De dood relativeert, no matter what

Op 4 november 2017 verloor ik een vriendin aan kanker. Een melanoom werd een hersentumor (met de veelbetekenende naam ‘Remi’), werd een uitzaaiing in het hersen- en ruggenmergvlies, werd de dood. Dat alles in een paar jaar tijd. De laatste fase ging echter zó enorm snel dat het insloeg als een bom.

Die bominslag kwam bij mij pas meer dan een dag later. Puur omdat ik de mededeling op Facebook niet meegekregen had. 6 November ’s ochtends, een half uur voor mijn tennisafspraak. Tóén wist ik het pas. En wist niet meer hoe ik het had. Ik ben toch naar de tennisbaan gegaan, heb mijn hart uitgestort, de ogen uit mijn kop gejankt in het bijzijn van mijn tennisvriendin en toen maar een potje keihard ballen over de baan gemept. Gewoon omdat het kon. Nóg kon. Nog kán.

God, wat relativeert dit. Ik besefte pas meer dan een etmaal later dat ze overleden was. Waarom? Omdat ik met mijn eigen – nu plotsklaps tot futiele proporties geslonken – sores bezig was. De bouw van een huis, waar natuurlijk van alles misgaat in de laatste fase. Een op stapel staande verhuizing die voor een hoop stress en chaos zorgt. Wat napijn van een gekneusde rib. Een rottige rechtszaak. Een niet aflatende berg werk waar ik me doorheen moet worstelen. Een naderende scheiding, niet alleen van mijn ex, maar ook van mijn bedrijf in München (dat ik al 17 jaar heb), omdat een bedrijfspartner het voor gezien houdt. Vijf websites die door moeten draaien. Kinderen met leerproblemen die veel begeleiding vergen.

Na de ochtend van 6 november zie ik dat alles anders. Bij al die dingen denk ik alleen nog maar: NOU EN!? Ik ben BLIJ met die idiote rechtszaak; zoiets stond toch al op mijn bucket list. BLIJ met alle andere ‘problemen’, die eigenlijk helemaal geen problemen, maar gewoon ‘leven’ zijn. BLIJ met alle drukte en stress die je laten voelen dat je er nog bent. Want ja, ik besef nu dat ik er ben nog ben om het allemaal mee te maken. Maar mijn vriendin is er niet meer. Haar trof dat verrotte noodlot veel te vroeg. Haar man en twee kinderen (net zo oud als de mijne) moeten nu zonder haar verder. Onvoorstelbaar, onvatbaar, onbegrijpelijk. Alles ‘on’.

En het egoïstische in deze is: ik heb spijt. Spijt als haren op mijn hoofd dat ik, de keren dat ik in de buurt was, niet even belde of ik haar kon bezoeken. Dat ik niet even iets regelde om nog een kop thee op ’t terras met haar te kunnen drinken, om nog een keertje bij te kletsen. Want ik dacht steeds: ik heb nu zoveel te doen en ben maar zo kort in Nederland; dat doe ik de volgende keer wel. Maar er komt geen volgende keer meer. Nooit meer. Mijn ‘had ik maar’-gedachten nemen de overhand. Ik kan nu alleen nog maar in mijn eigen hoofd afscheid nemen en me voor mijn kop slaan dat ik dat niet gedaan heb, toen ze er nog was. Spijt is een bitch, net als de kanker die me mijn vriendin afgepakt heeft voordat ik nog een keer met haar afgesproken had.

En dat, dát relativeert. Enorm. Who cares? I care. Maar ik geef niks meer om die mafkees die samen met zijn juriste een berg geld van me wil. Die verhuizing doe ik met links; zal wel goed komen. Scheiden? Levert óók vrijheid op. En die vrijheid om te leven, die zie ik nu weer. Door mijn vriendin. Want ik leef nog, alleen besefte ik dat de laatste tijd niet echt meer. Nu wel. Alles is nu.

