Ik, gelukszoeker

Het is nu iets meer dan een jaar geleden dat ik – nou ja, laten we het maar zo noemen – vluchtte. Ik had het in de jaren ervoor niet echt slecht, hoor. Helemaal niet. Ik had een mooi huis, mijn vaste taken, de nodige spullen, zelfs de onnodige luxe, en geen gebrek aan geld. Maar ik was niet gelukkig. Dat werd uiteindelijk zelfs ‘zeer ongelukkig’. Ik voelde me opgesloten, gejaagd, ondergewaardeerd, kreeg hartkloppingen, angsten en andere lichamelijke symptomen. Ik maakte me zorgen over mijn toekomst en over wat er van mijn verdere leven moest worden. Ik creëerde mijn eigen virtuele wereld waarin ik af en toe weg kon vluchten, maar dat was geen houdbare situatie.

Dus ging ik op zoek. Op zoek naar geluk. En ik vond het, op behoorlijke afstand van waar ik toen leefde. Maar dat gevonden geluk maakte mijn leven op mijn oude woonplek nog onmogelijker dan voorheen. Ik kón daar niet meer zijn, voelde me als een vreemde in mijn eigen huis, soms zelfs bedreigd, zag geen uitweg en al helemaal geen mogelijkheden om dat verre geluk ook daadwerkelijk na te jagen en ooit vast te kunnen houden. Dus ik vluchtte. Ja, halsoverkop en redelijk ondoordacht. Alleen het hoogstnodige nam ik mee: wat kleren, mijn mobiele telefoon, een paar kleine persoonlijke bezittingen, mijn bankpas en mijn paspoort.

Maar waar moest ik zo snel heen? Waar kón ik heen? Zomaar weggaan en alles achter je laten, zoiets dóe je simpelweg niet. In ieder geval niet in de cultuur die heerst, waar ik nu ben. Je wordt al snel gezien als een paria, een rare, een andersdenkende. Ik vond asiel bij een lokale boer. Hij vroeg weliswaar een meer dan aanzienlijk bedrag voor het onderkomen op zijn erf, maar het was oké; het moest maar zo. Ik had ineens helemaal niets meer; alles daarginds achtergelaten, zelfs mijn kinderen in eerste instantie. Ik wilde zó graag dat ze bij mij zouden kunnen komen, maar ik kon ze niets bieden, zelfs geen fatsoenlijk bed of warm eten. Dus ik regelde ik het allemaal zo goed en zo snel als ik kon. Zelf. Het kostte een duit en een paar blauwe duimen (aan mijn twee linkerhanden), maar na een goede maand heb ik mijn kinderen na kunnen laten komen.

Ze kijken me nog steeds met een scheef oog aan. Ik ben ‘die buitenlander’ die haar gezin in de steek liet om haar geluk elders te beproeven. Die andersgelovige en andersdenkende dissident. Ik word geduld, maar meer ook niet. Ze praten liever niet met mij, vinden me éigenlijk zelfs een beetje eng. Ze vragen zich af wat ik in vredesnaam de hele dag doe als ik hier in mijn opvangcentrumpje ben. Willen stiekem ook heel graag weten wat ik de rest van al die dagen doe, als ik er níet ben. Heel af en toe doen ze een poging om informatie uit mij te porren. Hoe ik me die auto kan veroorloven. Of die smartphone. Wat ik dan doe om aan het nodige geld te komen. En of en vooral waar ik belasting betaal. Het liefst zouden ze tot in de puntjes noteren, welke uitkeringen en subsidies ik – die geluk zoekende vreemdeling – allemaal krijg.

Ik probeer het ze steeds weer geduldig uit te leggen. Ik heb de taal in rap tempo meer dan goed geleerd, ik heb mijn uiterste best gedaan om fatsoenlijk te integreren. En dat is ook gelukt: ik ken al veel mensen, heb een eigen netwerkje. Ik heb mijn eigen ‘zaakjes’ opgebouwd, waarmee ik de eindjes aan elkaar knoop, samen met wat ondersteuning van lieve familie. Ik ben hoog opgeleid, wat men nauwelijks kan of wil geloven, want: “wat heeft een immigrant met twee universitaire diploma’s hier bij ons überhaupt te zoeken wat ie niet ‘thuis’ kan vinden?” En nee, ik krijg geen uitkering of ondersteuning van de staat. Van geen enkele staat. Echt niet. Ze vinden het allemaal maar verdacht. Dat voel ik aan mijn allochtone water. Want een autochtoon zoals zij zal ik híer immers nooit worden.

Ik blijf ze dankbaar. Blij dat ik hier mag zijn. Ik heb nu op dit erf rust gevonden, een onderdak en mijn kinderen voelen zich hier inmiddels ook best thuis. De mensen zijn aardig, ik word enigszins getolereerd en ik zie weer mogelijkheden om een gelukkiger bestaan op te bouwen. Maar toch… toch wil ik ooit terug naar mijn vaderland.

Je eigen geluk zoeken én vinden blijft hard werken. Levenslang.

5 reacties op “Ik, gelukszoeker

  1. Marja schreef:

    geluk gaan zoeken is heel verstandig als je ongelukkig bent👍

    Liked by 1 persoon

  2. kliefje schreef:

    De juiste, de enige beslissing. Je wordt 82 jaar (gemiddelde vrouw uit NL) en dan is het wél leuk als je kunt zijn wie je bent en happy bent. Ook al stoot je soms tegen wat zere benen. Jammer dan. Je bent de enige die jezelf gelukkig kunt maken.
    Houd stand lieve L! Je doet het top.

    Liked by 1 persoon

  3. En zo vind je jezelf uiteindelijk weer terug, hard werken inderdaad
    maar het is het zo waard…ik vind je dapper en lees je bovendien graag!

    Liefs voor jou!

    Liked by 1 persoon

Ja, zeg 't maar... (graag zelfs)

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s