Buikgevoel

Ze steunt zachtjes. De wond op haar been heeft dikke zwarte rouwranden. Wat bloederige korsten groeien door het gaas van transplantatiehuid heen. Op haar dij mist ze twee afgeschaafde lappen, felrode banen die pijn doen aan je ogen. Miep (eigenlijk heet ze Elfriede maar Miep vind ik beter passen) heeft huidkanker. Die van het ergste soort. ‘De Zwarte’, zoals ze het zelf noemt. Het type kanker dat zich ook gelijk in je lymfeklieren nestelt en van daaruit de rest van je opvreet.

Miep snurkt ’s nachts. Snoeihard. De uit haar liezen verwijderde lymfeklieren maken op de buik of de zij slapen onmogelijk en op haar rug heeft ze helaas geen controle over haar tong. Miep verontschuldigt zich en ik heb maar oordopjes gevraagd. Kleine moeite, meer rust voor allebei.

Na een dag redelijke stilte komen Miep en ik nader tot elkaar. Ze vraagt of ik haar wel versta, met haar sterke dialect. Ik stel haar gerust: ze kan voor haar begrippen ‘normaal’ praten, ik snap het wel. Ik kan alleen nog steeds niet toekijken hoe haar ontstoken wonden verzorgd worden maar ik hoor haar luid lijden. Miep heeft vijf jaar geleden al kanker gehad. Darmkanker. Veertig centimeter dikke darm mist ze nu, maar met alle chemo’s is ze twee maand geleden dan toch ‘genezen’ verklaard. En toen viel ze van de trap, bezeerde haar been op de plek waar enkel een vermeende spatader zat. Alleen kwam die spatader door de val ineens naar buiten en bleek een tumor te zijn.
“Da Krebs is a Hund,” mompelt ze zonder enige verbittering. En dat is ie.

Maar ze had het ook wel kunnen verwachten, zegt ze. Haar moeder had het ook. Het vele buitenwerk op de boerderij maakt van rare plekjes nu eenmaal zwarte kanker. Haar ene zus had eveneens darmkanker, die is al lang dood. Op haar zesenveertigste. Miep’s broer had prostaatkanker maar kreeg een hartaanval dus die heeft niet lang geleden.

“Is toch een mooie dood,” zegt ze. Gewoon omvallen en niks meer merken. Ja, zo zou iedereen dood moeten gaan. Haar nicht deed dat ook al zo mooi: die stond bij de kassa af te rekenen en zakte ineens in elkaar. “Poefff, weg,” zegt Miep terwijl ze demonstratief met haar vingers knipt. Zo hoort dat. Maar Miep moet eerst nog weer opkrabbelen want de koeien, de man en de katten wachten thuis op haar. En ze is nog maar éénenzestig hè! Te jong om nu al te stoppen met lijden.

Ik nestel me weer in mijn ziekenhuisbed en aanhoor mijn luid brommende en borrelende, vers geopereerde buik. Die probeert me overduidelijk iets te vertellen. Moet ik er dan toch maar naar luisteren?

 

Tijd heelt alle wonden

Wat een mythe. Tijd heelt helemaal niets. Tijd kan hooguit een licht gaasverbandje leggen op dat wat zo verschrikkelijk schrijnt. De wond blijft open. En dat is pas te begrijpen als je zelf in het bezit bent van zo’n gapend, bloedend gat. Rottijd.

Achter de wolken schijnt de zon?  Ik hoef geen zon. Ik verbrand in de zon. Ik blijf liever janken naar de maan.

Alle verlies went?  Nee, het went nooit. Maar fabeltjes zijn natuurlijk altijd leuk om te vertellen.

Life goes on?  Maybe. HET leven op zich wel. Maar de zin ervan moet toch steeds weer opnieuw gedefinieerd worden.

Wees verstandig, bekijk het rationeel. Weeg alle voors en tegens af, analyseer de werkelijke kans van slagen. Ja hoor, doe ik. Zo gauw iemand mij even wijst, waar mijn “gevoel-uit-verstand-aan-knop” zit. Ik vind het ding echt niet. Misschien is dat het enige wat de tijd ooit kan doen. Je een knopje in jezelf laten vinden. Of misschien is mijn gevoel wel mijn verstand?

Máák wat van je leven, je leeft maar één keer. Maar dan wel graag binnen de kaders waar je jezelf in de loop der tijd in hebt weten te persen. Muren zijn er om te doorbreken en voor alles is een oplossing. ‘Het leven’ hangt aan elkaar van clichés. Wat is dat leven überhaupt…

Ik wacht wel op die openbaring.

Ik wacht wel.