Herkenbaar in de mist

Daar zit je dan. Kort na middernacht, een voor jouw doen relatief vroeg slapengaan-tijdstip. Rechtop in bed, laptop op schoot want anders kun je niet fatsoenlijk typen. Je neus maximaal achttien centimeter verwijderd van het beeldscherm omdat je met je -4,5 dioptrie niet meer kunt herkennen, wat je zoeven in je toetsenbord gestameld hebt en je daglenzen al in de plee liggen. Eigenlijk ben je doodop. Half ziek, hoestend plus – je durft het bijna niet toe te geven – ook nog een aardig lastige blaasontsteking. Net vijf dagen lang je nog ziekere kinderen 24/7 vertroeteld en bediend. Hun papa heeft ze vanmiddag opgehaald. Zijn beurt nu.

Je zou moeten slapen. Je kunt het niet. Watje. Je smeekt er vormelijk om maar je rood doorlopen ogen willen pertinent niet dicht gaan en je snot doorlopen neus niet open. Enkel meteen, lang, en vooral diep slapen, dat is alles wat je wilt. Als het even kan met een fijne, semi-erotische en vooral onthoudbare droom. Maar nee. Niks diepte voor jou. Dan maar oppervlakkigheid. Je kijkt een aflevering van de Vampire Diaries op je laptop. Liggend op je zij, met je laptop op z’n kant. Redelijk tricky want een bloedlip door een wat onhandig op je gezicht omvallend gevaarte is al lang geen onbekende ervaring meer voor jou.

Jij. Je wilt slapen? Je móet zelfs slapen! Helaas. De ondanks je strenge dieet van astronautenvoedingsblokken met water (en koffie… en thee… en lasagne…) toch verorberde halve zak paprika-chips – je wist in je lamlendige en mistige bui  écht niet wat je bezielde – ligt verrekte zwaar op de maag.

De trein waar je het gisteren zo uitgebreid over had, lijkt inmiddels met ’t volledige tonnage over je heen gedenderd te zijn. Werkelijk, geen genade, die NS. Oh hemel, dat klinkt raar. Je maakt er maar een Fyra van. Die rijdt tenminste helemáál nergens. Die strompelt. ‘Hemel’ klinkt óók raar, wetende dat de hemel enkel op aarde bestaat. En je mist maar door. Skype en Viber lieten je vandaag danig in de steek. Dat terwijl het zo ongeveer je lifelines zijn. Hoe dúrven ze?!? Maar misschien lag het wel aan je eigen wifi, wat ondanks middels gefrustreerd eruit rukken van de stroomkabel opnieuw opstarten van je modem, nog steeds hapert. Of het ligt toch aan het WLAN aan het andere einde, you never know. Alles wat jíj weet, is dat je mist.

Twee flinke glazen wijn maken het er ook niet beter op. Enkel nóg mistiger. Een stuk schrijven onder invloed van wat dan ook is nooit aan te raden. Er komt een hoop bullshit uit je vingers waarvan je de volgende ochtend niet eens meer weet of je het wel echt zelf en met de juiste overwegingen geschreven hebt. Je zou er met Stephen King in ieder geval een leuk woordje over kunnen babbelen. En hoewel de meeste mensen abominabel slecht zijn in het goed lezen en interpreteren van bijvoorbeeld satirische teksten, lezen ze vanzelfsprekend wél feilloos je state of mind tussen die stierenpoepregels door.

En je vraagt je af.
Wat je hiermee..
überhaupt eigenlijk …
ook alweer ….
wilde zeggen…..

Ach, je weet het niet meer.

Herkenbaar.

Amo ergo sum

Soms – ja ja, ik weet dat ik echt niet de enige ben – vergelijk ik mijn leven met een rollende trein. Bij vertrek nog heel langzaam, bijna onmerkbaar op gang komend. Het spoor leidt. De snelheid neemt gestaag toe en al gauw is er niemand meer, die het gevaarte nog kan stoppen, zelfs ik niet. Geen noodremmen. En dat is geen bouwfout.

tracksssHet leven. Een treinreis. Zo vreselijk cliché, ik ben me ervan bewust. Mijn traject. Met alle stations, omwegen, ergernissen, vertragingen en ongelukken die bij een treinreis horen. Zelfs met mensen die er ineens voor springen. Met onverwacht oponthoud, door werkzaamheden aan het spoor of door kapotte bovenleidingen, dat mijn planning weer eens volledig overhoop schopt. Maar ook met alle tempoversnellingen die het tijdsverlies weer een beetje goed maken.

We stappen in. We zien onze ouders zitten en gaan ervan uit dat ze voor altijd met ons mee zullen reizen. Maar op een onbeduidend, half vergeten dorpsstationnetje stappen ze plots uit en moeten we onze reis zonder hen vervolgen. We kunnen niet anders. Zo vele andere passagiers blijven wel zitten en nieuwe reizigers stappen in. Zussen, broers, geliefden, vrienden, wegbegeleiders, soulmates, familie, nog meer vrienden, zelfs de liefde van je leven. Enkelen van hen vragen beleefd of die plek nog vrij is, anderen ploffen zonder veel omhaal en met een hoop bagage naast je neer op een lege stoel.

Velen verlaten de trein na een tijd weer, soms gepland, soms totaal out of the blue. Laten een grote leegte achter waar je mee om moet leren gaan. Maar raar genoeg merken we van een groot deel van de passagiers niet eens, dat ze alweer uitgestapt zijn. Eigenlijk is het een voortdurende reis vol begroetingen en afscheid, vol interactie, lol en leed. De treinreis wordt duidelijk aangenamer en mooier als je in staat bent om de verhoudingen met je mede-passagiers goed te houden.

Maar het grootste mysterie blijft je ook in jouw trein achtervolgen. Je weet namelijk nooit op welke halte je zélf uit zult moeten stappen. Het YOLO-principe is wat mij betreft voor watjes, maar toch zit er ook wel wat in. Want met elke uitgestapte, geliefde medereiziger besef je weer dat jouw reis óók zo maar ineens afgelopen kan zijn. Daarom moet je leven. Liefhebben. Tolereren. Genieten. Vergeven. En vooral het beste van jezelf geven. Er komt definitief een punt, waarop dat alles niet meer, nooit meer kan. Als dat moment daar is, als je bij jouw persoonlijke uitstaphalte bent aangekomen en jouw éigen plek ineens leeg blijft, zouden slechts mooie gedachten aan jou bij de andere passagiers achter moeten blijven. Gedachten die voor altijd in de trein verder reizen.

Tot nu toe had ik al vele medereizigers, stuk voor stuk fijne mensen.Veruit de meesten daarvan zitten nog gezellig bij mij in de coupé. Sommigen zijn definitief uitgestapt. En ik mis ze. Enkelingen zijn overgestapt op andere, misschien wel veel snellere, stiptere en luxere  treinen. Ook dat kan. Voor diegenen hoop ik enkel maar dat de verdere reis óók weer vol liefde, gezondheid en gelukkige momenten zal zijn. Dat ze hun gewenste bestemming bereiken. Dat ze sterk kunnen zijn. Mensen die hun leven weer op de rit krijgen én houden. En dat ze – zelfs al is dat met tranen in de ogen – kunnen zeggen: “Ja, ik ben toch echt helemaal oké!” Want dat waren ze. En dat blijven ze. In de gedachten in mijn trein.

Descartes had het vet mis.
Het is niet het denken
dat je werkelijk doet leven.
Het is het liefhebben.

Amo ergo sum.

Mijn zaad is op.

MinecraftIk lig in bed. Zondagochtend, veel te vroeg wakker door mijn eeuwig lawaaiige buren. Dit keer een heftig stampende bovenbuurvrouw. Zoon en dochter zitten al lang en breed in de woonkamer, TV aan. Klinkt als StarWars. Keuvelende kinderen, niks leukers om stiekem naar te luisteren.

“Tjeeeee, jij bent ook zo’n jonkie hè, toen jij in deze wereld kwam, was ik al zesentwintig.”
[Huh? Echnie. Je was nog net geen drie toen je zusje kwam. Zesentwintig, tssss…]
“Zal ik jóu eens wat vertellen over de andere wereld? Ik kan je er wel even naar toe helpen, hoor.”
[Hola, wat zijn we van plan? Mijn ogen worden groter. Even naar de andere wereld helpen, da’s toch geen typische zondagochtendactiviteit…]
“Rot op, ik kan het echt wel alleen in dit leven.”
[Dat is nog eens een statement. Go for it, girl.]
“Als jij zo oud en zo ver bent als ik, moet je met heel andere bazen vechten. Jouw bazen zijn watjes. Je koopt ze zo. Met boter.”
“Mijn baas is toevallig Het Einde. En hij heeft een coole draak.”
[Oh, wacht eens…]

“Zo maar eens even met de dorpelingen onderhandelen. Ik heb nog een paar diamanten over.”
“Emeralds doen het veel beter, hoor.”
“Je moet naar andere dimensies gaan. Dán kom je pas echt verder. Veel meer boter daar, ook.”
“Ja, maar sommige dimensies zijn de hel…”

“Hey, ik heb nieuwe wapens gemaakt, kijk. Met mijn dolk kun je ook nog eens supersnel oogsten. En in no time vet killen.”
“Jemig joh, je moet het echt langer volhouden, hoor!! Langer! Blijven steken! Nog langer! Ja!! Jaaa!!!!”
“Nou, ik heb mijn schuilhut toevallig wel mooi af. Nog even een bed bouwen en dan ben ik weer veilig. Je mag wel in mijn bed straks. Zijn we eigenlijk alweer verbonden?”
“Jij met je hutten en je grotten. Ik heb een gigamegakasteel gebouwd, kijk dan!?!”

“Mijn hongerrepen zijn op. Heb jij nog wat te kanen? Ruilen?”
“Als je nou eens een boerderij begint, heb je zat te vreten voor de rest van je leven.”
“Hmmm. Heb jij dan nog wat zaad voor mij?”
“Nee, mijn zaad is hartstikke op. Ik ga hout hakken.”

Ah… Aha.
Minecraft, de digitale legoversie.
Even verlang ik terug naar de 1.0-blokkendozentijd.
Toen kon je nog gewoon horen hoe ze elkaars kastelen omver trapten.