Moeder moet

Moeder moet liefhebben.
Onvoowaardelijk steunen.
De juiste raad weten.
Op zich laten leunen.
Moeder moet behoeden
En altijd beschermen.
Zich vol overgave
over alles ontfermen.
Moeder moet alles.
Accepteren, berusten.
Niet klagen. Dragen.
Lasten en lusten.

In het Duits klinkt de benaming duidelijk passender.

Moeter.

De Liefde – revisited

Vandaag is het dan toch zover: ik heb weer twee kinderen. Het ene heeft zich stierlijk verveeld omdat ze vijf dagen lang niemand had om haar ergernissen op bot te vieren. Het andere was een midweek op schoolkamp en is nu ineens als een halve puber terug gekomen.

Om half één rijd ik de parkeerplaats op, direct achter de bus waar met koeienletters “Alles wird Gut” op de achterruit staat. We hopen het maar. Door de letters heen zwaaien er een paar kinderen enthousiast naar alles wat rijdt. Ze leven nog, dat is een goed teken. Verstoppen onder de stoelen is er blijkbaar al niet meer bij.

Zoon komt scheef grijnzend de bus uit springen, mompelt iets van: “eyy mam,” en loopt linea recta naar de bagageruimte waar hij zijn weekendtas uit de massa opgraaft. Hij laat zich een korte ‘mama-moet-nu-toch-echt-éven-knuffelen-sessie’ welgevallen en na een fatsoenlijk afscheid c.q. bedankje aan de docente rijden we naar huis. Liefde

Hij vertelt niet veel. Ik moet alles eruit trekken, mocht ik echt iets willen weten. Maar ineens houdt hij het niet meer uit en barst los: “ik heb nóg een brief gekregen!!” M. heeft hem nu officieel de liefde verklaard, maar dan wel in het geheim. Een geheime liefde. Hij duwt me zijn portemonnee in de handen, waar alle briefjes, inclusief die, die hij op mijn commando uit de prullenbak heeft gevist, ingepropt zijn.

Ik ontfrommel ze, strijk ze een beetje glad. De evolutie van het liefdesgebeuren wordt duidelijk zichtbaar. Het eerste briefje is een cool aftasten: “Hallo, hoe gaat ie. Groetjes, M.”  Tja. Wat móet je ermee als elfjarige… Iets antwoorden van “Hey, ja goed hoor, maar nu dus net even iets minder – en bedankt hè!”  is ook not done. Het tweede briefje is in het geniep door een vriendinnetje in zijn jaszak gestopt: “jij bent  cool.”  Dát is nog eens een statement. Een groter compliment kun je een jongen op die leeftijd niet maken. Vooral niet als de knul in kwestie met duidelijke coolnessmankementen te kampen heeft. Het derde briefje heeft zoon door de telefoon al beschreven. De keuzemogelijkheden van het algemene aardig vinden: JA of NEE. Eigenlijk zou hij dit briefje al niet meer in bezit moeten hebben: aankruisen en terug ermee. Klaar. Makkelijkste methode. Het vierde briefje is duidelijk van een ander, intenser kaliber: “Ik hou van jou, T. [hartje]. Als jij ook van mij, geef me een teken. En het is geheime liefde (niet doorvertellen a.u.b.) [hartje][hartje]”

God wat een moed. Ik bewonder M. Zo jong en toch al zó dapper in liefdesaangelegenheden. Ik vraag zoon losjes of hij haar dan al iets geantwoord heeft. “Ja ja. Ik heb een brief terug gestuurd!” Vol goede hoop informeer ik wát hij dan geschreven heeft. “Nou gewoon: ‘Ik weet het nog niet. Ik moet er nog even over nadenken,’” en hij kijkt mij triomfantelijk aan. “Je kunt niet gelijk toegeven hè, dat hóórt niet!”

Een harde noot, die zoon van mij.
Een zomaar ineens bijna puberale noot.
Komt goed.

Als de liefde toeslaat…

…moet je als elfjarige blijkbaar even heel hard slikken.
Én je moeder bellen.
Dat ook.

Bezweet kijk ik, na een uurtje intensieve, sportieve bezigheid, op mijn telefoon. Eén gemiste oproep: het nummer van een vriendje van mijn zoon. Ze zijn een week op schoolkamp en zoon wilde geen mobiel meenemen. Dat was volgens hem nergens voor nodig. Waarom zou hij ons in vredesnaam moeten bellen? En als we hem wat dringends te zeggen hadden, konden we toch de begeleidend docente bellen? Ik kijk naar m’n display, voel naast mijn zweet nog wat andere nattigheid en bel het nummer terug. Zoon neemt meteen op en mijn indruk dat er iets is, wordt zo mogelijk nog sterker.

