Goede meenemens

Elk jaareinde steekt het gezever weer de kop op: “En? Nog goede voornemens?” Groundhog day in de vorm van een immer op identieke wijze wederkerende nieuwjaarsplanning.

De bijdehante troela antwoordt meteen: “Ja, natuurlijk! Ik neem me voor om me dit jaar helemaal niks voor te nemen! Gaat me lukken! Oh nee, toch niet.” De twijfelaar meent er toch nog even over na te moeten denken, het optimistische type zegt: “JA! Dit jaar ga ik [vul zelf in]!” Dat kan zijn: een paar kilo aankomen, de vuilnis binnen zetten, beginnen met roken, een kind baren, wat minder sporten, lekkerder eten, het wegkwijnende bonsaiboompje snoeien, whatever. En de pessimist bromt: “Natuurlijk niet. Alles wat een mens zich voorneemt, is uiterlijk na twee en een halve week alweer vergeten. Goede voornemens zijn voor losers die al lang weten dat ze de dingen, die ze eigenlijk altíjd zouden moeten doen, sowieso niet doen gedurende de rest van het jaar. Dan maar één keer per jaar – het liefst aan ’t begin – expliciet benoemen, dan heb je dat ook weer gehad. Forget it.”

Eigenlijk is de laatste helemaal geen pessimist maar een realist. Want geef toe: zo werkt het toch? Je weet eind augustus immers net zo goed wat je allemaal zou moeten doen en laten. Daar heb je geen nieuw jaarbegin voor nodig. Maar elke laatste week van het jaar wordt de mens tóch weer mediaal doodgegooid met artikelen over wát er allemaal zou moeten, hóe dat dan moet en hoe dat eventueel langer dan die paar weken vol te houden is. De top drie van nutteloze voornemens is voorgeprogrammeerd.

Met stip op één: “De smartphone het raam uit sodemieteren”. Unpluggen. Afkicken. Want: je smartphone schijnt jou te ‘maken’, te vormen en te kneden tot dat wat je nooit wilde zijn: een schermstarende, grootogige, slape- en libidoloze zombie. Laat ik dat nou zonder mijn (twee…) smartphone(s) ook al zijn. I’m a lost case. Ik ga voor de casting van de Walking Dead. Next!

Nummer twee: “Meer en regelmatig sporten”. Awel, ‘meer’ sporten is niet moeilijk, ik doe momenteel sowieso praktisch niks dus als ik íets doe, is dat meer. Ik ben nu eenmaal geen sportmens: Ik doe enkel verwoede pogingen tot. Elke maand opnieuw. Omdat het moet. Behalve skiën en tennissen: dat vind ik wel leuk. Maar de regelmaat in de uitvoering van deze twee activiteiten is eveneens ver te zoeken. De rest van mijn beweging bestaat uit huishoudelijk werk, toetsenbordtoetsen indrukken, naar het koffiezetapparaat lopen (en weer terug), naar de auto lopen (en weer terug, soms zelfs met zware boodschappenkratten), gaspedaal c.q. rem intrappen, ver na middernacht naar mijn bed wankelen (en ’s ochtends helaas weer terug), en friemelen met mijn vingers. Daar ben ik echt goed in. Ik heb gelezen dat dat heel gezond kan zijn, dus laat mij rustig friemelen alstublieft.

Nummertje drie: “Gezonder eten, minder alcohol en véél meer water drinken”. Tja. Gezond eten doe ik eigenlijk al, maar bij mij wordt alles wat ik in mijn mond stop per definitie omgezet in een grotere buik-benen-billenomvang, of dat nou een komkommer is of een patatje kapsalon. Mijn lichaam zal in barre, voedselarme tijden (die op de één of andere manier nooit komen) nog jarenlang op de overvloedige reserves kunnen teren. Maar dat ‘meer water’ moet ik voor elkaar kunnen krijgen. Koffie is tenslotte ook water met een smaakje, toch?

En dan zijn er nog de geijkte dingen als “meer slapen en ontspannen” (ik doe mijn uiterste best om meer dan 5 uur slaap per nacht te krijgen maar het blijft een lastig dingetje), en “positiever in het leven staan” (gezeik. Ik vind mezelf positief zat voor deze verrotte wereld. Basta).

Ik vermoed dat ik dus tot de verdoemde groep pessirealisten behoor. Want: als ik me niks voorgenomen heb, is alles wat  me gedurende het komende jaar wél lukt, mooi meegenomen.

Ik doe enkel nog aan goede meenemens.

