Ja hè? Zeg nou ja…
Na ca. 40 minuten martelgang was ik aan de beurt. Dokter vraagt wat ’t mag wezen. Nou, een onsje antibiotica graag. Mag ’t een tabletje meer zijn? Ach wel ja, doe maar, we zijn vandaag in een gulle bui.
Ik begin me alvast te verontschuldigen over het feit dat er waarschijnlijk niks in m’n plas te zien zal zijn omdat ik inmiddels al 2,5 liter water met azijn en cranberrypoeder gezopen én weer uitgeplast heb voordat ik ook nog wat in dat mooie paarse bekertje mocht doen. De dokter (zo’n échte huisarts van de ouwe stempel met stethoscoop om z’n hals en birkenstocks aan) kijkt op het briefje met de urineuitslagen (die hebben ze nl. gelijk paraat hier, hemels) en roept gelijk “Ach du lieber Schwan, des reicht ja völllllig aus!!!” Oftewel: “ach mijn lieve hemeltje, daar zit ja nog zát pruttel in om er een lekkere bom tegenaan te gooien” [ietwat vrij vertaald]. Ik was gelijk stil.
Met gekruiste benen nog even snel naar de apotheek om gretig dat gerecepteerde pakje ciprofloxazine te halen en dan hard naar huis scheuren. Doorlopen naar de keuken en hup, pil erin. Aaaaaaaaaaahhhhhh… bliss. Niet dat ’t gelijk beter was, maar er zat wat in mij wat ’t binnen afzienbare tijd beter zou kúnnen maken. En dat deed het. Vanmiddag nog compleet knock-out, moe moe moe. Met de armen onder m’n hoofd op de eettafel in slaap gedonderd. Na een paar uur voelde ik al duidelijk verbetering. Na de middag nog wel even met dochter naar dansles gesjeest (zie “Dances with Elephants”), al wachtend supermarktstickerplaatjes voor het supermarktstickeralbum met de andere moeders geruild (was een goeie vangst!), terug naar huis met bezweet kind alwaar ik nog even ons enigszins onverwachte bezoek mocht bewirten (koffie, drankje, jause, gezellig doen). Om half 8 waren ze de deur uit.
 
Nu zit ik met laptop en al in de badkuip (jaja, ik doe voorzichtig). En ik had eigenlijk helemaal geen zin om te bloggen. Maar zie hier…
 
Apparently, I did feel like blogging after all.


But I still don’t feel like dancing…

Wijsheid

Het leven lichtjes dragen en zwaar genieten is toch het summum aller wijsheden…

(Wilhelm von Humboldt)

Wilde Haren!!

Jullie zouden ‘t waarschijnlijk niet meteen van me denken, maar ik ben vroeger op haargebied redelijk wild geweest. Woeste wilde haren had ik. Dat begon zo rond mijn 14e. ’t Schuchtere, lelijke eendje-met-beugelbekkie kroop uit haar ei. Volop in de pubertijd moest er duidelijk iets gebeuren aan de status quo, want die deugde per direct voor geen meter meer. U2, The Simple Minds en The Cure kwamen in da house (en Falco ook, maar da’s een ander verhaal), zwarte kleren, zwartbruine oogmake-up, maar vooral: bloempotkapsel adee!!
Eén van de belangrijkste stappen in mijn leven, that big hair decision. Maar ook één van de bewerkelijksten. Vanaf nu was ’t elke dag minstens 48 minuten eerder opstaan. Het arme haar moest eerst ontward worden van de vorige dag (pijnlijk gebeuren). Dan wat groene zeep met water vermengen en erdoor wrijven, droogföhnen en vervolgens nog een handpalm vol powerwax erin. En dan begon de echte mishandelprocedure: Het Touperen.
Als de boel duidelijk á là Tina Turner overeind stond moest ’t vastgespoten worden met de meest ultrastronge, orkaanbestendige haarlak die je in de kappersspeciaalzaak kon vinden. ‘t- moest namelijk minstens tot na de middag resp. schooleinde blijven staan… Ik vrees dat ik met die ca. anderhalve bus lak per week een respectabele bijdrage heb geleverd aan ’t gat in de ozonlaag… Sorry for that.
En dan waren er de kleine haarrampen als schoolgym (vooral niet te hard meerennen, die wind door en zweet in je haar waren echt funest en je móest aansluitend ook nog douchen, vreselijk…) of nog erger: regen. Een flinke regenbui zonder paraplu maakte mijn hoofd tot één schuimende massa… Een verzopen kat was er niks bij. En ’t prikte nog in de ogen ook. Het rondspringen op U2 in de disco moest overigens ook tot een maximaal minimum beperkt worden, anders hield het kapsel het niet tot aan de discobus naar huis…
Maar al gauw waren de Tina-stekels niet voldoende meer: de ‘bakkebaarden’ werden opgeschoren en de kapper maakte daar met de tondeuse mooie streepjes of driehoekjes in. Creatiever resp. kundiger was ze helaas niet (doodshoofden waren best leuk geweest…). Hier en daar een pluk zwart of juist witblond, of nog mooier: rood. En natuurlijk de grootst mogelijke slangenoorbellen in de oren. Práchtig zag ik eruit. Mijn ouders waren gelukkig zeer liberaal: ze vonden het allemaal best. “Als jij ’t mooi vindt, lieverd, moet je dat fijn zo doen”. En ook: “ach, ‘t-is weer ‘ns wat anders, en ’t gaat vast vanzelf weer over”. Klopt. Het ging over. Al redelijk snel maakten de tina-stekels plaats voor een permanent. Zelfgedaan welteverstaan. Krullers erin, spulleke erop, de tijd vergeten, boven de badkuip hangend weer uitspoelen, krullers eruit. Geboren was de Loupoedel. Kroeskrulletjes, die vervolgens ook weer getoupeerd werden. Volgens de bezorgde kapster zou ik op mijn 25e sowieso geen haar meer hebben met alle haarmishandeling die ik al gepleegd had (en ze had ’t mis, há!!).
Helaas, helaas heb ik de meeste foto’s uit die tijd successief weten te vernietigen. Of ik zorgde dat ik er nét niet opstond of liet ze, bij onsuccesvol er niet op komen te staan, zo snel mogelijk verdonkeremanen. Toen was ’t een ramp, een foto van mij. Nu nog trouwens 🙂 Maar nu zie ik het als een groot verlies dat ik ze niet meer heb… Een paar indrukken kan ik nog geven, al zijn deze sterk “gematigd” (lees: het haar extreem genettificeerd en gebraveerd voor die rottige foto die toch gemaakt moest worden…). 

Call me Kim…

Met een jaar of 17 was ’t allemaal voorbij. De wilde haren werden toch nog tam. Ze willen nu nog wel ‘ns van kleur veranderen (vlasblond, donkerbruin, oranje, rood, mahonie…) maar met bijna 40 jaren blijkt het rood het bestendigst. Net als mijn mama 😉

toch nooit volwassen…

Volwassen worden is afscheid nemen van steeds meer vormen van jezelf die je ooit had kunnen zijn en de beperkingen aanvaarden van de persoon die je merkt te zijn geworden…

(uit: “Een tafel vol vlinders” – Tim Krabbé)