‘Oh haaaai mam…’ meldt hij zich nonchalant.
‘Hey lieverd! Marco heeft gebeld? Vertel, wat is er aan de hand? Hebben jullie het naar de zin daar?’
‘Euh… jawel hoor… we hebben gewandeld en een mierenhuisdinges in het bos gebouwd en gisteren hadden we een fakkelwandeling en kampvuur en zo. Best leuk, ja…’
‘Fijn. Kun je ook een beetje goed slapen? Je hebt toch geen heimwee of zo, hè?’
‘Nee nee, nergens last van…’
‘Lieverd, wat is er?’
Ik wacht gespannen af. Korte stilte, diepe zucht. En dan wat beschaamd gefluister. Tot drie keer toe zeg ik dat hij toch echt harder moet praten omdat ik er werkelijk geen bal van versta.
‘Ik… heb… ‘n… l..fd.sbr..f gekregen…’
‘Een wat?’
‘Een l…d.sbr..f.’
‘Wat???’
‘EEN LIEFDESBRIEF!’
Hij spuugt het er bijna uit. Alsof het een vreselijk smerig woord is. Ik moet mijn best doen om niet heel erg in de lach te schieten en vuur wat standaardvragen op hem af: Van wie?? Wat vind je er zelf van? En wat schreef ze dan?
‘Hij is van Melinda*.’
Dan nog meer stilte, een hoop ‘euhs’ en wat gefluister op de achtergrond.
‘Heb je de brief daar nog?’ vraag ik voorzichtig.
‘Nee, natuurlijk niet. Ligt in de prullenbak.’
Ik sommeer hem de brief er weer uit te halen; hij moet hem bewaren want dit zijn waardevolle dingen. Bovendien is het meisje in kwestie heel moedig geweest en is dit iets ontzettend liefs, ook al ziet hij dat nu nog niet zo. Als hij ‘m niet wil houden, bewaar ik de brief wel tot hij hem wél kan waarderen. Als hij twintig is of zo. Schoorvoetend loopt hij met mobiel en al naar de prullenbak en vist de brief er met hoorbare tegenzin weer uit.
‘Nou ehm… ze schrijft: Hoe gaat het met jou? Vind je mij aardig? Er staan twee vakjes achter waar ik JA of NEE aan kan kruisen. En dan: Ik vind jou heel aardig!’
Stilte. Alweer.
‘Goh lieverd… en wat vind je er zelf van?’ De geijkte moedervraag als je het zelf ook niet meer weet.
‘Maaham… dit is beangstigend… Ik weet echt niet wat ik ermee moet.’

Beangstigend. Zijn beschrijving voor een liefdesverklaring. Ik heb met mijn kind te doen… Nog drie dagen schoolkamp en hij weet zelfs niet eens meer hoe hij het meisje in kwestie moet aankijken. Voordat ik überhaupt iets kan zeggen, schalt hij alweer in het mobieltje:
‘Oh mam? Ik bel je morgen nog wel! Ik ga nu chips eten met Marco en Abdullah. Doeiiii!!’

En weg is ie, mij grinnikend en vertederd achter latend.
Als de liefde toeslaat, slaat ie hard.
Dan helpt alleen nog maar paprika-chips.

.

.

*) naam om privacyredenen veranderd 🙂

Ontheemd

Waar is thuis? Waar hoor ik? Ik weet het niet meer. Ik heb het eigenlijk ook nooit geweten. “Wherever I lay my hat, that’s my home,” krakeelde Paul Young.  Ik heb geen hoed maar als ik er eentje had, zou ik ‘m meteen opzetten en diep over mijn ogen trekken, zodat niemand de tranen zou zien glinsteren.

Vandaag voelt werkelijk niet als Bevrijdingsdag. Veel meer als een onverwachte gevangenisdag. Gevangen in mijn hoofd, gevangen in het alledaagse, gevangen in een overweldigend onbestemd gevoel. Ik functioneer absoluut niet. Ik ben stuk. Zelfs grasmaaien lukt voor geen meter: ondanks de lentezon blijft het gras te nat en loopt de maaier na wat gesputter steeds opnieuw vast. Ik had ’t kunnen weten. Een lichte misselijkheid golft al sinds het opstaan met vlagen door me heen. Wat dóe ik hier eigenlijk? Behalve doorademen en wachten tot de motor der normaliteit weer een beetje regelmatiger draait? Alles revolteert in mij.

Ik zou mijn bestaan nu per direct en uit alle macht radicaal om willen gooien maar ik kan het niet. Nog niet? Rationaliteit, gebondenheid, realisme en machteloosheid weerhouden me. Ik voel me meer dan stevig vastgesnoerd in een korset van ooit gemaakte keuzes. Met dubbele knopen op de rug. Een immense drang om los te komen. Een ziekelijk groeiend heimwee. Als een opzwellende groene hulk in mij. Kon ik ook maar zo oersterk zijn en uitbreken…

Ik voel me ontheemd.
Ik ben in mijn huis, maar steeds minder thuis.
Misschien gaat het ook dit keer voorbij.

Misschien ook niet meer…

Je ruist

Ik wil je in woorden wikkelen
je vangen in metaforen
me verstoppen in gaatjes
die je blikken in me boren
ik wil het licht dat jou draagt
langzaam in mijn ogen druppelen
langsheen de vezels van je
trui naar je lippen huppelen
urenlang harp spelen op je wimpers
en languit gaan liggen in je zij
ik wil de zee horen in je oorschelp
en eindelijk kunnen zeggen: je ruist in mij

.

(geschreven door jong dichterstalent: Bo Vanluchene)