Dank je Sandra, voor jou. Voor wie je was, jij positief, liefhebbend, vechtend, übermooi en veelkleurig mens. Veelkleurig was je, van je Desigual-jurkjes tot aan je hardloopschoenen. En je ijsvogel, jouw symbool geworden. Als er iemand voor mij hét voorbeeld was van een doorzetter, een nooit-opgever, dan was jij dat wel. Dóórrr!! No matter what. Je was 15 jaar lang een voorbeeld voor mij, een voorbeeld van ‘gewoon goed zijn zoals je bent’. Mijn afval-maatje was je ook. Alleen vrat ik het er allemaal weer aan en jij niet; jíj zette door. Zoals je altijd door wist te zetten. Tot de marathons aan toe.
Doorloper –> Hardloper –> Marathon(s)loper –> Wereldloper –> Ultraloper! –> Roparunloper.
Zo staat het ook op je rouwkaart. Want dat was jij ‘ten voeten uit’. Letterlijk. Het waren je – opeenvolgende – titels op ‘ons’ forum. Want lopen kon je. Je begon ermee en was meteen niet meer te stoppen. Tot nu. De allerlaatste finishlijn.

Ik zal je zo ontzettend missen. Gewoon, om wie jij was. Dankjewel dat je zelfs nu nog in staat bent om eigenwijze, tobbende, zelfdestructieve mensen zoals ik weer met twee benen op de grond te zetten. Mijn spijt zal ik nu zelf de kop in moeten drukken. Voorbij moeten lopen. Want jij zou met grote stelligheid gezegd hebben: “Je hebt echt niks aan ‘wat-als’ en ‘had ik maar’!” Je zou me een knuffel gegeven hebben. Me aangemoedigd hebben om de tranen te drogen en mijn schouders weer recht te trekken. “En dóórrrr!! Ja? Je kunt het!” Ik hoor het je nog zo zeggen.

Maar ik wil nu nog niet door. Ik wil nog even huilen. Om jou. Om het verlies van een prachtmens. Meehuilen met je lieve man en je schatten van kinderen. En dán ga ik weer door. Beloofd. Met een duizend keer beter besef van wat écht belangrijk is in mijn leven. En wat totaal niet. Ik zal weer lachen. Al was het maar omdat jij dat ook altijd deed, ‘no matter what’.
Dank je, lieve San-meis.

bron: pixabay.com (en die ene Kafka)


En nee, ik probeer hier niet te ‘scoren’ met het verdriet en verlies van een ander (zoals sommigen altijd weer schijnen te denken; eigenlijk te triest dat ik de noodzaak voel om dit hier te moeten vermelden). Dit is ook mijn verlies. Dit is mijn manier van afscheid nemen, mijn manier om het verdriet te uiten, mijn manier van dankjewel zeggen, mijn manier om haar liefsten en naasten te laten weten dat ik hier en nu met ze meeleef en meehuil. Ik kan niet bij de uitvaart zijn (gelukkig wel virtueel). Het laatste afscheid dat nu, op het moment dat deze blog verschijnt, plaatsvindt. Die 1000km afstand kan soms (nu) heel bitter zijn. Daarom doe ik het maar zo.
En de nacht werd weer dag.
Dag…

Ze worden zó snel groter. Tot ze het ineens niet meer worden.

Je merkt het niet, die tijd. Hij raast voorbij, zoals het cliché zegt. Tot je naar je kinderen kijkt. En ze alweer een jaar ouder zijn. Mijn oudste wordt vandaag 15. Hij is al een echte kerel: een lange slungel met de baard in de keel. Kijkt naar Game of Thrones en naar weet-ik-veel wat voor andere inhoud op YouTube. Game’t zich suf, maar Ego Shooter is gelukkig stom. GTA daarentegen…

Hij is met zijn veranderende lichaam bezig, maar voor het ouderlijk oog zijn meisjes nog totaal oninteressant. Zonder ouderlijk oog in de buurt is dat vast al anders. Ik hoef hem niet meer naar bed te brengen (liever niet, zelfs). Hij kan zelf eten koken.

Hij is een eerlijke, sociale, behulpzame vent met verantwoordelijkheidsgevoel geworden, die ’t nog steeds oké vindt dat zijn moeder hem van school op komt halen (“Vind je dat niet genant, dan?” “Nee, mam, vind ik juist cool! Ik heb een hartstikke coole mam!” – dat compliment stak ik maar glunderend in mijn bloemetjesschortzak).

