Romeo

Eigenlijk is ’t er niet.
En toch elke dag meer.
Als ’t dan plots stil is,
voelt het raar.
Onwennig.
Leeg.

Hoe lang houdt een liefhebben stand?
Hoe groot kan het ‘houden van’ nóg zijn?
Hoe lang mag ik al wat ik nooit meer dacht te mogen?
Hoe klein kan de afstand zijn voordat deze daadwerkelijk niet meer te overbruggen valt?

Zomaar ineens besef je hoe goed het is om intens lief te hebben. Dat het beter is dan welke andere sensatie ook. Ik zou niet weten waar ik anders voor gemaakt ben. Ik heb lief. Veel lief. Wat wil ik nu nog meer? Alles is er nu.

Dat ondefinieerbare gevoel dat iets eindelijk is zoals het altijd heeft moeten zijn. Die onderbuiksensatie die je niet langer meer kunt onderdrukken. Ik vond precies dat, waarvan ik nooit geweten heb, dat ik het zocht. En nu dat het er is, begrijp ik niet dat ik zo lang zonder heb kunnen leven.

Het nu is alles.

Het was nooit anders.

Call me Julia.

Worm

Ken je dat? Dat je jezelf het liefst op wilt delen?

Een schouderpartij voor de nodige steun hier, een torso voor het zware werk daar, één bil voor in bed, een hersenhelft voor het nodige denkwerk, een stukje staart voor de huishouding en met de rest van je hoofd totáál ergens anders.

Zoiets.

Maar helaas. De mens is en blijft een centralistisch wezen. Een ondeelbare bovenkamer van waaruit de boel in het gunstigste geval nog een beetje gedelegeerd wordt.

Was ik maar wat decentraler georganiseerd.
Met de mindset van een regenworm.
Of een axolotl.

Even scannen a.u.b.

Een grote bobbel. Dat is wat ik merkte, een week of anderhalf geleden. Ik legde mijn handen op mijn buik, op de onderste ribben en voelde een behoorlijke asymmetrie. Links een soort van derde, tepelloze borst, rechts gewoon ‘plat’ (voor zover plat bij mij mogelijk is) en dacht: ‘What the f….???’ en daarna niks meer, alweer vergeten. Ik blondie kan dat.

Maar de bobbel bleef en viel zelfs mijn man ineens op. Gisteren dus een eerste  poging tot betasting door de huisarts ondernomen. Helaas: die bleek op vakantie. Doorgereden naar een mogelijk vervangende arts maar die had geen praktijk op donderdagen. Nou dan niet! Bekijk het maar. Zal wel loslopen.

Vandaag heb ik toch maar een nieuwe poging gedaan: een derde lokale arts. Een internist. Om tien voor half acht was ik er al. De wachtkamer was een paradijs voor mensenkijkers. SMS-ende punkers, dames met hondjes in tassen, een peuter die de boel systematisch afbreekt, überzielige pubers met dramatranen in de ogen en een lachend levensverhalen mompelende man met Down. Een uurtje of anderhalf wachten en hoppaaa, ik ben al aan de beurt.

De huisarts drukt eens op de bobbel. Auw man! Het enige wat hij zegt is: ‘hmm’. En nog een keer. ‘Hmm’. Ik kijk hem bedenkelijk en sterk afwachtend aan.
‘Uw onderste rib is gebroken. Een pathologische breuk.’
Nu kijk ik meer dan bedremmeld. Hoe is dat mogelijk?? Ik heb niets raars gedaan, geen ongeluk gehad, niemand heeft mij mishandeld (voor zover ik me kan herinneren), ik heb mezelf niet eens naar behoren op de borst geslagen de laatste tijd.
‘De meest voorkomende oorzaak bij jonge [oh Danke, Herr Doktor!] mensen als u is een gezwel onder het bot.”
BAM. Uit het lood geslagen. Fijn hoor, zo’n eerlijke edoch tactvolle dokter.
‘U moet nu naar de radiologie in Linz. Dit moet wel gecheckt worden.’
‘Kan dat eventueel ook anderhalve week wachten? Ik heb nu erg weinig tijd…’
‘Nee. U moet nu gaan.’
De dringendheid waarmee hij dat zegt, is voldoende. Met een verwijsbrief en een kloppend hart van de schrik scheur ik naar de radiologische praktijk in de stad.

Weer een wachtkamer. En meer wachten. Een klein kwartier later ben ik al aan de beurt. Een propperige, gezette dame met jampotglazen duwt me met nogal harde hand op het verticale röntgenplateau, derde borst tegen de witte plaat.
‘En nu diep inademen en niet meer uitademen!’ Alweer auw…
‘Omdraaien tot ik stop zeg, dan weer inademen en NIET uitademen!’
Ben ik even blij dat ik tussendoor toch stiekem nog wat uitgeademd heb, anders had ik nu niet eens meer in kunnen ademen voor Tante Pollewop. Duwen, sjorren, nog een keer duwen. Zij zegt ook ‘hmm’ en haalt de opperradioloog erbij. Het zweet breekt me uit. Sta je dan, halfnaakt en klotsend tegen zo’n witte plaat op te rijen. Ik weet leukere hobby’s.

‘Ik kan het niet goed zien, de foto’s moeten later nog beoordeeld worden. Ik moet nu eerst even een echo maken’, aldus de radioloog. Ik ga op het met papier bekleede brancard liggen en oogst daarvoor meteen een klodder koude gel op mijn buik. Met de scankop drukt hij hard op de abnormale plek. Ik kan het woord ‘hmm’ inmiddels niet meer horen en vraag zonder omwegen of hij nu wat ziet of niet, en zo ja, wat.
‘Een breuk, ja. Verder niets. Raar hoor.’
Alsof hij er graag van alles had zien zitten en nu bijna een beetje teleurgesteld is. Jammer zeg, wéér geen drama vandaag… Ik  hoor het hem denken en vraag nog een keer voor alle duidelijkheid of ik me nu echt geen zorgen meer hoef te maken. Hoef ik voorlopig niet. Ja die breuk, dat is raar. Ontzien. Geen al te wilde dingen doen, niet boksen, niet bungeejumpen. Oh jee… dat wordt afkicken de komende weken. De rest lijkt oké, maar ik moet nog wel even de uitslag van de röntgenfoto’s afwachten voor het uiteindelijke ‘O.K.’ Die komen volgende week met de post. Wat een opluchting. Om tien uur ben ik weer thuis en plof met een kop koffie op de loungebank op het terras.

Na een emotioneel rondje scannen nu dan  de rest van de oorspronkelijke plannen…

Blik kan doden

Mijn Audi roest. Een beetje. Hier en daar zelfs wat meer. Eén van de redenen die de APK -man aanvoert voor zijnRoestaudi oordeel: afgekeurd. Ik snap dat niet. Afgekeurd vanwege oxiderend ijzer. Als ik zie wat voor bruine bakken er wél op de weg mogen… Onbegrijpelijk. Roest wegwerken vergt wat inspanning en mijn man doet zijn uiterste best inzake reanimatie. Noeste arbeid steekt hij erin om roest, haperende remmen,  sturingsproblemen en kapotte lagers weer in het gareel te krijgen. Ik denk bij mezelf: “oh my god, daarmee ben ik met 200km/h naar München gescheurd…” maar wie ben ik om te klagen; ik leef nog. En ik kan het niet repareren dus ik houd mijn gemak en laat hem prutsen. Stukken blik worden met urenlang minutieus gepriegel gebogen en gevormd. De lokale garageflip moet die er dan aansluitend in gaan lassen.

Ik ben ook nuttig bezig geweest. Ik heb uitgebreid de tuin doorgeploegd. De hoeveelheid tuinafval is indrukwekkend en mag in ieder geval niet op onze oprit wegrotten, dus laad ik alle zakken, kratten, kisten en dozen in onze andere auto (een Skoda, zijn auto. Hahahaha). Op naar het afvalcentrum. Ook nog een oude fietsband, een ijzeren onding namens booglampenvoet, wat reststukken blik, een oude deken en een zak met vergaan plastic uit de garage ingeladen. Opruimen is mooi werk.

Na het afvalcentrum scheur ik door naar de Lidl, waar ik ineens zie dat ik vijf telefoontjes gemist heb. Ai. Meteen gaat foon alweer opnieuw over. Man. In paniek stamelt hij:  “WAAR IS DAT STUK BLIK WAT IK GEBOGEN HEB???” Ik antwoord bedremmeld dat ik werkelijk waar geen idee heb. Ik heb wat afvalstukken weg gesodemieterd, dat wel… “Het lag in een kist met spullen op de grond!” Oh… ja… die kist… die heb ik ook opgeruimd. Alles in de gigantische oudijzercontainer die al half vol was met groot en klein schroot. Ik hoor de vertwijfeling in zijn stem. Die jammert heel hard ‘neeeeee….’ Hij legt me melodramatisch uit dat hij daar gisteren de hééééle godsganselijke dag mee bezig is geweest (duh… maar twee uur. Ik weet dat) en dat ik NU METEEN naar huis moet komen omdat we SAMEN dat stukje blik in die rotcontainer gaan zoeken. Bevel is bevel. Zonder een verder overbodig woord laat ik de Lidl achter me en haal hem op. We rijden onder het genot van een gefrustreerd potje doodzwijgen terug naar het ASZ.

Daar kijkt hij verbouwereerd in de container. Acht meter breed, drie meter diep. En bovenop mijn ‘oud ijzer’ ligt al lang een nieuwe lading grof oud ijzer. We moeten erin. Ik haal zuchtend een ladder bij een medewerker. Handschoenen aan. In de container is het een enorme zooi met veel scherpe randen en acuut instortgevaar. De loodzware voorplaat van een gestorven sigarettenautomaat bedekt een verbogen winkelkarretje. Al dat spul is in nog geen kwartier erbij gekomen.. Daaronder nog meer chaos. Ik mompel dat dit onbegonnen werk is, vind maar eens een stukje plaatblik van twintig centimeter lang en en zes centimeter breed in deze metersdiepe ijzerpuinhoop. Man kijkt me pisnijdig aan. “JIJ hebt het weggegooid, terwijl het duidelijk géén afvalstuk was!! Zoeken!!” (Het woord ‘kreng’ dacht hij er met grote zekerheid achteraan). Voor mij was het overduidelijk wél een afvalstuk maar het lijkt me beter om dat nu maar even voor me te houden.

Na wat pijnlijk ijzerworstelen was ie daar dan toch. Het stuk blik van onschatbare waarde. Ik lever man thuis af, grom  iets te luid dat hij het ding vooral nog even goed moet knuffelen en oogst een zoveelste blik die kan doden.

Oh Lidl, ik kom eraan!!!

 

Diplomatiek?

Een ware diplomaat is iemand, die twee keer nadenkt voordat hij niets zegt…

Dat zei Winston Churchill ooit. Het klopt. De ultieme diplomatie is het weldoordacht achterwege laten van woorden zodat de gesprekspartner erin kan interpreteren wat hem of haar op dat moment past. Indien nodig zelfs de onwetendheid. Stilte toelaten getuigt ook van kracht. Zelfs, of nee, juist in onderhandelingen of discussies.

Wat was ik graag stil gebleven. Weer een discussie die volledig ontaardde. Een gesprek dat geen gesprek meer was maar enkel nog een uitbarsting. Een gezwel van uitlatingen, waarbij plotsklaps sprake was van vijandige partijen in plaats van vrienden. En ik was duidelijk geen goede diplomaat. Ik had minstens twee keer na moeten denken om vervolgens heel verstandig mijn kaken op elkaar te houden en mijn vingers van het toetsenbord. Ik meldde wat ik ervan vond. En daarmee was het kwaad geschied: vanaf dat moment had ik eigenlijk moeten kiezen…

Ik weiger. Voor de zoveelste keer hou ik te laat mijn mond om vervolgens de gedwongen keuze achterwege te laten. Ik ben nog steeds een leek in de kunst van het op de juiste momenten niets zeggen.

Nooit te laat om te leren.