Het gif dat angst heet

ThePoisonOfFear2 SCAN-LargeA

Muggenbulten

“Mam, weet je wel dat jij nog steeds muggen hier in huis hebt?”
Zoon (13) krabt demonstratief aan zijn benen.
“Echt, ik heb óveral muggenbulten. Ze jeuken niet zo erg, maar toch ook wel een beetje. En soms doen ze zelfs pijn…”
Hij trekt er een gruwelijk meelijwekkend gezicht bij.

Ik weet heel zeker dat er geen muggen meer in huis zijn. Het is nota bene eind november, buiten vriest het en ik heb zelf al weken geen mug, vlieg of ander ongedierte meer gezien. Enkel joekels van herfstspinnen en een verloren fruitvliegje.

“Nou, laat eens zien dan?”
Hij showt z’n been. Ik zie een klein rood restplekje.
“Die was vorige week nog écht groter, hoor! Maar op de één of ander manier is ie nu ineens weer bijna weg.”
Ik vraag of hij er dan misschien nog meer heeft. Hij keert me letterlijk de rug toe.
“Kijk! Hier! Een hele grote, rare. Met een bobbeltje. Ik voel ‘em!”

Ik grinnik vertederd.
Mijn puber krijgt puistjes.

Opgeven mag

Wezenloos staart hij uit het raam. Het ongenadig harde hout van de keukenstoel voelt hij tot diep in de broze botten van zijn zitvlak. Een paar uitgebluste en eindeloos vermoeide ogen kijkt langs de flats naar het donkergrijze water in de verte. Hij steunt met beide handen en kin op het handvat van zijn stok. Er glinstert vocht in zijn ogen. Alles is zinloos. Grauw. Eenzaam. Niets is het nog waard om voor door te gaan. Hij slaat zijn blik neer en perst de weerbarstige tranen uit zijn ooghoeken. Ze vloeien samen onder zijn neus. Een zilte smaak op zijn droge lippen.

Ze was de liefde van zijn leven, zijn hele leven lang. Haar ogen waren altijd de mooiste, de diepste en meest liefdevolle gebleven, zelfs toen ze langzaam maar zeker uitdoofden. Tranen van vreugde moesten de laatste jaren steeds vaker plaats maken voor tranen van pijn. En wanhoop. Toch bleef daar die glans. De glinstering en de fierheid van haar levenswil, die nooit door steeds dieper wordende rimpels en bovenlipgroefjes overschaduwd werd, weerspiegeld in haar lach. In al haar uren van lijden was ze onvermoeibaar moedig gebleven. Sterk. Positief. En de zijne. Maar ze had oneindig geleden. En alleen hij wist hoe zeer…

Ook nu kan hij zich de vibraties van haar zachte, diepe maar steeds zwakker wordende stem weer exact voor de geest te halen. Haar fluisterende, warme ademzuchten in zijn gehoorgang. Haar rozige geur, halsstarrig verankerd in zijn neusharen. 

Een glimpje zon valt op zijn knokige vingers. Maar in zijn beleving is er geen plaats meer voor zon of warmte. Er is enkel nog plek voor donkere wolken. En voor orkaanwinden waar hij onophoudelijk tegenin zal moeten blijven worstelen. Elke dag opnieuw. Elke nacht een eenzame kwelling.

Vierenzestig jaar lang was zij de zin geweest. De verlichting en de vreugde. Zijn basis en zijn bestaansreden. En nu, nu weet hij niet meer hoe dat leven nog te doorleven valt. Het beste deel van zichzelf, het deel dat zij in hem was, is voorgoed verloren gegaan. Zijn leven is het zijne niet meer. Wat een nutteloos recht is het geworden, dat recht om te voort te bestaan. Geen liefde zal haar ooit kunnen evenaren. Nee, nieuwe liefde bestáát simpelweg niet.

Hij heeft er lang genoeg over nagedacht. Lang genoeg om te weten, dat hij niets meer blieft van dit hier en nu. De wijkverpleegster zegt hem telkens weer dat hij op moet passen voor een depressie. Dat hij zich op andere dingen moet concentreren om niet op elk moment van de dag aan haar te hoeven denken. Wat nou depressie? En welke dingen dan? Hij kán haar niet zomaar uit zijn gedachten wissen, niet ontkennen, niet níet missen, niet één seconde vergeten.

Langzaam staat hij op. Zijn knieën trillen. Licht voorover gebogen en nog zwaarder op de stok leunend, opent hij de deur naar het balkon van de schamele, totale leegte uitwasemende seniorenflat, de houten stoel voetje voor voetje achter zich aan trekkend. Acht hoog is een mooie hoogte, maar het uitzicht op de haven, waar hij tot zijn pensioen vol overgave zijn werk mocht doen, wordt hem sinds een krap jaar door een betonnen kantoorflat ontnomen. Ach, hij ziet het immers het kille water nog.

Tastend en wiebelend klimt hij op de zitting. Sluit zijn ogen, ziet haar beneden in het plantsoen weer staan. Ze wuift. Zoals altijd. De twijfel over het verkozen einde slaat toe. Is het dan zo verkeerd om dat waardeloos geworden bestaansrecht nu op te geven? Zo verkeerd om haar gedachteloos te willen volgen? Zo verkeerd om zijn gezicht voorgoed van dat felle, ondraaglijk verblindende licht, dat een restleven vol gemis enkel nog is, af te wenden? De dieptes van zijn verdriet schreeuwen hem uit alle macht toe. Toch hoort hij haar zachte stem, dwars door het geraas in zijn hoofd heen. “Volg, mijn lieve lief. Opgeven mag.”

Een voet op de balustrade.
Een weloverwogen stap.
Een recht op leven ingeleverd.






Vandaag precies twee jaar geleden schreef ik deze tekst vanuit een opwelling. Een schrijfimpuls voortkomende uit een song die ik destijds vaak luisterde. U mag raden welke song. En nee, het is niet ‘Love is all’.

VVM – Weense Wijven (2)

Het eerdere verhaal – Weense Wijven (1) – over geharste bovenlippen, foute ouwewijvenkwalen, professioneel koffienippen en wulps gevulde olijvenschalen was slechts de eerste dag van het bezoek van mijn doorgewinterde damesclub aan Wenen. Het schrijven van een vervolg erop (de eerste avond) liet even op zich wachten. Geheel zoals het een dame op leeftijd betaamt.

De avond valt en de dames maken zich op voor een weldadige zitting bij de zogenaamde ‘Heuriger‘, een lokale wijnboer met een ‘Gastgarten‘ (ook zuiptuin genoemd), alwaar de gastheer zijn cliënten, omringd door wijngaarden en dito ranken, van zelfgestampte wijn en echte Heuriger-lekkernijen laat genieten.

Dat opmaken duurt helaas een halve eeuwigheid bij één van de toplevel-dames, waardoor we de bus missen. Geen ramp, een taxi is snel besteld. Die komt tien minuten later voorrijden: een invalidenbusje van Taxi Glück. Dat kan geen toeval zijn.

Chauffeur Hannes Hainzl stelt zich hoffelijk voor. De handkusjes worden professioneel omzeild. We hoeven niet bang te zijn: hij zal ons wundervolle dames precies daarheen brengen, waar we altijd al hadden willen zijn (en ik vraag me direct af waar dat ook alweer was).

Vanaf dat moment gaat het mis. Beate blijft met haar enkelrok aan de ingebouwde rolstoelhelling hangen. Marja stoot haar hoofd tegen het taxi-dak en Cinie brult luidkeels dat ze echt maar dan ook écht eerst nog even naar de WC moet. Daar heeft meneer Hainzl van Glück geen tijd voor, dus wordt de blaas van Cinie op de hobbelkeien van het steile landweggetje vakkundig leeg geschud. Cinie im Unglück.

Boven op de wijnbult stappen we gebroken (en Cinie doorweekt) uit. De wijngaarden zijn prachtig, de vergezichten over Wenen en de omringende groene bergen onbetaalbaar, de lekkernijen daarentegen op zijn zachtst gezegd godsgruwelijk smerig. Varkenstongzult, Speckknödel en Beuschl (orgaanvleesgoulash) gapen ons vanuit de zelfbedieningsvitrine aan. Marja, met haar paleo-veganistische lifestyle, begint spontaan te huilen. Ook de overrijpe bergkaas met ammoniakgeur (Cinie valt in ieder geval qua stank niet meer op) en de bijbehorende kummelzoutkoekjes zijn duidelijk niet haar ding. Het onze ook niet.

De wijn die we geserveerd krijgen, wordt door de wijnboer zelf afgeraden, maar het enige aangeboden alternatief – een bochtige variatie van iets dat op Chardonnay moet lijken – is volgens hem helemáál niet te drinken. Een eerlijk man, dat moet je hem nageven.

Herma kan bij aanblik van de zult haar kokhalsneigingen nauwelijks onderdrukken. We besluiten daarom samen het damestoilet op te zoeken. De blaas van Cinie volgt ons gedwee. Damestoiletten zijn overigens moeilijk te vinden in Wenen. Niet omdat ze er niet zijn maar omdat een duidelijk pixelgram van een vrouws- of manspersoon op de deur over het algemeen ontbreekt. Dit zorgde ervoor dat ik na aankomst in Wenen al redelijk snel overtuigd raakte van het feit dat iedere als zodanig herkenbare wc in de miljoenenstad per definitie voor vrouwen is. Mannen moeten maar in de druivenstruiken of achter de Stephansdom plassen. pissoir

Eerder die dag had ik me al ongewild en ongewenst op een mannentoilet verlicht omdat de m/v-indicatie op de deur weer eens ver te zoeken was. Het sneaky pissoir (dat ik bij binnenkomst volledig over het hoofd gezien had maar dat – toen ik eenmaal zat – pontificaal voor mijn neus opdoemde) vertelde me echter meer dan duidelijk dat ik op dat moment hartstikke fout zat. Maar dat terzijde.

Ook de deur van het wijnboerse mannentoilet blijkt te voldoen aan de Weense standaards: volledig vrij van enig toiletmennekesplaatje. Ik ruk met grote aandrang de deur open maar dan valt me nog net op tijd de ingang van het vrouwentoilet op. Die wordt gesierd door een naakte Barbie met plateauzolen. Geen twijfel mogelijk. Dit keer zit ik 100% zeker goed!

Enigszins gedesillusioneerd over de Weense Wijnwereld bestellen we na anderhalf uur diep zuchten van ellende onze invalidenbus op locatie. Dit keer brengt meneer Glück ons persoonlijk terug naar het hotel om en passant vijfentwintig euro extra bij de rekening op te tellen. Blijkt dat we nu ineens een stadsgrens overschreden (of beter gezegd: overreden) hebben. Op de heenweg was dat nog niet het geval dus heeft er in de tussentijd érgens in Vienna enig grensverleggend werk plaats gevonden. Of chauffeur Hainzl was een ons goedgezind taxi-groentje dat zijn stadsgrenzen nog niet kent.

Eenmaal terug op de hotelkamer worden de vijf meegebrachte flessen Sauvignon Blanc in minder dan twintig minuten soldaat gemaakt. We hadden het blijkbaar hard nodig.

 

______________________________
Ook verschenen op VerbodenVoorMannen.net

Ik, gelukszoeker

Het is nu iets meer dan een jaar geleden dat ik – nou ja, laten we het maar zo noemen – vluchtte. Ik had het in de jaren ervoor niet echt slecht, hoor. Helemaal niet. Ik had een mooi huis, mijn vaste taken, de nodige spullen, zelfs de onnodige luxe, en geen gebrek aan geld. Maar ik was niet gelukkig. Dat werd uiteindelijk zelfs ‘zeer ongelukkig’. Ik voelde me opgesloten, gejaagd, ondergewaardeerd, kreeg hartkloppingen, angsten en andere lichamelijke symptomen. Ik maakte me zorgen over mijn toekomst en over wat er van mijn verdere leven moest worden. Ik creëerde mijn eigen virtuele wereld waarin ik af en toe weg kon vluchten, maar dat was geen houdbare situatie.

Dus ging ik op zoek. Op zoek naar geluk. En ik vond het, op behoorlijke afstand van waar ik toen leefde. Maar dat gevonden geluk maakte mijn leven op mijn oude woonplek nog onmogelijker dan voorheen. Ik kón daar niet meer zijn, voelde me als een vreemde in mijn eigen huis, soms zelfs bedreigd, zag geen uitweg en al helemaal geen mogelijkheden om dat verre geluk ook daadwerkelijk na te jagen en ooit vast te kunnen houden. Dus ik vluchtte. Ja, halsoverkop en redelijk ondoordacht. Alleen het hoogstnodige nam ik mee: wat kleren, mijn mobiele telefoon, een paar kleine persoonlijke bezittingen, mijn bankpas en mijn paspoort.

Maar waar moest ik zo snel heen? Waar kón ik heen? Zomaar weggaan en alles achter je laten, zoiets dóe je simpelweg niet. In ieder geval niet in de cultuur die heerst, waar ik nu ben. Je wordt al snel gezien als een paria, een rare, een andersdenkende. Ik vond asiel bij een lokale boer. Hij vroeg weliswaar een meer dan aanzienlijk bedrag voor het onderkomen op zijn erf, maar het was oké; het moest maar zo. Ik had ineens helemaal niets meer; alles daarginds achtergelaten, zelfs mijn kinderen in eerste instantie. Ik wilde zó graag dat ze bij mij zouden kunnen komen, maar ik kon ze niets bieden, zelfs geen fatsoenlijk bed of warm eten. Dus ik regelde ik het allemaal zo goed en zo snel als ik kon. Zelf. Het kostte een duit en een paar blauwe duimen (aan mijn twee linkerhanden), maar na een goede maand heb ik mijn kinderen na kunnen laten komen.

Ze kijken me nog steeds met een scheef oog aan. Ik ben ‘die buitenlander’ die haar gezin in de steek liet om haar geluk elders te beproeven. Die andersgelovige en andersdenkende dissident. Ik word geduld, maar meer ook niet. Ze praten liever niet met mij, vinden me éigenlijk zelfs een beetje eng. Ze vragen zich af wat ik in vredesnaam de hele dag doe als ik hier in mijn opvangcentrumpje ben. Willen stiekem ook heel graag weten wat ik de rest van al die dagen doe, als ik er níet ben. Heel af en toe doen ze een poging om informatie uit mij te porren. Hoe ik me die auto kan veroorloven. Of die smartphone. Wat ik dan doe om aan het nodige geld te komen. En of en vooral waar ik belasting betaal. Het liefst zouden ze tot in de puntjes noteren, welke uitkeringen en subsidies ik – die geluk zoekende vreemdeling – allemaal krijg.

Ik probeer het ze steeds weer geduldig uit te leggen. Ik heb de taal in rap tempo meer dan goed geleerd, ik heb mijn uiterste best gedaan om fatsoenlijk te integreren. En dat is ook gelukt: ik ken al veel mensen, heb een eigen netwerkje. Ik heb mijn eigen ‘zaakjes’ opgebouwd, waarmee ik de eindjes aan elkaar knoop, samen met wat ondersteuning van lieve familie. Ik ben hoog opgeleid, wat men nauwelijks kan of wil geloven, want: “wat heeft een immigrant met twee universitaire diploma’s hier bij ons überhaupt te zoeken wat ie niet ‘thuis’ kan vinden?” En nee, ik krijg geen uitkering of ondersteuning van de staat. Van geen enkele staat. Echt niet. Ze vinden het allemaal maar verdacht. Dat voel ik aan mijn allochtone water. Want een autochtoon zoals zij zal ik híer immers nooit worden.

Ik blijf ze dankbaar. Blij dat ik hier mag zijn. Ik heb nu op dit erf rust gevonden, een onderdak en mijn kinderen voelen zich hier inmiddels ook best thuis. De mensen zijn aardig, ik word enigszins getolereerd en ik zie weer mogelijkheden om een gelukkiger bestaan op te bouwen. Maar toch… toch wil ik ooit terug naar mijn vaderland.

Je eigen geluk zoeken én vinden blijft hard werken. Levenslang.