En tegelijkertijd is hij nog zo’n kind… Het kind dat hij in mijn hoofd nog steeds is. Dat hummeltje dat maar niet fatsoenlijk aan de borst wil drinken. De peuter die leert lopen en pontificaal op zijn voortanden dondert. Het knulletje dat leert fietsen en zo de plomp in slingert. De ik-weet-alles-beter-achtjarige. De zoenen-is-bah-en-seks-is-ieuw-prepuber. En hij groeit maar door, uiterlijk én innerlijk.

Bij verjaardagen in het verleden betrapte ik mij erop dat ik wenste dat ze – mijn beide kinderen – nog even klein en knuffelig zouden blijven; ze worden zó snel groter en ouder… Ik besef nu dat dat een rare wens is. Eentje die ik sinds goed een jaar niet meer heb. Ik ben me er nu van bewust dat je dat niet, nóóit moet wensen. Iets meer dan een jaar geleden, augustus 2016, overleed lieve, kleine Floor, toen 6 jaar oud, aan kanker (neuroblastoom). Het was niet te bevatten. En dat is het nog steeds niet.

Als ik de foto’s en herinneringen op de profielpagina van haar moeder zie, komen meteen de tranen weer. En dan besef ik eens te meer: wens, als die kindertijd weer eens te snel aan je voorbij raast, nóóit of te nimmer dat ze ‘nog heel even klein’ blijven. Want in één tel van de tijd blijven ze zomaar ineens voor altijd klein en kunnen ze enkel in je hoofd en je hart nog verder groeien.

Als je al iets wenst, wens dan je kinderen – naast ‘gezond en gelukkig’ – groot. Groots. Altijd.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Dochter is stuk en mensen zijn best aardig

Met 120 scheur ik over de landweg waar ik laatst zelf een ongeluk had, doordat een tegenligger met eenzelfde snelheid op mijn weghelft een onoverzichtelijk bocht om kwam scheuren. Toen reed ik de berm in, met alle schade van dien.

Dit keer ben ik het zelf, die voor gek en onwijs reed. Naar de plek waar mijn dochter in de kreukels ligt. De plek waar al drie auto’s her en der in het gras geparkeerd staan en een overstuur vriendinnetje huilend naast mijn meiske zit, dat half liggend overeind en wakker gehouden werd door een vrouw. De plek onderaan de flinke berg waar ze zo lekker hard vanaf suisde. Totdat een auto haar rakelings passeerde, zij uit wilde wijken en haar wiel begon te zwabberen. Boem.

bron: pixabay.com

Ze kijkt me wazig en betraand aan.
“Mama…”
Meer zegt ze niet. Maar ze herkent me, godzijdank.

Haar vriendinnetje belt eerst de vader van mijn dochter (mijn ex-partner), maar die blijkt helaas te ver weg om meteen ter plaatse te kunnen zijn. Dan belt ze mij, met het mobieltje van mijn dochter.
“Hi, lieffie! What’s up?” roep ik als altijd in de telefoon, wanneer haar naam op mijn scherm verschijnt.
“Ik ben het. Lena… K. is over de kop geslagen en gevallen met haar fiets en er zit overal bloed. En ze weet helemaal niks meer… Kun je alsjeblieft gauw komen?”
De shockwave die bij zo’n bericht door je heen gaat, laat je hart je maag opslokken.

“Waar zijn jullie nu precies?” Daar en daar. Onderaan de berg.
“Is er iemand bij haar?” Ja, er zijn meerdere volwassenen gestopt en met haar bezig.
“Ik kom er nu aan.”

Het is raar om je kind daar zo in het gras te zien liggen. Als een kapotgescheurde vaatdoek. Haar been is bebloed. Haar achterhoofd ook een beetje: daar waar de knop van de helm door de val in haar schedel gedrukt is.
Ja, ze had een helm op. Nu ligt het ding van binnen en buiten gebroken in het gras. Ik ben die helm eeuwig dankbaar. Wat als ze hem niet op had gehad? Had ik dan nu geen dochter meer? Of een dochter die niets meer weet en niemand meer herkent vanwege een deuk in haar hoofd? Een deuk die nu in de helm zit?

De ‘kleinste’ schaafwond (knie). De rest mocht niet op de foto. (eigen foto LB)

Uiteindelijk komt haar papa ook aangereden. Hij is duidelijk net zo aangedaan en geschrokken. We praten even. Voor het eerst sinds lange tijd weer in real life. Dat is raar, maar eigenlijk ook heel oké. De aanleiding voor dit onverwachte gesprek stemt hem milder, blijkbaar.

We zetten dochter voorzichtig in de auto. De omstanders helpen waar ze kunnen en laden de kapotte fiets in de kofferbak. Ze hebben haar opgevangen, water gegeven, getroost en bij zinnen gehouden. Ook hen ben ik heel dankbaar. Het is zo ontzettend fijn om te merken dat mensen wel degelijk meteen stoppen en helpen. Iedereen is begaan met haar, met ons. Elke keer houden er auto’s stil en wordt er gevraagd of er nog hulp nodig is. De vrouw die haar de nodige eerste hulp heeft gegeven, ken ik zelfs. Ze informeerde ’s avonds op Facebook ook nog een keer naar haar toestand. Medeleven is fijn.

Het is in de huidige tijd van gescheld en gezeik bijna niet meer te geloven, maar mensen zijn echt heel aardig. Online, vooral op ‘social’ media, krijg je wel eens een andere indruk. Ook nu sta ik weer versteld van de behulpzaamheid, de bekommering, de steun die meteen gegeven wordt als mensen ‘in het wild’ en in real life een nare situatie meemaken. Situaties waarin iemand in nood is of verdriet heeft. Het doet me weer even beseffen dat wij mensen in feite best een heel sociaal en empathisch soort zijn.

Dochter is inmiddels aan de beterende hand. Ze heeft een lichte hersenschudding, een verrekte, mogelijk gescheurde pees in de nek (dat moet nog bekeken worden), een gekneusde arm en een hoop schaafwonden.
En ze heeft gigantisch veel geluk gehad. Dat ook.
Overmorgen wordt ze 12. Omdat het gisteren weer eens ‘nét goed’ gegaan is.

Het leven hangt aan elkaar van geluk. Want met een beetje pech ben je zo stuk.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken

Zo snel en eindig is het

1 augustus 2017, 12:11h
“Mam, breng je ons nu eindelijk naar ’t zwembad?”
“Ja, schatje, één moment. Even dit nog afmaken.” Ik zucht. Stress. Werk. Zorgen. Teveel aan mijn hoofd. Veel te veel.
Ik adem diep door, klap mijn computer dicht, graai de autosleutels van het kastje en spring in de auto. Dochter voorin, zoon op de achterbank. Buiten is het 38°C, in de auto nog veel heter.

Ik draai het 4m brede slingerweggetje naar het dorp op. Aan weerskanten van de berm hoog, niet te overzien gras. Ik rij goed aan mijn kant; ik ken deze bochten. Mijn nog onzichtbare tegenligger, een grote SUV,  blijkbaar niet. Hij rijdt midden op de weg, zelfs deels op mijn toch al zo smalle weghelft. En veel te hard.

In een flits zie ik wat er gaat gebeuren als ik niet onmiddellijk ingrijp. Een frontale crash. 110km/u (minstens) tegen 80km/u. Op een landweggetje. Ik rem, stuur abrupt de berm in en kom net voor een paaltje tot stilstand. Ik weet dat de kinderen gegild hebben, maar ik heb het niet bewust gehoord. De tegenligger is met volle vaart doorgereden. Het was een metallic-grijze auto, vermoedelijk een BMW, maar het ging zó snel…

bron: eigen foto (LB)

Ik draai mijn auto weer de weg op. Alles is nog heel voor zover ik kan zien en voelen.
“Mama, als je nou niet zo razendsnel het gras ingereden was, waren we dan nu dood geweest?”
“Misschien. In ieder geval had je dan de airbag mogen kussen,” grap ik, met het hart nog steeds in de keel. Omwille van hen slik ik mijn schriktranen weg.

Ineens zijn al die zorgen, al het gedoe en geregel, alle problemen en juridische shit weer even heel nietig en onbelangrijk geworden. Hoofd leeg. Daar was dit incident dan wel weer goed voor.

1 augustus 2017, 13:01h
En doorrrr. Het mag nog.
Dank, beschermengel.

Zo snel gaat het.
Zo eindig is het.


Tegelijkertijd verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Kleuters en zandbakpolitiek – een analogie

Drie kleuters vermaken zich in een zandbak in de speeltuin. Ze bakken kledderige moddertaartjes op de betonnen omranding. De kleutertjes zijn het roerend met elkaar eens: deze hele zandbak is vanaf nu van hen. Hun wereld van bruine drab. Genoeg zand om mee te smijten. Er is dan ook écht geen plek voor de creaties van een ander.

Kleuter 4, een half jaartje ouder, zit in de andere hoek en bouwt daar in alle rust een bescheiden maar goed gefundeerd zandkasteel, geheel naar eigen inzicht, creativiteit en visie.

bron: pixabay

Oprotten!

Kleuters 1, 2 en 3 vinden nummer 4 dom. En het zandkasteel heel stom, want het staat daar te gloren in HUN zandbak. Kleuter 4 past niet in hun zandwereld. Al die rare bouwideeën zijn maar wát irritant. Daarom grijpt de eerste al snel een van de moddertaartjes en smijt het in de richting van het irritante zandkasteel. Kleuter 4 kijkt even geërgerd op en bromt: “Laat me met rust. Ik mag hier ook spelen. De zandbak is groot genoeg.”

“Jij moet je kop dicht houden, jankerd!”
De volgende, iets grotere moddertaart volgt prompt.
“Ga ergens anders spelen, stommerik, maar blijf bij ons superintelli’s uit de buurt!” gilt nummer één.
“Haha, moet je jou zien, hóé DOM kan iemand zijn om zo’n idioot prutskasteel te bouwen?” schampert nummer twee.
“WIJ bepalen hier wat er gebouwd wordt! En ook waar. Én waarom. JIJ moet gewoon lekker oprotten!” Nummer drie wijst priemend met zijn middelvingertje naar kleuter 4.

Jij bent dom

“Waarom dan?” waagt kleuter 4 – nog steeds kalm – te vragen. “Ik mag maken wat ik wil, wat ík goed vind. Deze zandbak is van iedereen, dus ik heb jullie toestemming helemaal niet nodig.”
“Jawel! Dat heb je wél. Jij mag hier niet zijn, want jij bent zó ontzettend giga dom!”
“Kun je misschien ook nog iets anders zeggen dan ‘dom’?” vraagt kleuter 4.
“Oh, ja hoor: jij stinkt! En je jankt de hele tijd.”
“Ik jank niet. Ik zeg gewoon zo nu en dan wat ik vind.”
“Há, maar je stinkt dus wel! Want dát ontken je niet. En jij vindt alleen maar rare dingen. Pas als jij doet en vindt, wat wij ook doen en vinden, dán mag je hier zitten en misschien zelfs nog iets zeggen.”
Ondertussen gaat het bombardement gewoon door.

bron: pixabay

Kleuter 4 bewaart stoïcijns de rust en reageert – ondanks alles wat haar naar ’t hoofd geslingerd wordt – niet meer. Kleuter 4 is namelijk al nét iets verstandiger dan de schreeuwertjes en weet, dat je andere dreinende, krijsende, tierende, wijzende en modder gooiende roeptoeterkleuters gewoon moet negeren. Een normale discussie is toch niet mogelijk. Wel alert blijven natuurlijk, maar niet meer reageren. Dan is de lol er vast gauw vanaf. Ze buigt zich weer over haar eigen werk.

Feet. Butt. No pain.

Helaas. Werkt niet. Nu gaan de pestkoppen helemaal over de rooie. Drie paar voeten, één reet. Echt pijn doet het niet. Het kriebelt een beetje. Watjes. Grinnikend draait ze zich om en kijkt, enigszins verbaasd, in drie inmiddels rood aangelopen, van haat verwrongen gezichten.

“Zal je leren, jij zeikwijf! Hysterisch mokkel! Leeghoofdig grietje! Emotioneel incontinente borderliner! Het is niet te geloven hoe iemand zó dom kan zijn. Luister, wij zéggen toch dat je DOM bent? Dan ben je het dus ook! Ga nou eens snel weg hier?!”

