Rommelhoek

Het blog van een zeer gewaardeerde medeblogster zette me ineens aan ’t denken. Het feit dát ik er over nadenk, is al veelzeggend want het geeft aan dat social media voor mij nog steeds heel belangrijk zijn. En dan vooral facebook. Ik heb daar al ‘ns eerder over geschreven (over SocMed in het algemeen en wat het voor mij betekent en doet. Zo ergens eind 2011 was dat) maar bij tijden heb ik een aanval van opruimwoede en momenteel zit ik ook in zo’n fase. Dat kan real life opruimen zijn (wat zeldener voor komt) of 2.0-opruimen (wat ook geen regelmaat is, maar toch iets vaker). Want zeg nou zelf, wat wíl je van deze media? Moet de halve wereld wel weten wat mij bezig houdt? Wat wil IK van deze media? Waarom ben ik er te vinden? Hoeveel ‘vrienden’ op facebook ken ik écht? En hoe geïnteresseerd ben ik werkelijk in ze? Moet ik alles van iedereen altijd bij houden, op gepaste tijden op “vind ik leuk” klikken en voorallll hun verjaardag niet vergeten?

Nee. Moet ik niet. Als ik het leuk vind of er zin in heb, doe ik dat. Maar mijn visie op facebook (en de rest van de social media daarmee gemakshalve even over één kam scherend) is klaarblijkelijk een andere. Het is mijn rommelhoek. Mijn knutselschuurtje waar iedereen, die ik een sleutel geef, in kan en rond mag koekeloeren en -wroeten. Met die sleutels ben ik niet al te selectief maar ergens toch ook wel weer een beetje. Zo wil ik bijvoorbeeld niet al teveel met ‘jonge familie’ (lees: achterneefjes en -nichtjes) bevriend zijn. Ik ben nogal van de ehm… zwartgallige cq. sarcastische cq. volwassenenhumor en laat dat nou net geen familiekant van me zijn… Mijn directe nichtjes heb ik nog wel te facebookvriend maar ik weet niet hoe dat gaat worden als ze daar ook daadwerkelijk meer aanwezig zijn en mee gaan lezen. Sowieso ben ik eigenlijk niet/nauwelijks met kinderen ‘bevriend’. Ook kinderen van vriendinnen accepteer ik o.h.a. niet. Ik heb ook mijn donkere kanten zeg maar.

Maar verder is het dat wat het is: een rommelhoek waar ik met enige regelmaat hele leuke dingen (terug)vind. Mensen van vroeger, humor, mijn draad met Nederland, leuke nieuwe mensen die ik via via leer kennen, mooie foto’s, updates, snelle conversatie, een hoop lol en af en toe zelfs een beetje liefde. Ik vind ’t gewoon lekker.

Voor zover ik weet heb ik m’n privacy-instellingen op orde, post ik heel weinig tot geen (herkenbare) foto’s van mijn kinderen, noem ik hun namen niet bij foto’s (en sowieso het liefst zo weinig mogelijk), heb ik het daar nooit over mijn relatie(s) want dat zou me niet in dank afgenomen worden en probeer ik me redelijk fatsoenlijk te gedragen (nou ja, het zijn goede pogingen, toch?) Ik post m’n blogs, ik knuffel en zoen wat af (virtueel dan) en blijf een beetje op de hoogte van de mensen die me lief zijn. Maar verder neem ik het geheel niet al te serieus.

Maar juist daarom vraag ik ’t me dus af: moet ik daar nu echt maar eens op gaan ruimen? Die mensen er uitknikkeren die ik éigenlijk niet echt ken? Waar ik minder tot weinig contact mee heb? Nóg selectiever zijn bij het accepteren van vriendschapsverzoeken? Bang zijn dat ik toch teveel zeg en te open ben? Ik ben tot nu toe als zelfstandige werkzaam en ik vrees dat ik ook nooit echt meer in een werknemerspositie zal komen dus voor een potientiële werkgever hoef ik me ook niet echt in te houden (wat ik trouwens wél doe, u moest ‘ns weten, ghehheh). Overigens waren (zijn) er wel degelijk bepaalde mensen die mij vreselijk irriteerden of die ik ergens toch een beetje ‘eng’ of te opdringerig vond en die ik er dus wel uit gesodemieterd heb. Maar om het nou echt “uitmesten” te noemen, nee…

Ik laat ’t nog maar even zo.
Dat verfoeide Facebook.
Mijn knutselschuur.
Mijn rommelhoek.
Waar ik steeds vind
Wat ik niet echt zoek
Opperste vlakkigheid,
Lul-, ontbijt- en lariekoek.
Liefde, lol, mooie dingen
‘t-Is één groot feestboek.
Mijn knutselschuur.
Mijn rommelhoek.

extractors

fout gedacht

Elke avond steeds opnieuw
geef ik  jou een mega duw.
In de afgrond oh zo groot
stort ik jou in de eeuwige dood.
Hang ik je vol genoegen op
aan m’n zelfgevlochten strop.
Snijd ik je keel zomaar door,
met een mes je hart doorboor.
Haal ik de trekker lekker over
die knal, een echte oorverdover.
In de kiem word jij gesmoord,
want jij bent NIET prettig gestoord.
Precies wat ik altijd al verwachtte,
jij rottige, negatieve gedachte…

Katten en muis

Gisternacht, kwart voor twaalf. Ik was al halverwege de trap naar boven, op kousevoeten en moemoemoe. De hele avond waren onze katten al in de weer geweest, onrustig, een hoop herrie makend. Ik keek er niet meer van op. Maar nu ineens spitste ik daadwerkelijk toch even de oren.

Gestommel in de kelder. Gesis. Heel zacht gepiep.
Ah neeeee hè…
Niet weer…
Wel weer.
Een muis. De kat (Koschka) had een muis mee naar binnen gesleept. Een heel erg levende muis welteverstaan. Normaalgesproken zijn die beestjes (half) dood als ik ze vind, maar ook een levende exemplaren heb ik in ’t verleden al in onze kelder gesignaleerd maar die waren tot nog toe binnen no time gecopperfield (foetsie). En ik heb ook al eens een heleboel grijze veertjes gevonden… Zo langzaamaan raak ik gewend aan die half uitgekauwde of uitgekotste veldbeesten: plastic zakje over je hand, de boel oppakken (niet te hard knijpen, yuckkk), zakje eroverheen stulpen, dichtknuppen en in de kliko. Net hondenpoep. Maar levende beestjes, daar moet ik toch steeds opnieuw aan wennen… Die kan ik niet zomaar in de kliko mieteren :-S

Onze katten krijgen duidelijk teveel te vreten: de meegebrachte trofeeën dienen enkel nog voor het vertier. Met een welgeplaatste pootzwieper vliegt ’t beestje van de ene hoek naar de andere en de kat schiet vergenoegd erachteraan. Even de tanden erin (niet te hard bijten), poot erop (niet te hard drukken) en whoppaaaa daar vloog weer een grijs bolletje naar de andere kant. Dit keer was het muisje echter de sauna in gevlucht (deur open laten staan, dom dom dom…) en was daar nu samen met Koschka de weldaad van een koud damphok aan ’t bestuderen. En dát hoorde ik dus. Naar beneden gelopen en de situatie meteen scannende deed ik de saunadeur dicht. Inmiddels kwam kat nummer twee (Kitty) ook beneden en zat aan de andere kant van de saunadeur toe te kijken. Toen de muis een moment van het deurricheltje af was, heb ik haar er ook maar ingelaten, konden ze samen even lekker muisdollen. Ik hoopte op deze manier het beest wat sneller uit zijn lijden te verlossen (m.a.w. dat één van de beiden iets sneller toe zou bijten). Maar nee, het werd een gezellig potje muistennis. Uiteindelijk was de muis zo suf dat-ie enkel nog in het midden zat te wachten op de volgende zwieperd. Toen kon ik ’t niet meer aanzien en heb ’t beestje gepakt om ‘m naar buiten te gooien (bovendien wou ik eindelijk ‘ns een keer naar bed. Muistennis is saai om naar te kijken). De katten denderden achter mij en hun afgepakte speelgoed aan de trap op. Ik gooi ’t beest de voordeur uit en de katten schieten er achteraan. Deur dicht, klaar.

Eigenlijk had ik de muis dood moeten slaan want zó werd het lijden nog langduriger en overleven zou hij dit geheel sowieso niet (total shock, kapot gekauwde staart, van hersenbloedinkjes etc. maar niet te spreken). Maar ik kon het niet… Zo’n klein warm diertje, dat ratelende hartslagje, die kleine kraaloogjes die me aankeken…) In de hoop dat de katten ‘m nu toch maar snel op zouden vreten ging ik tanden poetsen en handjes wassen (jaja, was nodig). Nog geen 5 minuten later hoorde ik wéér gestommel in de kelder. En jawel, daar zat Koschka weer met haar voetbalmuis. Fijn, die katten. Echt heerlijk.
*duizend bommen en granaten vloekend*

Nu was ik het zat, heb de kat met muis en al hardhandig opgepakt, het beest uit de bek getrokken, de kat bij de voordeur naar buiten gesodemieterd en de muis met een enorme boog een heeeeeeeel eind het grote veld, dat 20m achter ons huis ligt, in gegooid (het was volle maan dus ik kon zien waar ik ‘m naartoe keilde. En het veld is een halve kilometer breed dus dat kon haast niet missen). Daar mocht hij naar hartelust en in alle waardigheid sterven wat mij betreft (als-ie z’n boogvlucht überhaupt al overleefd had).

Kattenluik op slot.
Slapen.
Eindelijk.

Duuts veur boet’nlaanders

Mit, nach, bei, seit, von, zu, zuwider, gemäß, gegenüber, nebst, samt, nahe, binnen, entsprechend, entgegen, außer, aus.
Datief (derde naamval)
.
Durch, für, ohne, um, bis, gegen, wider, je.
Akkusatief (vierde naamval)
.
Oberhalb, unterhalb, außerhalb, innerhalb, halber, abseits, jenseits, diesseits, zwecks, angesichts, infolge, aufgrund, anhand, kraft, trotz, wegen, zwecks, zuzüglich (en nog een paar meer)
Genitief (tweede naamval)
.
An, auf, hinter, neben, in, unter, über, vor, zwischen.
Datief OF accusatief (wo? wohin?)
.
Kent u die rijtjes nog? Kunt u ze ook nog opdreunen? Ik zal hier en daar vast nog een paar voorzetels vergeten hebben maar in principe ken ik ze nog. Nou ja, een beetje dan. Die van de derde en vierde naamval in ieder geval. En dat zorgt altijd weer voor amusante gezichten bij de oerduitstaligen. Bij hen zit dat er van de geboorte af aan gewoon in: dat zijn geen dingen waar je over na hoeft te denken, dat ís gewoon zo. Als je dan een rijtje als bovenstaande opdreunt omdat je wilt laten zien, op welke brachiale wijze JIJ duits hebt moeten internaliseren (omdat het zo’n kl…taal is om te leren), vallen ze bijna van hun stoel van verbazing. “Dat hoef je toch niet te léren?? Dat IS toch gewoon zo?? Dat voel je toch?” Ja, nu onderhand wel. Na een kwart eeuw duits praten doe je het meeste inderdaad automatisch, zonder nog de rijtjes af te lopen om uit te vogelen welke naamval je moet hebben. Maar dat duurt langgggg…
.
Het grappige is, dat ze het zelf ook regelmatig hartstikke fout doen. Als je er op let, merk je dat het automatisme ook regelmatig te wensen over laat. Ik, als buitenlander met al mijn ingestampte grammaticaregeltjes, naamvalrijtjes en uitzonderingen, word op school- en ouderverenigingsvergaderingen altijd tot notuliste gebombardeerd. Ik corrigeer de brieven en presentaties van mijn duitse bedrijfspartner, ik schrijf de brieven en officiële emails voor m’n man. Duits is voor duitstaligen duidelijk óók moeilijk, vooral de declinaties en verbuigingen.  Maar daar is een al eeuwenoude remedie voor: het dialect. Slik waar mogelijk de laatste letters in en je hebt nergens last meer van. Der/dem/den wordt “de”, dir/dich/die wordt allemaal “die”. Das/des/dessen wordt allemaal “de(e)s”. Enzovoort. Suit yourself. De jeugd van tegenwoordig maakt ’t zich nóg makkelijker en schrijft nu ook alles in Mundart. Op facebook zie ik geen normaalduitse zin meer in de conversaties die mijn nichtjes voeren. Wordt maar ‘ns wijs uit ’t volgende:
(een willekeurige fb-conversatie, beetje ingekort en de 486 smilies/hartjes/XXX voor het leesgemak er even uit verwijderd)
joaah….bin sooooo happy
i ah! wie ma des woi gschofft hom…!
deng mas ah…
des warad so geil won wia gemeinsom spün kinadn…!
hapts es gschofft?
suppa! es sats oba a echt guuad
es sats unsane vertreda!
wissts a scho was fir a rolle?
igfrei mi scho so
wiad sicha voi gail.
Ik vond dit dus ronduit indrukwekkend…
.
Ten eerste wordt niets meer met een hoofdletter geschreven, wat ik op zich niet zo slecht vind (dat gestoorde hoofdlettergedoe bij alle zelfstandige naamwoorden werkt op de zenuwen) maar aan ’t begin van ’n zin hoort ’t dan toch wel weer, vind ik… Ten tweede is moet elke zin hardop uitgesproken worden voordat een normaalsterfelijke kan bevatten wat er staat. Ik kan bovenstaande na een kwart eeuw oefening wel lezen en begrijpen, maar dit valt voor mij toch wel onder de noemer ‘taalmishandeling’…
.
Nog een paar leuke raadseltjes voor de enigszins duitssprekenden onder u.
Word hier maar ‘ns uit wijs:
Da Fink sogt zan Zeisal und’s Zeisal zan Fink: in d’Stodt fliagn ma ned eine, weils do goa a so stinkt.
Dea Bua dea hod zwoa lingge Hendd. Dös wiad gonz sicha a Schdudendd.
Fuat in da Fria, hoam auf d’Nocht, so hods mei Voda imma gmocht. Fuat auf d’Nocht, hoam in da Fria, joa so mochans mia!

Denk je dat je enigszins duits kunt, kun je wéér compleet overnieuw beginnen.
Op onze vrijgezellenavond heb ik de test van de natives in elk geval cum laude doorstaan.
Misschien wordt ’t dan toch ooit nog wat met die oostenrijkse integratie van mij…

(NB: Vertaling van bovenstaande enkel op veelvuldig verzoek).

Dingen

Denken over de dingen maakt dat ze meer dingen denkt. Dingen die er niet zijn maar toch zijn ze er ineens omdat ze ze tot leven denkt. Waarom niet gewoon de gedachten in de kiem smoren. Niet denken. Geen dingen meer ongewild reïncarneren. Het wil niet. Hoofd stroomt over, vingers glijden over het toetsenbord. Wat is ze blij met haar Scheidegger-diploma voor tienvingertypen. Wat had ze als dertienjarige een gloedhekel dat loodzware, met bontgekleurde knopjes bezaaide ding. De oefeningen. De lessen. Saaier dan saai. Maar wat hemels is het nu om zonder naar het toetsenbord te kijken neer te kunnen zetten wat er in haar op komt. Eerste gedachtes. Tweede. Derde. Ontelbare. En met die gedachtes ook de dingen. Nee, geen Tommyknockersdingen, zo erg is ’t niet. Maar de zwartheid die alles opslokt. Meer een Fog. Ja, zelfs Stephen King-fan is ze. Ook dat nog…

Dingen.
Waarom gebeuren ze.
Overkomen ze.
Zijn ze soms toevallig.
Of onbegrijpelijk.
Worden ze gedaan.
Zijn ze niet eerlijk.
Of überhaupt nodig.
Wat nou Lord of the Flies…
(oh Bruno…)
Dirigent van de Dingen, dát wil ze zijn.

Raar woord ook. Dingen. Er zit eind in… En gein. En enig. Het enige dat ze geinig vindt, is het eindige van al die dingen. Niks is voor eeuwig. Stel je voor dat dingen oneindig zouden zijn. Waar zou de ellende dan ooit stoppen… De ellendige dingen die ze niet weg kan troosten. Niet goed kan knuffelen. Niet weg kan typen. Niet uit kan vagen met correctielint. Of met een delete-knop. Die dingen zouden er dan voor eeuwig zijn…

Maak van die ene -n- een -i-?
Toe,
maak het
eindig

Zondagsuitje

Zondag. Prachtigmooi weer. Niks in de planning. In dat geval voelen wij ons ouders geroepen om ‘even iets leuks’ te gaan doen met onze koters. Bij voorbaat buiten.

Nu hebben wij de mazzel dat we hier in de buurt een zogenaamd “Motorikpark” hebben, een soort speeltuin voor kinderen en volwassenen met allerlei klim-, evenwichts- en balanceertoestellen. Het is buitenaf, bij een klein dorpje met de naam Lungitz. De toestellen zijn rond een mooi meertje geplaatst, je kunt er leuk om-/doorheen wandelen en de kinderen kunnen ondertussen vanalles uitproberen. We zijn er al vaker geweest en het noemen van dit uitstapje zorgt meestal voor enig gejuich, wat bij onze kinderen eigenlijk een zeldzaamheid is. Dus: op naar het motoriekpark.

Afijn. Aldaar balanceren de kinderen vlijtig in ’t rond. Man natuurlijk ook. Ik ondersteun daar waar nodig is, het ene kind over het touw, het andere over de wiebelbank. Na een kwartiertje lopen we verder naar het achterste gedeelte waar een soort evenwichts- en rondrenparcour in ’t bos is. Én een kabelbaan waar je aan moet hangen, de zogenaamde Tarzanbaan. De kinderen vechten erom wie als eerste mag en natuurlijk wint dochter dat.

Ze trekt de ‘wagen’ aan ’t touw omhoog naar het startpunt, springt, grijpt de stang en suist naar ons toe. “Wiiiiieehhhhh!!!” gilt ze nog. Tot het ding tegen de stopper dendert. Geen vering, gewoon full and total stop. Volgens mij was dit vroeger anders, er mist iets van een veer, lijkt ‘t. Een normaal mens kan dan niet blijven hangen (man (athletisch gebouwd!) heeft ’t later ook nog even uitgeprobeerd en had er bij de stop duidelijk moeite mee om niet los te laten en er normaal af te springen) en ook dochter schiet dus met volle vaart door en landt vanaf circa anderhalve meter hoogte met een gigantische opdoffer pontificaal op haar achterste.

Ze kon niet meer ademen, steunde, kreunde en hapte naar lucht, ging instinctief in de foetushouding op de drassige grond liggen. In eerste instantie moest ik  – stupid me, bad mom –  enorm lachen want het zag er echt zo ontzettend koddig en blooperachtig uit. (Man moest ook lachen. Tjee. Foei. Bad dad!) Maar al heel snel zag ik toch de absolute ernst van de zaak in. Na een eeuwigheid vond ze ineens haar adem terug en brulde het uit. Ze krijste alles bij elkaar, kon niet meer op haar benen staan. Man heeft haar (ons 33kilopummeltje) uiteindelijk het hele eind terug naar de auto gedragen en enigszins gepikeerd en ongerust reden we terug naar huis.

Onderweg heb ik man nog even zó dermate weten te irriteren (ik was het – geheel terecht!! – weer ‘ns niet eens met zijn rijstijl (veel te snel, te gevaarlijk in de bochten met wandelaars, te veel door de hobbelberm etc.)) dat hij abrupt op het landweggetje stil bleef staan, uitstapte en brulde dat ik dan maar moest rijden als ik ’t zoveel beter kon. Prima, dat wou ik zelf eigenlijk ook veel liever. Stoïcijns liep ik naar de bestuurderskant, de blikken van de voetgangers stug negerend, en reed keurig en beheerst naar huis. Thuis dochter eerst maar ‘ns twee paracetamols en een beker warme chocomelk gegeven. Languit op de bank, de rug licht gemasseerd en gestrekt.

Het gaat nu enigszins, zolang ze verder niet beweegt. Maar bij iedere beweging kermt ze van de pijn. Ik vermoed dat ze ergens in haar rug en bij haar stuitje de boel behoorlijk verstuikt heeft. Ik hoop dat dat ‘alles’ is, ze lacht inmiddels alweer een beetje en ligt nu languit op de vloer te tekenen maar misschien moeten we morgen toch nog maar even naar de dokter…

Altijd weer fijn, die zondagsuitjes van ons…

.

PS: ik heb natuurlijk al lang en breed een email naar de voor het park verantwoordelijke gemeente gestuurd. Niet dat jullie denken dat ik dit niet meld en gewoon lekker het volgende kind op zijn/haar stuit laat donderen. Ik heb braaf luid en duidelijk deze misstand onder de aandacht gebracht 🙂

Piekerhoofd

6:20h AM – Ik maak m’n zoon wakker. Bij de eerste aanraking schiet hij omhoog en mompelt: “ik heb over een aandrijving gedroomd. Je zet een magneet hier en eentje daar, dan monteer je een metaalplaatje hier en daar en dan stoot het daar af en trekt hier aan [hij tekent met zijn ogen dicht een denkbeeldige cirkel in de lucht en prikt daar waar alles moet zitten] en dan draait-ie. Dan heb je dus een perpetumobilee.” Goh… Ik ben even beduusd. Ah ja. OK… Met de korrekte uitspraak (laat staan schrijfwijze) van Perpetuum Mobile zal ik ‘m nog maar niet vermoeien. Eerst wakker worden.

11:30h. School uit. Vrijdag. Weekend. Hij dendert de aulatrap af en komt breed grijnzend op me afgestommeld, mij z’n schooltas in de maag splitsend. “Ik heb heel, hééééél rottig Duits-huiswerk!” Fijn. Ik verheug me er nu al op. Eerst maar eens wat eten. Gekookte volkorenrijst met suiker. Hoeveel meer koolhydraten kan een kind nog vragen? Bij hem maakt ’t me niet uit: áls hij maar iets eet want hij is zo mager als zijn uitgumbare balpenvulling. De rijst naar binnen werkend pakt hij zijn rekenhuiswerk. Dat is leuk want dat kan hij zonder hulp en redelijk vlot.

13:30h Langzaam komt de rest van de sores uit z’n schooltas. Duits. Rottaal om te leren. Hij leert het net zo als ik het heb moeten leren: als een buitenlander. Het ‘moedertaalgevoel’ zit er niet in. Totaal afwezig. Ach, laat dat ‘moeder-‘ maar weg eigenlijk…

Een stukje tekst over de oertijd (“ahh interessant!“): De ‘perfect’-vormen (voltooid verleden tijd)  in de zinnen moeten eerst onderstreept worden en vervolgens in de ‘preteritum’-vorm (verleden tijd) in het schrift geschreven worden. Ik denk nog: “ach, laat ik hem nog maar even niet inlichten over de plusquamperfect en de futurII…”

Ik zie zijn schouders langzaam naar beneden zakken. Hij kijkt me vragend aan, met van die droevige oogjes. “Ik snap het niet… ik snap het écht niet…” Ik probeer het hem uit te leggen, zoek á là minute voorbeelden op het internet waarmee ik hem de werkwoordsvormen wat beter uit kan leggen. To no avail. Ik zie de rode vlekjes opdoemen in zijn gezicht en hij kijkt me door een waas aan. “Waarom?? Wáárom kan ik dit niet? Wáárom zíe ik het niet??” En dan komt de huilbui. Ik huil maar weer eens met hem mee. En duw tegelijkertijd zijn Duits-schrift aan de kant. Dat doen we morgen wel. Nieuwe dag, nieuwe kansen. Over twee weken is het grote Duits-grammaticaproefwerk en ik hou mijn hart vast. Opstel schrijven was gisteren en aangezien hij zelf niet al te enthousiast over zijn eigen schrijfsel was, neem ik aan dat ook dat redelijk catastrofaal uit zal vallen.

Nu eerst maar ‘ns drumles en afreageren.

Hopelijk helpt het een beetje om dat oh-zo intelligente maar oh-zo piekerende kinderhoofd van hem te luchten…