 

Navelprutputten en dwangdoorgangen

Woorden als deze ploppen te pas en te onpas in mijn hoofd omhoog als ik ’s nachts niet slapen kan. Ik mompel ze dan in mijn memo-recorder en de volgende ochtend moet ik gruwelijk mijn best doen om te ontcijferen wat ik ’s nachts in vredesnaam allemaal uitgekraamd heb.

Maar waarom borrelen juist deze non-woorden in mij op? En waarom in het holst van de nacht? Is er een diepere betekenis? En wat moet een mens met een navelprutput? Alle nog te oogsten navelpluis erin dumpen en wachten op de echo als het spulletje neerstort? En dan het werkelijk verontrustende: de spellingscontrole ziet navelprutput als een bestaand woord. Dwangdoorgangen kunnen daarentegen goedkeuring van de autocorrectie niet wegdragen. Blijkbaar toch fantasieloos, die spellingscontrole. Mijn hoofd absoluut niet:

——

… onderin de navelprutput is een dwangdoorgang. Eenmaal op de bodem van de put neergedwarreld ziet het – gemakshalve gepersonifieerde – navelpluisje een kleine opening. Een navelprutputbreuk? Waarschijnlijk de enige uitgang, wil het pluisje ooit het daglicht nog weer zien. De dwang om de doorgang te verkennen is enorm. Maar er komt geen licht doorheen, dat belooft niet veel goeds over wat er aan de andere zijde van de opening ligt. Dan ontdekt het navelpluisje de oorzaak van de afwezige rode buiklichtgloed. Een tot een dik hard balletje opgerold snotje heeft al eerder dezelfde poging gewaagd om de doorgang te bedwingen en zit nu hartstikke klem. 

Op de bodem van de navelprutput kijkt een wanhopig navelpluisje in de afwezige lodderogen van een in de dwangdoorgang klem geraakt snotballetje. Ze beginnen om ‘t hardst te huilen. Het snotballetje wordt week en floept door de opening terwijl het pluisje – drijvend op het snotpluishuilwateroppervlak – nu alle moeite moet doen om nog kopje-onder te gaan, om zo bij de navelprutputbreukdwangdoorgang te geraken. Zinloos. Voorgoed buiten pluisbereik…

Uit plots hervonden navelprutsolidariteit grijpkleeft het snotje zichzelf uit alle macht vast aan de rand van de ingang van de dwangdoorgang en snottert vol overgave door. Het huilwaterpeil stijgt. Het navelpluisje bereikt al opdrijvende de rand van de put en laat zich over de ronde welving naar beneden glijden, alwaar een venusheuveloerwoud van zwarte kroesharen het opvangt. De schaamluizen verwelkomen het navelpluisje met open luizenpoten. Je hoort ze denken: “Vetmesten, dat wanhopige navelprutpluisje. Onze stofluisfamilie onder het bed zal ons straks dankbaar zijn voor dit bijzondere fraaie feestmaal.”

——

Enfin. Snotpluishuilwateroppervlak schijnt óók een goed Nederlands woord te zijn.
Even mijn neus snuiten.

 

De onsterfelijkheid online

Bijna middernacht. Ik wil mijn computer afsluiten en nog even welterusten wensen op Facebook en Twitter. Een rare kronkel in mijn hoofd, want waarom doe ik dat eigenlijk? De meeste mensen die ik op deze manier goedenacht wens, ken ik ‘in het echt’ niet eens. Draagt het überhaupt iets bij aan de goedheid van de nacht van al die anderen op social media? Of toch enkel maar aan mijn eigen goede gevoel?

Plop. Een groot blok met dikke donkerblauwe omranding verschijnt midden op mijn beeldscherm; een notificatie van een app die ik voornamelijk heb om die gruwelijke FB-site aan te kunnen passen aan mijn wensen. Ik kan bepalen wat er verschijnt (timeline, feeds, filters), hoe het verschijnt (lettertypes, kleuren), waar het verschijnt (zijbalken etc.). Vind ik fijn. Ook al zo’n persoonlijke kronkel: waarom pas ik iets banaals en onbelangrijks als FB aan aan mijn visuele behoeften? Maar: de app deelt je ook op de meest idiote momenten mede wie er niet meer met je bevriend wil zijn. Aan de ene kant wel handig (soort van nieuwsgierigheidsbevrediging), aan de andere kant soms ronduit shocking. Dit was zo’n mededeling.

Deze ‘ontvriending’ kwam echter van een lieve vriendin, die al anderhalf jaar niet meer op deze wereld is. Dat raakte me onverwacht diep. Ik dacht ineens terug aan haar. Nu denk ik wel vaker zonder aanleiding aan mensen die ik al lang niet meer gezien of gelezen heb. Dan kijk ik out of the blue even op hun profiel, scroll er doorheen, like wat, zeg wat, en dan weet ik weer dat alles oké is. Ik denk ook met enige regelmaat aan degenen die er niet meer zijn, maar een directe aanleiding daartoe – zoals deze notificatie was – is er zelden. Het leverde een nieuw soort gevoel van herhaald afscheid nemen op. En ik snapte het niet, waarom was ze nú plots ook hier weg? Ik keek een laatste keer op haar profiel. Het was echt zo. “(+) Vriend toevoegen” stond er, maar dat vond ik not done. Taggen was niet ook meer mogelijk in de nachtelijke posting die ik daarop vanuit mijn hart schreef:

Het heeft iets onwerkelijks om kort voor middernacht ontvriend te worden door een vriendin, die anderhalf jaar geleden overleden is. Eind juni vorig jaar ging ze heen. Ik leefde mee in haar gevecht tegen kanker. Wat heb ik gehuild. Om haar, om haar zoontje, om haar dappere man, om het volledige wegblijven van enig antwoord op het ‘waarom’. De ondoorgrondelijke oneerlijkheid. Een verloren strijd. Ik volgde haar bruiloft, nog kort voor haar overlijden. We deelden, we schreven, we schreeuwden. We jankten.
       Ik weet niet wie haar account nu beheert, en het geeft ook niet dat diegene mij nu plots verwijderd heeft. Het is goed zo. Ik snap helemaal dat dingen afgesloten moeten worden. En dat andere dingen doorgaan. Ik zag mijn voortbestaande FB-vriendschap met haar als een soort van tribute, een herinnering die online doorleefde. Maar ze is er niet meer. Het is zoals het is. Ik zal me haar altijd herinneren als de dappere, lieve, moedige, immer levenslustige B., die zelf koos, zelfs het tijdstip van haar dood. Ik mag nu dan niet meer in haar kringen zijn, maar ze is en blijft in de mijne. Dag lieve B. In mijn hart is ruimte genoeg om altijd te blijven wonen, ook al is de gedenkwaardige FB-woning nu evident te klein geworden. Ik pink mijn tranen weg en denk even weer aan jou. Zoals ik wel regelmatig doe. Aan jou, mijn voorbeeld van een eeuwig dappere, sterke vrouw. Kus. Dag…

…en ik pinkte die tranen weg. Dacht terug aan haar, maar ook aan de mensen waar ik toen, in haar laatste dagen, veel mee sprak maar die nu jammer genoeg bijna allemaal weer uit mijn leven verdwenen zijn. Peinsde over hoe lang ik eigenlijk al niet meer aan haar gedacht had en dat het ergens best fijn was, om nu weer actief herinnerd te worden.

Maar wat bleek: de app is echt niet betrouwbaar. Althans, misschien ook wel, want de profielpagina was nu omgezet naar een In-Memoriam-pagina. Dat kan blijkbaar bij overledenen en dat registreerde de app, vermoed ik. Weer zo’n kronkel in mijn digitale wereld.

Mensen blijven online vaak sterker aanwezig dan ze in je echte leven ooit waren. Hun profielen blijven bestaan, hun accounts lopen – weliswaar vanzelfsprekend zonder updates – gewoon door alsof er niets gebeurd is. Ze blijven jarig, jaar in jaar uit. Henk Krol heeft dat ook al meerdere malen mogen ondervinden.

Online ben je dus nooit écht dood, je leeft digitaal verder. Je blijft bevriend met degenen die toen al bij je waren, blijft glimlachen en toekijken vanaf je profielfoto. Als niemand de toegang tot of het beheer over het account van de overledene heeft, niemand met een overlijdensbericht in de hand een aanvraag tot deactivatie indient, blijf je tot het einde der (FB-)tijden doorgaan met bestaan.

Deze ‘ontvriending’ (die er geen was) voelde als een fotoalbum dat zonder enige aanleiding uit de boekenkast donderde. Je schrikt even, pakt het verbaasd op, bladert er doorheen. En je herinnert je degenen die je dierbaar waren. In het echte leven kan me zoiets niet meer gebeuren: al mijn oldskool fotoalbums staan nog in een kast in een huis uit – hoe cru – een vorig leven. Daarom ben ik nu maar gewoon dankbaar dat er bij mij zo nu en dan, soms ongewild, altijd onverwacht, een digitaal album uit de FB-kast flikkert. Het houdt de herinnering levend.