Stijlloos GeTrumpetter

Moment. Dat laatste is toch helemaal geen kleuterscheldpartij? Nee, dat is gewoon een zoveelste door-het-slijk-trek-actie van steeds weer dezelfde meute stijlloze scheldkoppen met schoolpleinmentaliteit. Volwassen kinderen die op zolderkamers achter laptops wegkwijnen en zich de socmed-vingers blauw typen, wegens gebrek aan echt léven. En aan enige doordachte, steekhoudende argumenten. Om het hardst schreeuwen en uitjouwen (daar is trouwens een nieuw werkwoord voor: ‘Trumpetteren’), dan bindt de rest met een beetje geluk wel in. Bij voldoende intimidatie houden ze misschien zelfs voorgoed hun klep. Hartstikke handig.

Schoolvoorbeeldje van ‘één op één’

Ook één op één willen kleuters nog wel eens hard gillen als ze denken dat ze hun virtuele achterban op die manier mee krijgen. Een – al dan niet vooropgezet en zo ja, in dat geval nog kinderachtiger – schoolvoorbeeld daarvan: de twee overgebleven metro-columnisten, die elkaar in de boksring troffen. De één zet zichzelf totaal te kakken door ongelooflijke arrogantie, badinerende opmerkingen, loze uitspraken en een argumentatie van niks. ‘IK heb mijn mening het éérst geschreven in ONZE krant en ik heb veel meer likes en retweets dan jij, dus jij mag mij daar – in ONZE krant – niet meer op aanspreken. Ga maar ergens anders heen, amateur!’

Qué? Wat is dat voor redenering? Juist! De ultieme kleuterargumentatie. Vertaald naar de zandbakpolitiek klinkt dat zo:
‘IK heb ’t eerst geschreeuwd, dus JIJ moet vanaf nu, hier in MIJN zandbak, je bek houwe. Want ik ben véél populairder en jij bent niks.’

Zo gaat dat. Maar: de één blijft door kalmte, openheid en alertheid nog steeds een goede columnist, de ander degradeert zichzelf tot een eeuwig hetzelfde liedje roeptoeterende jij-bakker. Hop, even flink afzeiken en uitschelden. Op de persoon, graag. Op de manier waarop dat bij iedereen gedaan wordt. Wiens opvatting niet bevalt. Wiens mening niet in ’t eigen straatje past. Want zulke meningen zíjn immers geen meningen, maar slechts uitermate ‘lastig en dom’. Toch?

Stelletje kleuters. Ga echte taarten bakken.
Grow up.

bron: pixabay


Deze blog is eerder verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Tóch een béétje bang. Mag dat?

Ik ben iemand die graag roept dat je je leven vooral niet door angst (voor aanslagen, ziektes, ongelukken) moet laten regeren. Als je overal bang voor bent en je huis bij wijze van spreken niet meer uitkomt, leef je niet meer. Je wacht enkel nog tot je uitgeademd bent. Immers, waarom heet het dan nog ‘een leven’ en niet gewoon ‘de wachtkamer voor de dood’?

Ik ga dus ook vol vertrouwen en zonder bedenkingen naar grote concerten en evenementen, stap dagelijks in mijn auto en regelmatig in het vliegtuig, eet niet bepaald als een gezondheidsgoeroe, geniet van een wijntje op een vol terras, loop zonder bedenken door Stockholm, London en Parijs (als het even kan).

Maar. Dat doe IK. Ik vrees niet voor mijn EIGEN leven. Wrong place, wrong time? So be it. Kan overal gebeuren en is iets van alle tijden. Leven is levensgevaarlijk en zo. Echter, als het op mijn kinderen aankomt, is het meteen een heel ander verhaal. Dan komt ogenblikkelijk het beschermingsinstinct om de hoek kijken. Is mijn kroost wel veilig? Als mijn dochter meer dan een uur lang niet te vinden is, terwijl ze al thuis had moeten zijn, flip ik. Als mijn zoon een week in Wenen is met school, vraag ik me elke dag meermaals af hoe het hem vergaat. Of hij wel oké is. Natuurlijk belt of appt hij niet; dat is niet cool. Dus blijf ik achter, met al mijn onzekerheid en negatieve fantasieën.

Bron: Lou Bartels

“Pas je op?”
“Doe je wel voorzichtig?”
“Wel goed insmeren hoor! Anders verbrand je.”
“Zou je dat nu wel doen? Lijkt me niet zo verstandig…”
Zinnen die ik regelmatig inslik en NIET zeg, omdat ik niet wil dat ze overbeschermd en -bemoederd – en dus niet zelfstandig – opgroeien. Mijn kinderen (11 en 14) zijn – naar mijn bescheiden moedermening – juist erg zelfstandig. Ze kunnen eten voor zichzelf maken, hele dagen en avonden alleen zijn (en toch hun huiswerk en eventuele opgedragen huishoudelijke taken voltooien), zelf op een schappelijke tijd naar bed gaan, 10 kilometer fietsen naar het zwembad (en ook weer terugkomen), hun zaakjes zelf regelen als het moet. Ze hebben een fatsoenlijk verantwoordelijkheidsgevoel, doen geen rare dingen, zijn (nog…) redelijk onbevattelijk voor groepsgedrag. Zélf beslissen kunnen ze ook prima. Dus wie ben ik om dan iets als ‘lijkt me niet zo verstandig’ te zeggen…

En tóch ben ik soms een beetje bang. Zo gaan ze binnenkort een week naar Londen. Zonder mij. Ja, naar dat Londen, dat steeds weer in de media opduikt wegens allerhande terroristische incidenten. Ik betrap mezelf erop, dat ik dat bij tijden tóch best ‘eng’ vind. En daar schaam ik me dan weer voor, want dat druist in tegen mijn eigen principes. Die principes van ‘laat je vooral niet bang maken door alles wat je in de media ziet, leest en hoort’.

Mijn favoriete ‘huisfilosoof’ Ron Jacobs stelt echter, dat het mag, dat ‘bang zijn’. Dat het zelfs juist goed is:
“Schouderophalend doorleven nadat iemand is ingereden op het winkelend publiek, is […] een naïef advies. Bovendien wordt het een janboel als iedereen zijn angsten wegstopt en niet meer toont. Wat als dit een collectief patroon wordt? Geen enkel beleid is dan mogelijk. Simpelweg omdat we niets meer van elkaar weten wanneer we elkaars angsten niet kennen.” (Opiniestuk Volkskrant 21 juni 2017)

Maar wat schiet je ermee op? Als ik jouw angsten ken en jij de mijne, kennen we elkaar dan werkelijk zoveel beter? Wordt de maatschappij er echt vrijer en een mindere ‘janboel’ van, als we allemaal breed uitmeten waar we zo ontzettend bang voor zijn? Ik betwijfel het. Daarom druk ik mijn angst om mijn kinderen toch maar de kop in. Ik wil mijn leven niet in bubble plastic leven. En ik wil ook niet dat zij dat moeten, omwille van mij.

Dus denk ik steevast: het zal wel goed gaan. Wat moet je anders?

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

“Mama, waarom was je er niet?”

bron: eigen foto (LB)

Gisteren was een gitzwarte dag in mijn moederschapscarrière. Over het algemeen doe ik het best oké als moeder, geloof ik. Maar deze vrijdag was ik bij uitstek de slechtste moeder van het noordelijk halfrond.

Een week of twee geleden moest ik weer eens een of ander briefje ondertekenen. Een voorstelling van dochter (11), samen met het theaterclubje van haar school, voor alle klassen en natuurlijk alle ouders; of en zo ja, met hoeveel personen ik de voorstelling bij zou wonen. Het was wel een dag waarop de kinderen niet bij mij zouden zijn (dus ‘vrij’ om uit te slapen, te werken en te klunzen), maar ik zou natúúrlijk gaan kijken, wat dacht je! Mijn dochter op de planken. Altijd leuk.
Ik zette mijn krabbel eronder en plantte datum en tijd in mijn online agenda. Klaar. Van later zorg.

Je raadt het: die vermaledijde vrijdag dacht ik helemaal nergens meer aan. Ik zag de notificatie van de google-agenda ook niet (was die er wel geweest?).

Om zes uur ’s avonds ging de telefoon: mijn dochter (zei ’t beeldscherm).
“Hai meiske! Wat lief dat je belt! Hoe is het, lieffie?”
Stilte.
“Joehoe! Ben je er nog?”
“Ja.”
Weer stilte. En dan:
“Mama, waarom was je er niet vandaag?”

Ik hoor de tranen in haar stem en val nu zelf stil. Dan herinner ik me wat er vandaag was. Grote K met een flinke ‘u’ en een lange ‘teeee’. Ik slik. Hoe kón ik dit vergeten… Ze is er zo lang mee bezig geweest met haar theaterclub. Kleren uitgezocht. Dagen van tevoren al zenuwen. Twee keer achter elkaar optreden. En dan ben ik er niet.
Ik kan wel door de grond zakken.

“Oh… meisje toch… ik ben het compleet vergeten. Hoe kan dit… Het spijt me zo ontzettend gigantisch…”
“Nou ja,” hakkelt ze, “geeft niet…”
“Jawel, geeft wel! Ik voel me nu echt zo, zó enorm stom… Ik bén stom! Ik had dit niet mogen vergeten. Ik heb er echt totaal niet meer aan gedacht, terwijl ik wist hoe belangrijk dit voor jou was. Het spijt me zo erg…”

“Ik heb je overal gezocht, mam,” murmelt ze schor.
Ik hoor haar de tranen wegslikken. Ik doe hetzelfde. En weet niet meer wat te zeggen.

“Ik voel me nu echt zo’n gigantisch slechte moeder…”
Ai. Dat roetsjte eruit. Dat moet ik nu juist niet zeggen, want ik weet dat ze dat gaat tegenspreken. En dat doet ze ook, lief als ze is.
“Nee, nee, dat ben je niet. Je bent geen slechte moeder. Iedereen vergeet wel eens iets. En ik ben een nog veel grotere chaoot dan jij, hoor. Ik vergeet altijd alles. Nee mam, je bent geen slechte moeder hoor. Echt niet.”

Maar ik voel me er wel eentje. Een rund van een moeder. En wie is hier nu eigenlijk de volwassene? Ik, die echt niet meer weet wat ze uit moet brengen van schaamte, of zij, die mij door haar tranen heen probeert te overtuigen dat het allemaal niet zo erg niet is?

“Is het goed gegaan dan? Was het wel leuk?” Ik probeer het maar met doorvragen.
“Ja! Het ging heel goed, maar ik was doodzenuwachtig. Waarschijnlijk was ik nog zenuwachtiger geweest als jij er wel was geweest, dus misschien was het maar beter zo. Oh, en ik ben met de buurvrouw mee terug gereden, want ik moest ook nog naar huis [= huis van vader] komen, hè…”
Oh ja. Oeps. Ook dat nog. En ik voel me zo mogelijk nóg mislukter. Ik heb mijn dochter echt volledig in de steek gelaten. Ik huil inwendig weer een beetje harder.

“Heb je foto’s? Kan ik die dan nog zien?”
“Ja, Max heeft een foto gemaakt met mijn mobiel. En een filmpje. Wacht, stuur ik je zo even op Whatsapp. Nu moet ik eten mam! Tot maandag! Ik hou nog steeds van jou, hoor!”
“Dag schatje, ik ook van jou!! En het spijt me echt, echt, echt enorm. Maar ik kan het meer niet veranderen…”
“Weet ik toch! Kus, mam, tot gauw. Kusje!”

Bron: eigen foto (LB)

*Ploink* – daar is de Whatsapp. Helaas heeft Max zijn zusje erop gezet, dus dochterlief is op het filmpje niet te zien. Op de foto nog nét. Een sliertje dochter aan de rand van het podium.
Ik stuur haar een paar hartjes en: “Jij bent de liefste en de geweldigste dochter die een moeder maar kan hebben!”
“Jij ook!” komt er meteen terug.
“Ik zal het oma zeggen  😉 ”
“Haha!”
Er volgt nog een ‘ich hab dich sooooooo lieb!!!’-appje (dochter is Duitstalig), begeleid van x-tig uitroeptekens en een buslading zoensmiley en hartjes.

En toch… Tóch zal ik me nog wel even die slechtste moeder van het noordelijk halfrond blijven voelen. Ik heb nog tot maandag de tijd om na te denken over mijn zware moederfout en hoe ik dit maandag in hemelsnaam weer goed kan maken.

Wáárom was ik er niet…


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl