I talked 2 Cleo!

Cleo is een machtig mooi mens. We volgen elkaar al vanaf de prille Twitterbegintijden. Cleo is ook de Dutch Podcast Queen: ze interviewt de meest diverse (Twitter)mensen en weet altijd hun bijzondere kanten op de voorgrond te plaatsen.

Interviewen is trouwens niet het juiste woord: ze kletst er gewoon op los en trekt haar gesprekspartner en passant mee. Spontaniteit en authenticiteit zijn dé vereisten voor een mooie en interessante conversatie.

Ik heb nu dus ook de eer gehad om ‘gepodcast’ te worden door Cleo. Ze heeft in haar tijd als podcast queen al met meer dan 170 mensen gesproken (ik was nummertje 173), waaronder ook heel veel Engelstaligen en relatief bekende personages. Toen ze mij in de Twitter-DM vroeg, was mijn directe wedervraag dan ook: “Why me?” Het antwoord verraste me (niet):
“Jij bent gek. Daarom!”
Ik beschouw het als een compliment. Het klopt ook. Niks fijners dan gek zijn, vooral online. En ik ben op ’t net niet anders dan in het echt. Trek hier uw conclusies en sluit aan in de rij.

Want: interessant genoeg wijkt de online identiteit, de perceived identity, vaak wel degelijk af van de realiteit in real life. Het ‘mooi-weer’-gedrag viert hoogtij. Onze Marga heeft het daar ook al een paar keer over gehad hier op HVD (hier en hier).

Je ware zelf laten zien, dus ook online zijn zoals je bent, is eng. De angst daarop afgerekend en veroordeeld te worden door wijzende familie en (ont)vriend(d)en is groot. En bij wat verdergaande uitgesproken meningen komen ook nog eens de grote blaat-en-janktanks der social media om de hoek piepen. Maar: in een intiem, persoonlijk gesprek kún je haast niet anders dan praten zoals je bent. Tenzij je goed kunt acteren. En dat kan ik niet.

Het verbaast me steeds weer dat derden je, ondanks dat ze je nog nooit een blik waardig hebben gegund, toch menen te kennen, pretenderen te weten hoe jij bent. En dat, terwijl ze in dezelfde zin – ja, in dezelfde ademtocht – duidelijk stellen dat ze je juist totaal níét kennen, zelfs niet eens wíllen kennen. (“Ik ken je niet, maar ik heb de indruk dat je […vul maar in…] bent” – van die zinnen). Vertel me, hoe kun je die indruk überhaupt krijgen als je nog nooit hebt gekeken naar wat diegene écht zegt of schrijft? Als je beweert absoluut niet geïnteresseerd te zijn in die persoon? Waarom dan wel gelijk een oordeel ad persona?

Daarom was ik blij met het podcast-gesprek van Cleo. Het was ontzettend leuk om ‘gewoon jezelf’ te kunnen zijn in een interview, dat helemaal geen interview is maar een open en eerlijke conversatie. Cleo weet je meteen op je gemak te stellen, is heel spontaan en extravert, vertelt zelf ook veel. Daarmee geeft ze haar gesprekspartner nieuwe mogelijkheden tot in- en aanhaken, tot verder vertellen, tot méér van jezelf laten zien. En zo kwam het gesprek als vanzelf op de liefde, op mijn nieuwe project *Klunst!*, op HoeVrouwenDenken, HoeKinderenDenken, mijn vertaal- en schrijfbedrijfje SoGraTex en mijn firma in München, maar ook op de personificatie van ongekookte aardappelen, moederdagverrassingen, Oostenrijk, drietaligheid, en mijn liefde voor auto’s en autorijden. Ik had nog véél meer te vertellen, maar dan zou het gesprek uren gaan duren en dat wil je je luisteraars niet aandoen.

Enfin. Wilt u niet alleen online lézen hoe ik ben, maar ’t ook eens een keer horen? Voilà:

Mag u daarna oordelen of uw indruk van mij een juiste was.

Dikke zoen voor Cleo!!


ook verschenen op HoeVrouwenDenken

“Ik WIL helemaal niet volwassen worden!”

Dochter (11) zit na schooltijd aan tafel. Ze staart bedremmeld voor zich uit. Het is overduidelijk dat er iets aan de hand is, dus ik vraag het ook maar meteen. Meestal werkt dat voor geen meter. Als ik vraag: “Wat is er, lieffie? Waarom kijk je zo zorgelijk?”, krijg ik steevast het antwoord: “Ach, niks. Laat maar even…” Nu dus ook. Maar in ieder geval weet zij nu dat ik aan haar kan zien dat er wél iets is.

Ik maak een kop koffie en ga bij haar aan de eettafel zitten. Doe mijn koffielepel vol melkschuim en hou die voor haar mond. Normaal gesproken hapt ze gelijk: vindt ze heerlijk. Nu niet.
“Zie! Er is écht wat! Ik wist het wel. Wil je het me echt niet zeggen? Je weet toch dat je mij alles kunt vertellen, hè?”
“Ja, weet ik. Maar ik heb het er gewoon liever even niet over.”

Oké. Dat wordt raden. Want als ik juist raad, kan ze niet ontkennen. Ik ken mijn dochter.
“Heb je op school voor het eerst een jongen gezoend?”
“Neeee zeg! Yuck!”
“Heb je per ongeluk iets kapot gemaakt of iets stoms vergeten?” Dochter lijkt erg op mij, dus deze dingen gebeuren met enige regelmaat.
“Nee, natuurlijk niet.”
Dan schiet me ineens ons gespreksthema van vorige week te binnen. Over ‘vrouw worden’ en zo.
“Zeg, ben je misschien ongesteld geworden?”
“…”

Ik grijns vertederd. Dát is het dus. Zo heb je het er ginnegappend over en zo is het al zo ver. Mijn kleine meiske heeft haar eerste menstruatie te pakken. En dat nog wel tijdens schooltijd, arm kind. Geen kleine meid meer. Niet langer mijn tuddeke. Ik knuffel haar. Er glinstert iets in de ooghoeken. De hare en de mijne.

bron: eigen foto (LB)

“Mijn onderbroek is vie-hie-hies…” Tranen.
“Kom, skattie, gaan we even naar de badkamer.” Ik pak haar hand en ze loopt – enigszins wijdbeens – met me mee.

Op ’t toilet frommelt ze de lappen wc-papier uit haar onderbroek. Goed gedaan meisje; aan oplossend vermogen geen gebrek.
“Ik had gym en ik wilde niet dat iemand het aan mijn legging zou kunnen zien…”
Ik trek de kast open waar het maandverband en de inlegkruisjes liggen. “Híér moet je wezen,” knipoog ik en laat haar zien hoe ’t werkt met de plakstrip. En waar de beste plakplek in de onderbroek is. En dat je je onderbroek vooral niet uit moet rekken tijdens het bevestigen, anders heb je een harmonica-ribbelverbandje tussen je benen en da’s niet fijn. En meer van dat soort praktische zaken.

bron: pixabay

“Nooit in de wc gooien hè! Altijd in de prullenbak. Anders heb ik straks een andere overstroming hier.”
“Jahaa… Ik ben niet gek. En hoe werkt dat dan met die trappers?” Ze wijst naar het pakje in de kast.
“Tampons, lieverd, tampons. Dat zijn een soort van dikke wattenstaafjes met een draadje eraan. Die duw je in je vagina. Als ie vol is, trek je hem er aan ’t draadje weer uit.”
“Ieuw. Die dingen hoef ik niet.”
“Nee, nu zeker nog niet. Dat komt later wel een keer. Ze zijn wel handig bij ’t sporten en zwemmen en zo. Maar voor nu is een maandverbandje prima.”
“Ik vind het niks, zo’n mini-luier in m’n broek. Maar het is beter dan toiletpapier.”
Stiekem denk ik: Joh, dit is niks. Straks, als je 45 bent, twee kinderen hebt gehad en met jodelende bekkenbodemspieren moet dealen, loop je tijdens het sporten regelmatig met incontinentie-verband in je broek. Dát zijn pas luiers…

Terug aan tafel zit ze bij mij op schoot te sippen.
“Lieverd, het is écht niks om je voor te schamen, hoor! Het is zelfs de normaalste zaak van de wereld. Ieder meisje wordt ongesteld als ze in de puberteit komt en volwassen wordt.”
“Ik WIL helemaal niet volwassen worden! Ik wil gewoon kind blijven.”
“Wel, je hebt nu weer een luier in je broek, dus dat zit vast wel goed met dat kind blijven.”
Ze grinnikt en slaat haar armen om mijn nek. Ik ben blij dat ze er nog een beetje om kan lachen.
“Weet je, dat gaat allemaal vanzelf, dat heb je niet in de hand. Het is in ieder geval heel geruststellend dat bij jou alles gewoon ‘in orde’ is. Stel je voor dat je helemáál niet ongesteld wordt, dan kun je heel waarschijnlijk ook nooit kinderen krijgen… Je bent vanaf nu vruchtbaar, dat weet je, hè?”
“Alsof ik ooit van mijn leven seks ga hebben. Mooi niet. Getver.”

En natuurlijk volgt daarop weer een giebelgesprek over jongens en seks, over zaadjes en eitjes. Het zoveelste gesprek, maar dat is juist goed. Ze moet weten waar ze aan toe is. Maar waar het mij vooral om gaat, is dat ze weet dat ze altijd naar me toe kan komen als ze vragen heeft, zich zorgen maakt of wil praten over voorbehoedsmiddelen. Anytime, anyplace, anywhere. Want ook al is ze nog maar 11 (en een half), ik wil dat ze weet dat ik echt niets gek vind.

Ze weet het. En tóch is er nog een restje onnodige schaamte.
“Ehm, mam, wil jij het alsjeblieft voor mij aan papa vertellen?”


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

“Mama, waarom was je er niet?”

bron: eigen foto (LB)

Gisteren was een gitzwarte dag in mijn moederschapscarrière. Over het algemeen doe ik het best oké als moeder, geloof ik. Maar deze vrijdag was ik bij uitstek de slechtste moeder van het noordelijk halfrond.

Een week of twee geleden moest ik weer eens een of ander briefje ondertekenen. Een voorstelling van dochter (11), samen met het theaterclubje van haar school, voor alle klassen en natuurlijk alle ouders; of en zo ja, met hoeveel personen ik de voorstelling bij zou wonen. Het was wel een dag waarop de kinderen niet bij mij zouden zijn (dus ‘vrij’ om uit te slapen, te werken en te klunzen), maar ik zou natúúrlijk gaan kijken, wat dacht je! Mijn dochter op de planken. Altijd leuk.
Ik zette mijn krabbel eronder en plantte datum en tijd in mijn online agenda. Klaar. Van later zorg.

Je raadt het: die vermaledijde vrijdag dacht ik helemaal nergens meer aan. Ik zag de notificatie van de google-agenda ook niet (was die er wel geweest?).

Om zes uur ’s avonds ging de telefoon: mijn dochter (zei ’t beeldscherm).
“Hai meiske! Wat lief dat je belt! Hoe is het, lieffie?”
Stilte.
“Joehoe! Ben je er nog?”
“Ja.”
Weer stilte. En dan:
“Mama, waarom was je er niet vandaag?”

Ik hoor de tranen in haar stem en val nu zelf stil. Dan herinner ik me wat er vandaag was. Grote K met een flinke ‘u’ en een lange ‘teeee’. Ik slik. Hoe kón ik dit vergeten… Ze is er zo lang mee bezig geweest met haar theaterclub. Kleren uitgezocht. Dagen van tevoren al zenuwen. Twee keer achter elkaar optreden. En dan ben ik er niet.
Ik kan wel door de grond zakken.

“Oh… meisje toch… ik ben het compleet vergeten. Hoe kan dit… Het spijt me zo ontzettend gigantisch…”
“Nou ja,” hakkelt ze, “geeft niet…”
“Jawel, geeft wel! Ik voel me nu echt zo, zó enorm stom… Ik bén stom! Ik had dit niet mogen vergeten. Ik heb er echt totaal niet meer aan gedacht, terwijl ik wist hoe belangrijk dit voor jou was. Het spijt me zo erg…”

“Ik heb je overal gezocht, mam,” murmelt ze schor.
Ik hoor haar de tranen wegslikken. Ik doe hetzelfde. En weet niet meer wat te zeggen.

“Ik voel me nu echt zo’n gigantisch slechte moeder…”
Ai. Dat roetsjte eruit. Dat moet ik nu juist niet zeggen, want ik weet dat ze dat gaat tegenspreken. En dat doet ze ook, lief als ze is.
“Nee, nee, dat ben je niet. Je bent geen slechte moeder. Iedereen vergeet wel eens iets. En ik ben een nog veel grotere chaoot dan jij, hoor. Ik vergeet altijd alles. Nee mam, je bent geen slechte moeder hoor. Echt niet.”

Maar ik voel me er wel eentje. Een rund van een moeder. En wie is hier nu eigenlijk de volwassene? Ik, die echt niet meer weet wat ze uit moet brengen van schaamte, of zij, die mij door haar tranen heen probeert te overtuigen dat het allemaal niet zo erg niet is?

“Is het goed gegaan dan? Was het wel leuk?” Ik probeer het maar met doorvragen.
“Ja! Het ging heel goed, maar ik was doodzenuwachtig. Waarschijnlijk was ik nog zenuwachtiger geweest als jij er wel was geweest, dus misschien was het maar beter zo. Oh, en ik ben met de buurvrouw mee terug gereden, want ik moest ook nog naar huis [= huis van vader] komen, hè…”
Oh ja. Oeps. Ook dat nog. En ik voel me zo mogelijk nóg mislukter. Ik heb mijn dochter echt volledig in de steek gelaten. Ik huil inwendig weer een beetje harder.

“Heb je foto’s? Kan ik die dan nog zien?”
“Ja, Max heeft een foto gemaakt met mijn mobiel. En een filmpje. Wacht, stuur ik je zo even op Whatsapp. Nu moet ik eten mam! Tot maandag! Ik hou nog steeds van jou, hoor!”
“Dag schatje, ik ook van jou!! En het spijt me echt, echt, echt enorm. Maar ik kan het meer niet veranderen…”
“Weet ik toch! Kus, mam, tot gauw. Kusje!”

Bron: eigen foto (LB)

*Ploink* – daar is de Whatsapp. Helaas heeft Max zijn zusje erop gezet, dus dochterlief is op het filmpje niet te zien. Op de foto nog nét. Een sliertje dochter aan de rand van het podium.
Ik stuur haar een paar hartjes en: “Jij bent de liefste en de geweldigste dochter die een moeder maar kan hebben!”
“Jij ook!” komt er meteen terug.
“Ik zal het oma zeggen  😉 ”
“Haha!”
Er volgt nog een ‘ich hab dich sooooooo lieb!!!’-appje (dochter is Duitstalig), begeleid van x-tig uitroeptekens en een buslading zoensmiley en hartjes.

En toch… Tóch zal ik me nog wel even die slechtste moeder van het noordelijk halfrond blijven voelen. Ik heb nog tot maandag de tijd om na te denken over mijn zware moederfout en hoe ik dit maandag in hemelsnaam weer goed kan maken.

Wáárom was ik er niet…


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Gelukkig Kippetje

Avondeten. Zoonlief (14) vreet weer eens als een bootwerker en pakt het derde (flinke!) stuk gekruide kalkoen met lekker veel knoflook.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gromt dochter hem toe.
“Hou je erbuiten. Je bent m’n moeder niet,” bitst hij terug.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gooi ik er maar gelijk achteraan.
“Ja.”
Oh.

bron: commons.wikimedia.org (licence CC 2.0)

“Mam, vroeger was T. toch ooit een tijdje vegetariër?”
Jee, dat ze dat nog weet. Ze moet 6 geweest zijn of zo. Zoon was toen 9 en zat onder de ritalin. Een compleet verkeerde keuze destijds, hoewel het in het begin zo goed leek te gaan. Voor ons was het sowieso niet nodig (zoon is een geweldige, lieve, rustige en verstandige jongen), maar voor hem zelf wilden we álles proberen. Alles waardoor hij zich maar een beetje beter en vooral minder chaotisch, minder ‘anders’, meer geaccepteerd en minder verloren zou kunnen gaan voelen. Het werd helemaal niet beter, enkel slechter. Ook Strattera en Medikinet bleken geen uitkomst. Naast de nachtmerries, de lusteloosheid, de hartkloppingen, de gejaagdheid en de depressieve fases had hij ook nog eens totaal geen eetlust meer. Vel over been was hij. Na een jaar ‘proberen’ was het punt bereikt: weg met die rottige pillen.

“Ja, lieffie, klopt. T. wilde een tijd lang helemaal geen vlees eten. Door de ritalin vond hij alles vies, dus ook vlees. Daarnaast dacht hij ineens over álles na. En dus ook over waar ’t beest op zijn bord vandaan kwam. Als ik een gebraden kip op tafel zette, was het eerste wat hij bulderde: “Is dit wel een gelukkig kippetje geweest?” Als in bio-vrije-uitloop-kip. Daarop antwoordden wij dan natuurlijk bevestigend. En dan nóg at hij niks. Waar je al niet allemaal over nadenkt met die pillen…”

“Dat kwam helemaal niet door die pillen. Dat kwam door jullie,” mompelt zoon.
Die zag ik niet aankomen. Huh? Wij?
“Ja, jullie. Ik was toen weer eens ziek en jullie moesten allebei even weg, dus parkeerden jullie mij op de bank met één of andere suffe kinderuitzending op tv en legden vervolgens, zoals altijd, de afstandsbediening boven op de kast. Maar toen de serie afgelopen was, kwam er een documentaire. Over kippenfokkerijen. En ik had geen afstandsbediening en geen zin om van de bank af te komen, dus heb ik die hele docu afgekeken. Vanaf toen wilde ik geen ongelukkige kip meer eten.”
Aha. Oké dan. Daar kan ik me niets meer van herinneren.

“Nou, eh, deze kalkoen was echt een hele gelukkige bio-kalkoen, hoor!” stotter ik.
“Kan mij ’t bommen. Als ie maar lekker is. En dat is ie.”

Zoon begint aan zijn vierde stuk. Opdat hij maar een potige kerel mag worden.
Hij is in ieder geval goed op weg, mijn nu prima in zijn vel zittende, gelukkige haantje.
Zónder ritalin & co, welteverstaan.

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl