Over een uur…

over een uur, twaalf jaar geleden.
was hij er ineens.
floep. zo uit mij gegleden.
nou ja, zo makkelijk was het niet…
een sterrenkijker in de wereld zetten
is toch best moeizaam.
maar kijk hem nu, knul van twaalf.

en toch…
dit keer niet bij mij. niet heel even
over zijn bol strijken om half één.
twaalf jaar geleden om deze tijd.
ja, twaalf jaar is een eeuwigheid.
alles is anders, niets blijft hetzelfde.
behalve mijn liefde voor hem

twaalf jaar geleden, over een uur
nee, drie kwartier nu. toen was ie er.
schreeuwend en goed drie weken
te vroeg. maar ik, ik lag daar.
hevig nabloedend genietend van
een fijngeperst mensenkind.
mijn.
de wereld een wonder rijker.
en ik ook.

 

Drei Schweinshaxen, bitte!

Ik ben net even naar het winkeltje hier op de boerderij geweest. Elke donderdag verkopen ze ‘Ab Hof’ alles wat ze zelf van hun (bio)varkens, die in de stal 50 meter verderop rondwroeten, kunnen vervaardigen. Geen onderdeel van het varken gaat verloren, alles belandt in de winkel. Zelfs meerdere soorten verse, witte kaas, maar ik vermoed daar toch enige fraude m.b.t. de dierlijke oorsprong van de melk.

Het is een waar griezelkSchweinzeugsabinet. De varkenstongen hijgen nog na in de vitrine. De Sauschädel (gevulde varkenskoppen) grijnzen je aan, de gehakte Schweinshirne zijn zorgvuldig in een stuk darm geperst. Maar voor de algehele culturele ontwikkeling en lokale integratie is zo’n bezoekje wel goed. Ik leer er een hoop nieuwe woorden zoals ‘Blunzen’ (=bloedworst), ‘Kaspressknödel’ (soort van platgedrukt allegaartje van (oud) brood, kruiden, kaas en ik vermoed varkensvet), ‘Stelzn’ (gegrilde varkenspoten) en ‘Beuschl’ (lijkt op gemalen goulash maar dan van varkenslongen en ander orgaanvlees).

Toegegeven, een aantal van de lokale vleesbegrippen – Grammelknödel, Bauchspeck (inclusief het obligatoire gevolg: de Speckbauch), Knacker, Fleischlaberl, Geselchtes, Schmalz en Surbratl – kende ik inmiddels al. Maar toch sta ik elke keer opnieuw met volle verbazing te kijken naar die oude, gebochelde oervrouwtjes met gebloemde schort en rieten mandje aan de arm. Ze staan tot ver buiten de deur in de rij voor deze varkensspecialist en laten hun mandje glunderend vol stouwen met Schweinshaxe en co. Voor hen is het een delicatessenwinkel. Voor mij eerder een bezienswaardigheid. Ik ga maar voor de verse knoflookkaas. Van het zwijn.

Klinkklare ikke

Wie ben ik? Ben ik mijn levensinstrument? En moet het dan m’n doel zijn om mijzelf zo goed mogelijk te bespelen? Uit de toon vallen is geen issue maar ergens naar klinken is een mooi streven. Niet te zacht maar zeker ook niet te hard. Niet te snerpend, niet te lieflijk. Maar vooral niet vals…

Vertel eens. Welke kleur krijgt een kameleon als je hem in een spiegelpaleis zet? Waaraan past zo’n dier zich aan als hij geen andere omgeving heeft dan zichzelf? Dat vroegen cybernetici zich in de jaren 70 ook al af. Behoudt een kameleon in zo’n geval zijn beginkleur? Wisselt hij tussen de verschillende kleurtonen? Of wordt hij door de overdaad aan zelfreflectie tot waanzin gedreven?

Men weet het heden ten dage nog steeds niet met zekerheid, maar de paar proefkameleons die deze test ondergingen, namen de typerende, intens groene kleur van de schrikreactie aan. Bij gebrek aan zelfbewustzijn schrokken ze hevig van hun eigen beeltenis. Pure stress door gebrek aan identiteit.

En dat is nu precies wat er met veel mensen nu ook gebeurt, in het spiegelpaleis der (sociale) media. Overal zien ze zichselfie, maar herkennen zich niet meer. Met elk gereflecteerd zelfbeeld, ongewild gespiegeld aan duizenden, nee, miljoenen anderen, drukt men zich steeds weer in een nieuwe rol, neemt men een nieuwe kleur aan. Doelgericht aangepast aan de gewenste normen en waarden die een dag later niet meer gelden. En hoe meer kleuren (of rollen, for that matter) een mens probeert aan te nemen, des te moeilijker wordt het om te definiëren wie hij nu in werkelijkheid is.

Daarom klink ik liever.
Toonaarden kun je ook herkennen met je ogen dicht.
Blind voor ongewenste reflectie bespeel ik mijzelf.
Een selfie-sonate in   f     …

Relativiteit in theorie

“Alles is relatief!” Te pas en te onpas wordt het geroepen. Te gemakkelijk om moeilijke aangelegenheden steeds opnieuw te reduceren tot minimale issues. Je leeft maar één keer, toch? En die ene keer moet je er dan maar uit halen, wat er in zit. Maar wát zit er dan in vredesnaam in? En hoe weet je wáár het zit, zodat je het er ook uit kunt halen?

Je ligt in het ziekenhuis voor een kleine standaardoperatie. Je hebt pijn; de operatie is niet helemaal verlopen zoals het zou moeten. Thuis ligt er een zo mogelijk nóg grotere berg zorgen op je te wachten. Je weet eigenlijk niet eens hoe je leven verder zou moeten, overziet het niet meer. Onmogelijke keuzes. Grote verantwoordelijkheden. Rationaliteit moet per definitie overheersen, de wanhoop de kop ingedrukt. De pijn blijft. Wie biedt er nou meer ellende?

Naast je in de ziekenhuiskamer ligt nog een mens. Haar leven doorspekt van ziekte, verlies, verdriet, dood. Haar broer en twee zussen begroetten elkaar al lang in het hiernamaals. Een dappere, oude vrouw met existentiële angsten. Haar volwassen kinderen kijken naar haar, door goed gespeelde zorgen verscheurd. De kleinkinderen drukken oma uit plichtsbesef even tegen zich aan om vervolgens op de grond te gaan zitten wachten tot ze ein-de-lijk weer naar huis mogen. Oma kijkt het met lede ogen aan. Waarom zijn ze hier? Omdat het moet? Van haar hoeft het niet. Lijden kan ze zo veel beter in haar eentje.

Je kijkt naar de drie kleine sneetjes in je buik terwijl de verpleegster de pleisters vervangt en een nieuwe dosis pijnstillers op het infuus aansluit. Drie schone gleufjes van een centimeter. Morgen mag je vast naar huis. Een blik naar de buurvrouw. Het obligatoire privacy-gordijn ontbreekt in deze kamer. Haar wonden worden open en bloot verzorgd. Lappen huid van tien bij twintig centimeter ontbreken, afgedekt door smoezelig gaas, de rafelige wondranden compleet zwart. Op haar benen en in haar liezen is het een slagveld, overal waar de kanker uitgezaaid en weer weggesneden is. Etter en pus waar je kijkt. Een onderbroek kan ze al sinds maanden niet meer dragen. Langzaamaan vergezellen steeds grotere plekken van het doorliggen de melanomen die haar langzaam opvreten. Je hoort haar onderdrukt kreunen van de pijn. Niemand mag horen hoe erg ze in werkelijkheid lijdt…

Het móet beter worden. Het leven kán hier niet ophouden want dan gaat de boerderij er aan onderdoor. Wat moet dat worden, met alle varkens en achtendertig koeien als zij er niet meer is? Wie verzorgt de katten en de kippen? Maar ze weet het zelf ook. Rationeel gezien valt er voor haar niks meer uit te halen, uit dit leven. Op naar een volgend. Ze kijkt nog eens op naar haar kleinkinderen en tekent trillend de overdrachtsverklaring. Dat is pas rationaliteit. Ratio zonder keuzemogelijkheden. Ze sluit haar ogen en ademt langzaam uit. Hoe vaak zal ze dat nog mogen doen?

Ja. Alles is relatief.