Het juiste gaatje

bron: commons.wikimedia – Licence 2.0. Author Carl Bednorz – Adapted (Text)

Dochter begint te puberen. Ze wordt dit jaar 12 en zaken als menstruatie en seks komen steeds vaker aan bod. Zo ook praktisch elke avond voor het slapen gaan. Het hele oeuvre aan baarmoederslijmvlies-, eitjes-, en kinderkrijg-verhalen hebben we inmiddels meermaals doorlopen. Die puberteit gaat in ieder geval hand in hand met een hoop geklets.

“Je moet er wel rekening mee houden dat er binnenkort wat gaat gebeuren, lieffie. Dat je ongesteld gaat worden. Ik weet natuurlijk niet precies wanneer, maar bij mij was het rond mijn twaalfde, en bij je nichtje zelfs eerder, dus het kan best binnenkort gebeuren. Als het zover is, krijg je waarschijnlijk buikpijn en zie je vanzelf wat bloed of bruine prut in je onderbroek verschijnen.”
“Yuckerdeyuck… Maar hoe weet ik dan of ik ongesteld ben of dat ik gewoon drie dagen lang vergeten ben mijn onderbroek te wisselen? Lijkt het een beetje op een vet remspoor?”

Hè bah. Zo heb ik mijn kroost toch niet opgevoed?
“Djiezus, kind. Je moet ELKE DAG een schone onderbroek aan doen, dat weet je toch? Dan zie je vanzelf het verschil. Remsporen zitten meer achterin. Dit zit in het midden. En als het dan zover is, kom je bij mij, dan krijg je een maandverbandje en alles wat verder nog nodig is, oké?”
“Oké dan…” Het klinkt niet overtuigd.
“En nu slapen. Hou van je, skattie.”
“Ik van jou, mammie.”
Licht uit.

“Ma-ham… joehoe, máám, ben je er nog?! Uit welk gat komt het dan ook alweer?” roept ze vanuit de slaapkamer.
Dit hebben we dus óók al tig keer besproken, maar wat menstruatie betreft heerst er iedere keer weer acute amnesie.
“Dat weet je toch? Uit het K-gat. Het middelste gat. Plasgat – Kindergat – poepgat.
Dochter is Duitstalig  en in het Duits klinkt het allemaal nét iets lolliger: ‘Pipiloch – Kinderloch – Arschloch’.
En hoppa, ze komt niet meer bij. Het is zo makkelijk…
“Hahaha, Arschloch!! Daar kun je toch geen kinderen uitpersen?”
“Nou, gezien jouw drollen zal het best mogelijk zijn.”
Dochter heeft het niet meer. Voor de zoveelste keer.

bron: pixabay

“Als mannen kinderen zouden krijgen, zouden ze de baby door hun piemelgat eruit moeten persen,” vervolgt ze bloedserieus, nog nahikkend in haar hoogslaper.
“Daarom krijgen mannen geen kinderen. Niemand wil een ballonpiemel.”

“Als ik goed tel, heb ik wel 8 gaten! En uit maar eentje kan dat hele kindergedoe komen! Best wel onhandig.”
“Je ogen zijn ook gaten hè.”
“Welja, dan huil ik straks kinderen!”
Hopsakee, weer drie minuten niet aanspreekbaar wegens lachtranen.
“Nu slapen! Zo lang je nog niet ongesteld bent, ben je nog mijn kleine tuddeke. En tuddeke’s moeten om 9 uur hun nest in. Toevallig.”

Ik ben blij dat we er nog een lolletje van kunnen maken.
De ware ernst van de zaak ‘vrouw worden’ steekt snel genoeg de kop op.


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Hoe jij me weer leerde lopen

Drie jaar is het nu. Zo kort geleden dat het nu al een eeuwigheid lijkt. We knalden onverwacht online op elkaar. In gesprek geraakt over een niet lukkende betaling. Een gesprek dat al snel niet meer te stoppen bleek.
Gevonden.

Drie jaar geleden leerde ik je ‘in het echt’ kennen. We moesten elkaar zien. Ging niet anders. Ik hoopte stiekem dat ik na mijn spontane bezoek aan jou enigszins genezen zou zijn van de gekte. Dat ik in zou zien dat dit niet kon. Dat ik verder moest met het leven dat ik al leefde. Door met de gevolgen van keuzes die ik in het verleden gemaakt had.

Het liep anders.
Ik kwam. Wij zagen. Jij overwon.
Mij. Alles. Alles in mij.
En ik jou. Dat ook.

bron: eigen illustratie (LB)

Het was de herkenning die ’t deed. De herkenning van onszelf in elkaar. Vingerafdrukken die exact op onze hartscanners pasten. Dikke sloten ineens opengebroken.

In het daaropvolgende jaar gebeurde alles wat je maar in een mensjaar kunt proppen. De ene rampzaligheid na de andere. Mijn leven zoals het was, escaleerde. Explodeerde. Draaide 180°. De heftigheid van de gebeurtenissen nam de overhand. Maar de acceptatie was nog ver te zoeken, bij ons, maar ook bij de mensen om ons heen.
We worstelden.

Ik zocht een tijdelijke woning, verhuisde. In mijn uppie. Daar zat ik dan. Met niks.
Geen keuken, geen meubels, geen verwarming, geen bed. Alleen een matras en een deken. En wat haastig in de tas gepropte kleren. Ik liet alles achter. Maar ik had jou. Ik regelde me suf. Leidde als een zwoegende zombie de chaotische toestanden in vage banen. Van aardverschuiving tot verzekering. Van huilbui tot huisraad. Van IKEA-keuken tot kinderkamer voor twee.

Maar ik wist waarvoor. Eindelijk was er iemand die zag, wie ik werkelijk was. Wie ik wílde zijn, ook al kon ik dat zelf nog niet zien.
Jij gaf me de rust in mijn hoofd, het vertrouwen in mijzelf, en de hoop voor ‘straks’.
“Kijk niet naar die chaos van nu. Rol door en probeer je voor te stellen waar je over een half jaar staat. Zes maanden zijn in een oogwenk voorbij en dan is alles anders. Beter.”
Doorsta het nu en kijk alleen naar morgen. Dat is wat je mij zei.

De kinderen gingen wonderbaarlijk goed om met de veranderde situatie. Ook bij hen viel blijkbaar spanning weg. Ze waren blij met jou, omdat jij goed was voor mij. Gelukkig waren ze op diezelfde manier ook blij met de nieuwe partner van hun papa. Hoe jong ook, zelfs zij zagen dat het zo voor iedereen beter was, ook al was het niet langer die geïdealiseerde gezinssituatie. En jij had gelijk: het leven rolde inderdaad op de een of andere onbegrijpelijke manier met een rottempo door.

We keerden steeds naar elkaar terug, hoe onmogelijk dat soms ook was. Verslaafd aan elkaar. Je hielp mij op te staan, stappen te zetten. Je leerde mij opnieuw te lopen, verder te kijken, vol te houden. En in mezelf te geloven. De liefde groeide, ook al leek nóg meer toen al onmogelijk. We brainstormden samen. Ideeën vloeiden, werden besproken, geconcretiseerd.

Ik begon zelfs een tweede bedrijf; mijn eigen tekst- en vertaalbureau. Iets wat ik al heel lang wilde, maar niet om wist te zetten. En wéér steunde jij mij in al mijn verwoede pogingen mijn bestaan weer op de rit te krijgen. Ja, zelfs te doen waar ik voor huiverde. Je gaf me mijn leven terug. Je gaf mij míj terug. Jij maakte me tot wie ik altijd al was, maar nog niet had kunnen zijn.

“You cannot find peace by avoiding life.”
Een quote uit de film ‘The Hours’, die we laatst samen keken. En dat is, wat ik deed. Ik vermeed jarenlang te leven om wanhopig rust te vinden in de status quo. Nu ik wél weer durf te leven, heb ik die rust eindelijk gevonden. Door jou. In jou.

Nu, drie jaar later zijn we nog steeds ‘wij’. In alle openheid. Het mag. Soms – veel te vaak – te ver van elkaar verwijderd, maar toch altijd #samen in onze hoofden. Mijn maat, mijn lief, mijn compagnon, mijn andere kant, mijn partner, mijn mens, mijn. Dat ben jij.

Weet je, misschien zijn we al lang oud in de ogen van de jongeren.
En misschien zijn we nog steeds fout in de ogen van vele goeden.
Nou en. Dan maar lekker fout stokoud met jou worden.
Niks fijners dan dat.

Mijn voetbalkindekes, ik zal ze missen

Negen jaar lang heb ik het gedaan.
Elke maandag. Elk voorjaar, elk najaar.
Wat dan, vraag je je af? Voetbalkindjes trainen bij de lokale dorpssportclub.

bron: eigen foto (LB)

De allerkleinsten. De F-jes. De ‘bambini’s’ onder de voetbaljeugd. De vier- t/m zesjarigen. Maar aan het eind van dit voorjaarsseizoen ga ik afscheid nemen. Met twee kinderen, twee bedrijven in twee buitenlanden en een partner 1000 km verderop (mijn auto is mijn tweede thuis) kan ik de voetbaltrainingen simpelweg niet meer bolwerken. Daarnaast verhuis ik in de herfst ook nog eens naar de big city. Dan zou ik voor de training iedere maandag drie kwartier in de file moeten gaan staan. Voor mij een no go.

Maar ach, ze zijn zo schattig, mijn bambini’s…
Meestal heb ik ’s maandags totáál geen zin. Eigenlijk moet ik dan koken voor ’t hongerige kroost thuis en ben ik daarnaast druk aan het werk. Toch hijs ik me om half vijf alsnog in een clubtrainingspak en scheur naar het voetbalveld.

Maar als ik er dan eenmaal ben en al die koters – gemiddeld 20 tot 22 stuks –  in de zon over het veld zie hobbelen met een junior-bal, dan vind ik het tóch weer hartstikke leuk en loop ik vervolgens een uur lang te grijnzen en mee te rennen, wat op zich voor mij helemaal niet zo slecht is.

bron: eigen foto (LB)

Eerst de warming up. Jumping Jacks blijken elke keer weer ondoenlijk voor die kleintjes. Links en rechts uit elkaar houden is ook een dingetje. Dan doen we een loopspelletje (meestal tikkertje met verlos of iets van dien aard). Daarna volgt de loop- en behendigheidstraining: slalommen. Zonder bal (gaat prima, ze lopen alles overhoop en de stangen worden ook meteen meegenomen) en met bal (gaat voor geen meter: botsingen en chaos voorgeprogrammeerd).

Vervolgens komt ’t hoogtepunt: doeltrappen! Op het grotemensendoel, natuurlijk. Daar staan wij (trainer en helpers) dan in, liefst met ons achterste – het eigenlijke doel – naar de kinderen toegekeerd zodat ze daar zo hard mogelijk tegenaan kunnen trappen. ‘Raak de kont!’ Vinden ze gewéldig. Afsluitend 20 minuten chaosvoetbal. Dat is met minstens 3, liever 4 paaldoelen, waarbij je in elk van die doelen mag scoren, behalve in je eigen doel. Dat laatste blijkt over het geheel genomen uitermate lastig, dus goals in eigen doel tellen ook positief mee. Ieder kind telt gewoon de eigen doelpunten, maakt niet uit waar je ze gemaakt hebt. Zou voor Danny Blind een verademing geweest zijn. Te laat!

bron: eigen foto (LB)

bron: eigen foto (LB)

Vanzelfsprekend zitten er altijd een aantal lastpakken bij. Jochies die sneaky ieder ander op hun pad omver duwen of een stomp geven. Meiskes die om de haverklap naar de wc moeten (en dan moet je natuurlijk mee; alleen durven ze niet) of die gewoon in jurkje en zondagse schoentjes meerennen. Mennekes met glimmende nieuwe voetbalschoenen inclusief glibbergladde veters die continu en ondanks dubbele knoop weer los raken (ik strik dus minstens tien paar schoenen in dat uur). Knullekes die voor geen meter opletten en in alle richtingen staan te turen, behalve in de richting van de bal. Boink = brullen. Het aantal gestelpte bloedneuzen tijdens mijn ‘voetbalcarrière’ is al niet meer te tellen.

Enfin. Het is weer eens maandag. En het is weer bal.
Ik draaf tussen de pak-‘m-beet 20 krioelende kinderen, in een nutteloze poging om van het geharrewar op het veld iets van voetbal van te maken.

Een ieniemini jochie, Tobie heet ie (of Ronaldo, volgens zijn T-shirt), wil per se in één van de doelen staan. Prompt ontvangt het ukkie een bal in zijn onderbuikzone. Ik zie hem ineenkrimpen, ren erheen, aai ‘m over zijn bol en vraag of het erg pijn doet. Dat is de standaard vraag. ‘Gaat het nog?’ moet je vooral níét meteen vragen, want dan brullen ze er stante pede op los om aan te tonen dat het echt helemáál niet meer gaat. ‘Gaat het nog’ komt pas later. Dus:
“Doet ’t pijn, Tobie?”
“Ja-haa! Mega!” en hij pinkt een moeizaam uitgeperste krokodillentraan weg.
“Waar doet het pijn? In de buik?”
“Nee! Hier!” Hij rukt zijn joggingbroekje omlaag, trekt de rand van zijn onderbroek naar voren en wijst naar zijn blootgelegde pielemansje. Aha. Duidelijk. Ja. Goed. Nee. Niet goed.
“Eh, ja, dát kan pijn doen inderdaad. Joh, gaat wel weer over. Topvoetballers gaan ook gewoon door…”
Even blijf ik bij hem staan terwijl ik simultaan zijn doel verdedig. Dan volgt de heikele vraag:
“Gaat het nu weer een beetje, knul?”
“YO!!” En weg is Tobie, mij in het doel achterlatend.

Ze blijven geweldig, die kleine, enthousiaste fanatiekelingen.
Ik zal ze in de herfst stiekem best gaan missen.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Huilhaar

bron: eigen foto (LB)

Voor de LINDA worden blijkbaar vrouwen gezocht die stevig balen van hun haar. Vrouwen die elke ochtend wanhopig een traan wegpinken als ze voor de spiegel staan en naar hun natuurlijke hoofdbedekking staren. Die met geen mogelijkheid ook maar enig fatsoen in hun vlaskapsel weten te brengen. Of die praktisch kaal zijn (waarbij ik dan denk: die balen toch niet van hun haar? Die balen van géén haar!). En die vrouwen zijn ogenschijnlijk nérgens te vinden!

Wel, IK baal! Want ik heb huilhaar. Héél dun, slierterig, altijd in de knoop, eeuwig piekerig. Hoe vaak ik het ook bij laat knippen. En  aalglad is ’t ook: geen land mee te bezeilen. Mijn haar is zo ongeveer het enige aan mij wat iel en dun is, dus het steekt ook nog eens extra af tegen de rest van mij.

Als ik mijn haar ‘in model’ föhn, is het uiterlijk na een half uur weer modelletje verzopen-cavia-in-een-bloempot. Dus föhnen doe ik ook niet meer. Zinloos.
Ik heb een kruin die een kale plek op mijn achterhoofd in volle glorie laat shinen. Ik zie die plek weliswaar niet, maar ik weet dat ie er is.
In elke door mij bereide maaltijd bevinden zich minstens drie tot vijf van mijn hoofdharen, want haaruitval hoort nu eenmaal bij ouderdom. Zeker na het wassen. Maar goed, het is wel schoon, gewassen haar, daar in dat eten. Dat dan wel weer.

bron: eigen foto (LB)

Het enige wat ik doe als ik héél erg van mijn hoofdbegroeiing – en van alles eigenlijk – baal: de boel knalrood verven. Dan voel ik me weer even heel lekker in mijn haar. Tot de uitgroei begint.

Ik ben dan ook – niet eens stiekem – stíkjaloers op al die mooie, golvende, dikke haardossen van mijn medevrouwen. Ik heb al over extensions nagedacht, maar die moet je ook weer ergens aan bevestigen. En aan superdun, uitvallend haar blijven die (peperdure) haarstukken vast niet lang plakken.

Ik leg me er dus maar bij neer. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ik beschik dan weer over een prachtige bos haar op de tong. En op de tanden. Misschien moet ik die maar in model gaan föhnen.

(PS: heb jij ook huilhaar? Meld JIJ je dan maar naar LINDA. Ik ga mijn piekhaarprobleem in ieder geval niet meer dan nodig tentoonspreiden. Deze blog is wel voldoende.)


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl