David en Billy

David zingt.
“Love me, love me, love me, love me, say you do
Let me fly away with you?”
Ik kan niet vliegen.
Meevliegen met mij zit er dus ook niet in.

In gedachten lukt het steeds beter.
’s Nachts. Vooral ’s nachts vliegt het fijn.
Waarom ben ik hier? Wat heb ík nou echt gepresteerd?
Waarom zou iemand überhaupt van míj willen houden?
Ik heb al zo veel mensen ongelukkig gemaakt.
Ze hebben geleden door mijn toedoen. Actief overspoeld.
Of simpel weggeëbd in de tijd.
Waarom lijden ze dan? Omdat ik weg gegaan ben?
Dat kan toch niet? Wie ben ik om gemist te worden?
Is het wel het missen van mij, als persoon?
Is het niet dat, wat ik ze aangedaan heb door weg te gaan?
Is het juist al dat, wat ik weggenomen heb?
Dat ooit intacte wereldbeeld, vergruizeld.
Die verloren visie van hoe het had moeten zijn.

Ik wist wél waar ik heen ging, toen ik mij verwijderde.
Misschien is dat dan, wat het meeste steekt…
Zij wisten niet wat over zou blijven.
Een soort van niks? Enkel een waarom?
Was dat wat was zo weinig waard dat ik het weg kon gooien?
Daar ligt de denkfout. Het was me niet te weinig waard.
Integendeel. Het was zó veel waard, dat ik ’t vrij moest laten
omdat het door de tijd heen steeds minder bij mij hoorde.
Tot ik niets meer hoorde.

David zingt nog steeds.
“Don’t you know, you’re life itself!”
Ben ik dat? Ik ben toch enkel mijn leven.
Maar ik ben ook het leven van mijn kinderen.
Ik mis ze, de dagen dat ze niet om mij heen draaien.
Maar die dagen ben ik weer die, die ik ooit was.
Waarom wil ik mijn oertype nu en dan terug?
Omdat de eerste ik niet wist, hoe pijn te doen.
Ik wist toen slechts hoe gelukkig te maken.

Back to core business. Of midlife crisis.
That core now contains a lot more.
Een harde kern, toch plotsklaps gespleten.
Steeds wijdere cirkels rond de dode planeten
Maar ik heb waardevolle manen meegekregen.

In de spiegel kijken andere ogen me aan.
Gegroeid is die, die ik zie. Wat ooit
een beginsel was, is nu mens met diep verleden.
Met een nieuw gezicht dat in de toekomst blikt.
Maar ik zal mijzelf nooit missen.
David geeft het stokje door aan Billy.

Billy zingt.
“Eyes without a face.”
Ja. Ik zie het ook.
Ik begin oud te worden.
Fijn.

Lintworm

Zondags ontbijt.
Dochter neemt een grote hap van haar broodje filet americain. Ze kauwt genoeglijk.
LintwormOnderwijl oppert zoon nonchalant: “Hey mam, lintwormen zitten in rauw vlees, hè?”
“Euh, ja. Ook.”
Ik kijk hem scheef aan, snap heel goed waar hij heen wil met zijn vraag.
“En als je een lintworm hebt, dan vreet ie alles in je darmen op, toch?”
Alsof hij dat niet zou weten. Het jong weet sowieso alles.

Ik leg zo zakelijk en droog mogelijk uit dat lintwormen bij mensen maar héél zelden voorkomen, bij dieren die rauw vlees eten en vaak vlooien (overdragers van dergelijk gespuis) hebben, zoals katten, wel wat vaker. Dat koeien die wormen en hun eitjes in hun darmen kunnen hebben door gras met besmette ontlasting te eten. Dochter stopt met kauwen.
“Yuck!! Kunnen jullie het niet éven over iets anders hebben?”

Maar zoon weet van geen ophouden.
“Joh, maak je niet druk. Als jij een lintworm hebt, word je eindelijk slank. Mooi toch?”
Dochter kijkt verongelijkt naar haar buik.
“En als je niet genoeg eten in je buik hebt, begint ie gewoon met je ingewanden. Dan word je van binnen helemaal uitgehold. Oh, en hij legt ook eitjes die naar je hersenen kunnen gaan. Dan word je nog gekker dan je nu al bent.”
Dochter wordt bleek.
“Ja, echt! En koeien hebben het nu ook nog heel vaak hoor! En dan zitten de eitjes in het vlees. In gehakt en zo. Lekker joh!”

Ik kijk zoon vermanend aan. Nú stoppen of in de woonkamer verder eten. Met de deur dicht a.u.b.
Zoon staart stoïcijns terug en mompelt tussen neus en lippen door: “Nou zeg, ik wou alleen maar even waarschuwen. Dat wat zij nu eet – hoofdknikje richting dochter – is ook hartstikke rauw, gemalen koeienvlees.”
Dochter racet naar de badkamer.

Elke keer weer gezellig, dat zondagse ontbijt.