Cashloze maatschappij? Nee, bedankt!

bron: publicdomainpictures.net

Stockholm. Ik sta bij een kiosk in de rij voor twee kopjes koffie. Voor me staat een man in uniform, waarschijnlijk de kapitein van één van de ontelbare rondvaartboten. Hij bestelt een blikje Fanta, trekt zijn pinpas uit zijn borstzakje, wappert ermee over een display en loopt weg. Betaald. Contactloos. Klaar. Kan hier ook al lang natuurlijk, niet bijzonders. Maar de meesten van ons leggen bij kleine bedragen als €2,00 ‘gewoon’ nog muntgeld op het plankje.

In Zweden zijn die plankjes verdwenen. Ik bestel mijn koffie en de kioskdame duwt het pinautomaatje onder mijn neus. Ik leg 200 kronen, 2 briefjes van honderd, neer. Ze kijkt me even verbaasd aan. Weer zo’n maffe toerist met ‘echt’ geld, zal ze gedacht hebben. Mijn Kronen-biljetten accepteert ze alsnog. Nóg.

Pin, contactloos of Swish?

Zweden zal binnenkort het eerste Europese land zijn, waar cashgeld compleet verdwenen is. Men schat dat het hooguit nog 5 jaar duurt. Cash is al bijna ‘verdacht’. Je vindt er ook nauwelijks nog pinautomaten: op het vliegveld is er eentje en ergens in de stad vind je er nog een paar (goed zoeken!), maar dan houdt het wel op. En er staan enkel niet-Zweden voor te wachten.

Bij het Vasa-museum koop je je ticket uit de muur; enkel de stomste toeristen gaan nog omslachtig in de rij staan voor die ene kassa die er nog is. In veruit de meeste café’s en restaurants moet je direct aan de bar bestellen en ook meteen afrekenen. Middels een restauranteigen lokaliseringssysteem – je moet een knipperend digi-plankje meenemen en op je tafel leggen – wordt het eet- en drinkwaar dan bij je tafeltje gebracht.

Je betaalt ouderwets met je pinpas, maar liever ‘gewoon’ contactloos of met Swish, het zeer snel en blijkbaar goed werkende Zweedse betaalsysteem via de smartphone. Inmiddels maakt ca. 90%(!) van de Zweedse bevolking onder de 30 jaar voor geldtransacties bij voorkeur gebruik van Swish. Voor de gehele bevolking ligt dat gebruik bij ca. 30%, sterk stijgend.

Alleen maar voordelen! Maar voor wie?

Alles gaat automatisch, alles gaat elektronisch. En alles wordt geregistreerd. Elke fles wijn die je koopt, elk pakje sigaretten, elk blikje Red Bull. Elk condoom, elke joint, elke milliliter (daar verboden) liquid voor je e-sigaret. Elk bezoekje aan een sekswerker, elke ‘spontaan’ ter plaatse geboekte hotelkamer. Maar ook elk boottochtje dat je maakt, elke taxi die je neemt, elke citybike die je huurt. En elke locatie waar je je bevindt. Om maar wat te noemen.

Tag-in-tag-out. De perfecte glazen burger. Handig? Zeker: het gaat allemaal razendsnel. En je hoeft nooit méér mee te nemen dan je pinpas en je smartphone. De oudjes in het hoge noorden van het land denken natuurlijk anders over dat ‘handig’. Lastige, ingewikkelde telefoons bedienen, slechte internetverbindingen, pincodes onthouden; voor de oudere mens in de wat meer afgelegen gebieden wordt het er zeker niet makkelijker op. De weerstand onder die bevolkingsgroep is dan ook groot.

Voor de overheid en de banken heeft de ontwikkeling echter alleen maar voordelen: alles ‘onder controle’. Geen zwartgeld meer, geen kosten meer voor het drukken, in omloop brengen, transport, tellen, en controleren van munten en biljetten, geen geldautomaten meer. Minder bankmedewerkers. Computers doen alles. En meer.

Heilig vertrouwen in banken en autoriteiten

Dé grote voorwaarde voor deze ontwikkeling: een heilig vertrouwen van de bevolking in de autoriteiten en banken. Opdat ze allemaal maar ‘fatsoenlijk’ met je geld en je gegevens om mogen gaan. Maar zonder cashgeld ben je ook per direct compleet afhankelijk van hen. Je MOET alles via een bankrekening doen. Kom maar door met die negatieve rentes en nóg hogere ‘service’-kosten. Want een keus heb je dan al lang niet meer.

Je moet daarnaast ook heel hard hopen dat de autoriteiten [overheid en belastingdienst, banken, controlerende en arbeidsinstanties, verzekeringsmaatschappijen…], die op deze manier werkelijk álles over je weten [koopgedrag, verblijfplaats, vrijetijdsbesteding,  verslavingen, donaties, medische problemen…], niets met die gegevens doen. Ach nee, dat zullen ze toch niet? Wie wil er nu een brave burger controleren? Juist. Niemand. Toch?

Oorlog tegen cash

Het is en blijft een beangstigende ontwikkeling. Denk er maar eens wat langer over na. Contant geld geeft je de vrijheid om iets aan te schaffen, zonder er eerst uitgebreid over na te hoeven denken. Het geeft je de vrijheid je geld te bewaren op een manier en een plek die jou het beste lijkt; desnoods begraaf je het in een gat in de achtertuin. Jouw keuze. Het geeft je ook de vrijheid om iemand te hulp te schieten door diegene een klein bedrag in de handen te drukken of een dakloze een paar euro te geven. Het geeft je de vrijheid om waarde te ruilen zónder dat er over je schouder meegekeken wordt.

bron: pixabay.com

De EU voert al sinds lange tijd ‘oorlog’ tegen contant geld. Cash zou enkel de financiering van terroristische aanslagen ten goede komen. Cash werkt het zwarte circuit in de hand. Cash is voor criminelen. Maar de werkelijke criminelen hebben al lang en breed andere financieringswegen gevonden, al dan niet met behulp van wat minder betrouwbare overheden. Daarnaast boomen anonieme en toezichtsvrije, virtuele betaalmiddelen (cryptogeld) zoals Bitcoin en Ethereum. Ook geliefd voor de wat minder vredelievende transacties.

Terroristen zal het inmiddels worst wezen of er nog cash is. De enige die door het afschaffen van contant geld daadwerkelijk getroffen wordt, is de normale doorsneeburger, wiens privacy en autonomie samen met het muntgeld compleet verdwijnen. Ook valsmunterij kan geen argument zijn: de 500- en 200-eurobiljetten zijn altijd al de minst vervalste biljetten, de vijftigjes en twintigjes daarentegen…

Afschaffen die hap, want?

In mei 2016 werd echter júíst dat 500-eurobiljet afgeschaft. De eerste grote stap. Het 200-eurobiljet wordt inmiddels eveneens al nauwelijks meer geaccepteerd en zal er binnenkort ook aan moeten geloven. Ook de kleine munten (1 en 2 cent, het ‘koper’) zijn in Nederland – net als in Finland overigens – inmiddels verdwenen. Maar goed, dat is nog tot daaraan toe. Valt mee te leven.

In februari dit jaar nam de EU-politiek de volgende stap: de restrictie van contante betalingen. Bedragen boven de 5.000 euro mogen niet meer (ongescreend) contant betaald (of geaccepteerd) worden. In – onder andere – België ligt dit bedrag bij 3.000 euro. Het verbieden van cash betalingen boven de 500 euro is inmiddels ook al ter sprake gekomen.

En de reden voor dit alles, volgens het door de EU opgestelde ‘manifest’, is inderdaad terrorisme. De strijd daartegen is vastgelegd in de zogenoemde European Consultation Strategy. Hoofdmotivatie:  terrorismebestrijding door afschaffing van cashgeld. Want, zo stelt het manifest: “Payments in cash are widely used in the financing of terrorist activities.” Dat (westerse) overheden zelf de grootste wapen- en middelenverschaffers in deze zijn, dáár hebben we het voor het gemak even niet over. Terrorisme, hét alibi voor alle privacy-vernietigende maatregelen. In naam der terrorismebestrijding is namelijk elke maatregel geoorloofd. Dit doel heiligt álle middelen.

Ik ga me maar eens verdiepen in Bitcoin en co. En investeren in lichtgevende speciaal-edities van 3-euromunten  met vleermuizen en tijgers erop. Die schijnen ook een hoop waard te worden in de toekomst. Alleen even afwachten of je die te zijner tijd überhaupt nog ergens in kunt wisselen. Want bankfilialen zijn er dan niet meer. Uiteindelijk kun je je geld dan alleen nog maar opvreten. Letterlijk. Ik vraag me af wat de voedingswaarde van een vijftigje is.

Enfin. Terug naar de middeleeuwse ruilhandel. Mijn koe tegen jouw varken. Wie biedt?

bron: pixabay

 

Zo snel en eindig is het

1 augustus 2017, 12:11h
“Mam, breng je ons nu eindelijk naar ’t zwembad?”
“Ja, schatje, één moment. Even dit nog afmaken.” Ik zucht. Stress. Werk. Zorgen. Teveel aan mijn hoofd. Veel te veel.
Ik adem diep door, klap mijn computer dicht, graai de autosleutels van het kastje en spring in de auto. Dochter voorin, zoon op de achterbank. Buiten is het 38°C, in de auto nog veel heter.

Ik draai het 4m brede slingerweggetje naar het dorp op. Aan weerskanten van de berm hoog, niet te overzien gras. Ik rij goed aan mijn kant; ik ken deze bochten. Mijn nog onzichtbare tegenligger, een grote SUV,  blijkbaar niet. Hij rijdt midden op de weg, zelfs deels op mijn toch al zo smalle weghelft. En veel te hard.

In een flits zie ik wat er gaat gebeuren als ik niet onmiddellijk ingrijp. Een frontale crash. 110km/u (minstens) tegen 80km/u. Op een landweggetje. Ik rem, stuur abrupt de berm in en kom net voor een paaltje tot stilstand. Ik weet dat de kinderen gegild hebben, maar ik heb het niet bewust gehoord. De tegenligger is met volle vaart doorgereden. Het was een metallic-grijze auto, vermoedelijk een BMW, maar het ging zó snel…

bron: eigen foto (LB)

Ik draai mijn auto weer de weg op. Alles is nog heel voor zover ik kan zien en voelen.
“Mama, als je nou niet zo razendsnel het gras ingereden was, waren we dan nu dood geweest?”
“Misschien. In ieder geval had je dan de airbag mogen kussen,” grap ik, met het hart nog steeds in de keel. Omwille van hen slik ik mijn schriktranen weg.

Ineens zijn al die zorgen, al het gedoe en geregel, alle problemen en juridische shit weer even heel nietig en onbelangrijk geworden. Hoofd leeg. Daar was dit incident dan wel weer goed voor.

1 augustus 2017, 13:01h
En doorrrr. Het mag nog.
Dank, beschermengel.

Zo snel gaat het.
Zo eindig is het.


Tegelijkertijd verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Kleuters en zandbakpolitiek – een analogie

Drie kleuters vermaken zich in een zandbak in de speeltuin. Ze bakken kledderige moddertaartjes op de betonnen omranding. De kleutertjes zijn het roerend met elkaar eens: deze hele zandbak is vanaf nu van hen. Hun wereld van bruine drab. Genoeg zand om mee te smijten. Er is dan ook écht geen plek voor de creaties van een ander.

Kleuter 4, een half jaartje ouder, zit in de andere hoek en bouwt daar in alle rust een bescheiden maar goed gefundeerd zandkasteel, geheel naar eigen inzicht, creativiteit en visie.

bron: pixabay

Oprotten!

Kleuters 1, 2 en 3 vinden nummer 4 dom. En het zandkasteel heel stom, want het staat daar te gloren in HUN zandbak. Kleuter 4 past niet in hun zandwereld. Al die rare bouwideeën zijn maar wát irritant. Daarom grijpt de eerste al snel een van de moddertaartjes en smijt het in de richting van het irritante zandkasteel. Kleuter 4 kijkt even geërgerd op en bromt: “Laat me met rust. Ik mag hier ook spelen. De zandbak is groot genoeg.”

“Jij moet je kop dicht houden, jankerd!”
De volgende, iets grotere moddertaart volgt prompt.
“Ga ergens anders spelen, stommerik, maar blijf bij ons superintelli’s uit de buurt!” gilt nummer één.
“Haha, moet je jou zien, hóé DOM kan iemand zijn om zo’n idioot prutskasteel te bouwen?” schampert nummer twee.
“WIJ bepalen hier wat er gebouwd wordt! En ook waar. Én waarom. JIJ moet gewoon lekker oprotten!” Nummer drie wijst priemend met zijn middelvingertje naar kleuter 4.

Jij bent dom

“Waarom dan?” waagt kleuter 4 – nog steeds kalm – te vragen. “Ik mag maken wat ik wil, wat ík goed vind. Deze zandbak is van iedereen, dus ik heb jullie toestemming helemaal niet nodig.”
“Jawel! Dat heb je wél. Jij mag hier niet zijn, want jij bent zó ontzettend giga dom!”
“Kun je misschien ook nog iets anders zeggen dan ‘dom’?” vraagt kleuter 4.
“Oh, ja hoor: jij stinkt! En je jankt de hele tijd.”
“Ik jank niet. Ik zeg gewoon zo nu en dan wat ik vind.”
“Há, maar je stinkt dus wel! Want dát ontken je niet. En jij vindt alleen maar rare dingen. Pas als jij doet en vindt, wat wij ook doen en vinden, dán mag je hier zitten en misschien zelfs nog iets zeggen.”
Ondertussen gaat het bombardement gewoon door.

bron: pixabay

Kleuter 4 bewaart stoïcijns de rust en reageert – ondanks alles wat haar naar ’t hoofd geslingerd wordt – niet meer. Kleuter 4 is namelijk al nét iets verstandiger dan de schreeuwertjes en weet, dat je andere dreinende, krijsende, tierende, wijzende en modder gooiende roeptoeterkleuters gewoon moet negeren. Een normale discussie is toch niet mogelijk. Wel alert blijven natuurlijk, maar niet meer reageren. Dan is de lol er vast gauw vanaf. Ze buigt zich weer over haar eigen werk.

Feet. Butt. No pain.

Helaas. Werkt niet. Nu gaan de pestkoppen helemaal over de rooie. Drie paar voeten, één reet. Echt pijn doet het niet. Het kriebelt een beetje. Watjes. Grinnikend draait ze zich om en kijkt, enigszins verbaasd, in drie inmiddels rood aangelopen, van haat verwrongen gezichten.

“Zal je leren, jij zeikwijf! Hysterisch mokkel! Leeghoofdig grietje! Emotioneel incontinente borderliner! Het is niet te geloven hoe iemand zó dom kan zijn. Luister, wij zéggen toch dat je DOM bent? Dan ben je het dus ook! Ga nou eens snel weg hier?!”

Stijlloos GeTrumpetter

Moment. Dat laatste is toch helemaal geen kleuterscheldpartij? Nee, dat is gewoon een zoveelste door-het-slijk-trek-actie van steeds weer dezelfde meute stijlloze scheldkoppen met schoolpleinmentaliteit. Volwassen kinderen die op zolderkamers achter laptops wegkwijnen en zich de socmed-vingers blauw typen, wegens gebrek aan echt léven. En aan enige doordachte, steekhoudende argumenten. Om het hardst schreeuwen en uitjouwen (daar is trouwens een nieuw werkwoord voor: ‘Trumpetteren’), dan bindt de rest met een beetje geluk wel in. Bij voldoende intimidatie houden ze misschien zelfs voorgoed hun klep. Hartstikke handig.

Schoolvoorbeeldje van ‘één op één’

Ook één op één willen kleuters nog wel eens hard gillen als ze denken dat ze hun virtuele achterban op die manier mee krijgen. Een – al dan niet vooropgezet en zo ja, in dat geval nog kinderachtiger – schoolvoorbeeld daarvan: de twee overgebleven metro-columnisten, die elkaar in de boksring troffen. De één zet zichzelf totaal te kakken door ongelooflijke arrogantie, badinerende opmerkingen, loze uitspraken en een argumentatie van niks. ‘IK heb mijn mening het éérst geschreven in ONZE krant en ik heb veel meer likes en retweets dan jij, dus jij mag mij daar – in ONZE krant – niet meer op aanspreken. Ga maar ergens anders heen, amateur!’

Qué? Wat is dat voor redenering? Juist! De ultieme kleuterargumentatie. Vertaald naar de zandbakpolitiek klinkt dat zo:
‘IK heb ’t eerst geschreeuwd, dus JIJ moet vanaf nu, hier in MIJN zandbak, je bek houwe. Want ik ben véél populairder en jij bent niks.’

Zo gaat dat. Maar: de één blijft door kalmte, openheid en alertheid nog steeds een goede columnist, de ander degradeert zichzelf tot een eeuwig hetzelfde liedje roeptoeterende jij-bakker. Hop, even flink afzeiken en uitschelden. Op de persoon, graag. Op de manier waarop dat bij iedereen gedaan wordt. Wiens opvatting niet bevalt. Wiens mening niet in ’t eigen straatje past. Want zulke meningen zíjn immers geen meningen, maar slechts uitermate ‘lastig en dom’. Toch?

Stelletje kleuters. Ga echte taarten bakken.
Grow up.

bron: pixabay


Deze blog is eerder verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Tóch een béétje bang. Mag dat?

Ik ben iemand die graag roept dat je je leven vooral niet door angst (voor aanslagen, ziektes, ongelukken) moet laten regeren. Als je overal bang voor bent en je huis bij wijze van spreken niet meer uitkomt, leef je niet meer. Je wacht enkel nog tot je uitgeademd bent. Immers, waarom heet het dan nog ‘een leven’ en niet gewoon ‘de wachtkamer voor de dood’?

Ik ga dus ook vol vertrouwen en zonder bedenkingen naar grote concerten en evenementen, stap dagelijks in mijn auto en regelmatig in het vliegtuig, eet niet bepaald als een gezondheidsgoeroe, geniet van een wijntje op een vol terras, loop zonder bedenken door Stockholm, London en Parijs (als het even kan).

Maar. Dat doe IK. Ik vrees niet voor mijn EIGEN leven. Wrong place, wrong time? So be it. Kan overal gebeuren en is iets van alle tijden. Leven is levensgevaarlijk en zo. Echter, als het op mijn kinderen aankomt, is het meteen een heel ander verhaal. Dan komt ogenblikkelijk het beschermingsinstinct om de hoek kijken. Is mijn kroost wel veilig? Als mijn dochter meer dan een uur lang niet te vinden is, terwijl ze al thuis had moeten zijn, flip ik. Als mijn zoon een week in Wenen is met school, vraag ik me elke dag meermaals af hoe het hem vergaat. Of hij wel oké is. Natuurlijk belt of appt hij niet; dat is niet cool. Dus blijf ik achter, met al mijn onzekerheid en negatieve fantasieën.

Bron: Lou Bartels

“Pas je op?”
“Doe je wel voorzichtig?”
“Wel goed insmeren hoor! Anders verbrand je.”
“Zou je dat nu wel doen? Lijkt me niet zo verstandig…”
Zinnen die ik regelmatig inslik en NIET zeg, omdat ik niet wil dat ze overbeschermd en -bemoederd – en dus niet zelfstandig – opgroeien. Mijn kinderen (11 en 14) zijn – naar mijn bescheiden moedermening – juist erg zelfstandig. Ze kunnen eten voor zichzelf maken, hele dagen en avonden alleen zijn (en toch hun huiswerk en eventuele opgedragen huishoudelijke taken voltooien), zelf op een schappelijke tijd naar bed gaan, 10 kilometer fietsen naar het zwembad (en ook weer terugkomen), hun zaakjes zelf regelen als het moet. Ze hebben een fatsoenlijk verantwoordelijkheidsgevoel, doen geen rare dingen, zijn (nog…) redelijk onbevattelijk voor groepsgedrag. Zélf beslissen kunnen ze ook prima. Dus wie ben ik om dan iets als ‘lijkt me niet zo verstandig’ te zeggen…

En tóch ben ik soms een beetje bang. Zo gaan ze binnenkort een week naar Londen. Zonder mij. Ja, naar dat Londen, dat steeds weer in de media opduikt wegens allerhande terroristische incidenten. Ik betrap mezelf erop, dat ik dat bij tijden tóch best ‘eng’ vind. En daar schaam ik me dan weer voor, want dat druist in tegen mijn eigen principes. Die principes van ‘laat je vooral niet bang maken door alles wat je in de media ziet, leest en hoort’.

Mijn favoriete ‘huisfilosoof’ Ron Jacobs stelt echter, dat het mag, dat ‘bang zijn’. Dat het zelfs juist goed is:
“Schouderophalend doorleven nadat iemand is ingereden op het winkelend publiek, is […] een naïef advies. Bovendien wordt het een janboel als iedereen zijn angsten wegstopt en niet meer toont. Wat als dit een collectief patroon wordt? Geen enkel beleid is dan mogelijk. Simpelweg omdat we niets meer van elkaar weten wanneer we elkaars angsten niet kennen.” (Opiniestuk Volkskrant 21 juni 2017)

Maar wat schiet je ermee op? Als ik jouw angsten ken en jij de mijne, kennen we elkaar dan werkelijk zoveel beter? Wordt de maatschappij er echt vrijer en een mindere ‘janboel’ van, als we allemaal breed uitmeten waar we zo ontzettend bang voor zijn? Ik betwijfel het. Daarom druk ik mijn angst om mijn kinderen toch maar de kop in. Ik wil mijn leven niet in bubble plastic leven. En ik wil ook niet dat zij dat moeten, omwille van mij.

Dus denk ik steevast: het zal wel goed gaan. Wat moet je anders?

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

I talked 2 Cleo!

Cleo is een machtig mooi mens. We volgen elkaar al vanaf de prille Twitterbegintijden. Cleo is ook de Dutch Podcast Queen: ze interviewt de meest diverse (Twitter)mensen en weet altijd hun bijzondere kanten op de voorgrond te plaatsen.

Interviewen is trouwens niet het juiste woord: ze kletst er gewoon op los en trekt haar gesprekspartner en passant mee. Spontaniteit en authenticiteit zijn dé vereisten voor een mooie en interessante conversatie.

Ik heb nu dus ook de eer gehad om ‘gepodcast’ te worden door Cleo. Ze heeft in haar tijd als podcast queen al met meer dan 170 mensen gesproken (ik was nummertje 173), waaronder ook heel veel Engelstaligen en relatief bekende personages. Toen ze mij in de Twitter-DM vroeg, was mijn directe wedervraag dan ook: “Why me?” Het antwoord verraste me (niet):
“Jij bent gek. Daarom!”
Ik beschouw het als een compliment. Het klopt ook. Niks fijners dan gek zijn, vooral online. En ik ben op ’t net niet anders dan in het echt. Trek hier uw conclusies en sluit aan in de rij.

Want: interessant genoeg wijkt de online identiteit, de perceived identity, vaak wel degelijk af van de realiteit in real life. Het ‘mooi-weer’-gedrag viert hoogtij. Onze Marga heeft het daar ook al een paar keer over gehad hier op HVD (hier en hier).

Je ware zelf laten zien, dus ook online zijn zoals je bent, is eng. De angst daarop afgerekend en veroordeeld te worden door wijzende familie en (ont)vriend(d)en is groot. En bij wat verdergaande uitgesproken meningen komen ook nog eens de grote blaat-en-janktanks der social media om de hoek piepen. Maar: in een intiem, persoonlijk gesprek kún je haast niet anders dan praten zoals je bent. Tenzij je goed kunt acteren. En dat kan ik niet.

Het verbaast me steeds weer dat derden je, ondanks dat ze je nog nooit een blik waardig hebben gegund, toch menen te kennen, pretenderen te weten hoe jij bent. En dat, terwijl ze in dezelfde zin – ja, in dezelfde ademtocht – duidelijk stellen dat ze je juist totaal níét kennen, zelfs niet eens wíllen kennen. (“Ik ken je niet, maar ik heb de indruk dat je […vul maar in…] bent” – van die zinnen). Vertel me, hoe kun je die indruk überhaupt krijgen als je nog nooit hebt gekeken naar wat diegene écht zegt of schrijft? Als je beweert absoluut niet geïnteresseerd te zijn in die persoon? Waarom dan wel gelijk een oordeel ad persona?

Daarom was ik blij met het podcast-gesprek van Cleo. Het was ontzettend leuk om ‘gewoon jezelf’ te kunnen zijn in een interview, dat helemaal geen interview is maar een open en eerlijke conversatie. Cleo weet je meteen op je gemak te stellen, is heel spontaan en extravert, vertelt zelf ook veel. Daarmee geeft ze haar gesprekspartner nieuwe mogelijkheden tot in- en aanhaken, tot verder vertellen, tot méér van jezelf laten zien. En zo kwam het gesprek als vanzelf op de liefde, op mijn nieuwe project *Klunst!*, op HoeVrouwenDenken, HoeKinderenDenken, mijn vertaal- en schrijfbedrijfje SoGraTex en mijn firma in München, maar ook op de personificatie van ongekookte aardappelen, moederdagverrassingen, Oostenrijk, drietaligheid, en mijn liefde voor auto’s en autorijden. Ik had nog véél meer te vertellen, maar dan zou het gesprek uren gaan duren en dat wil je je luisteraars niet aandoen.

Enfin. Wilt u niet alleen online lézen hoe ik ben, maar ’t ook eens een keer horen? Voilà:

Mag u daarna oordelen of uw indruk van mij een juiste was.

Dikke zoen voor Cleo!!


ook verschenen op HoeVrouwenDenken

“Ik WIL helemaal niet volwassen worden!”

Dochter (11) zit na schooltijd aan tafel. Ze staart bedremmeld voor zich uit. Het is overduidelijk dat er iets aan de hand is, dus ik vraag het ook maar meteen. Meestal werkt dat voor geen meter. Als ik vraag: “Wat is er, lieffie? Waarom kijk je zo zorgelijk?”, krijg ik steevast het antwoord: “Ach, niks. Laat maar even…” Nu dus ook. Maar in ieder geval weet zij nu dat ik aan haar kan zien dat er wél iets is.

Ik maak een kop koffie en ga bij haar aan de eettafel zitten. Doe mijn koffielepel vol melkschuim en hou die voor haar mond. Normaal gesproken hapt ze gelijk: vindt ze heerlijk. Nu niet.
“Zie! Er is écht wat! Ik wist het wel. Wil je het me echt niet zeggen? Je weet toch dat je mij alles kunt vertellen, hè?”
“Ja, weet ik. Maar ik heb het er gewoon liever even niet over.”

Oké. Dat wordt raden. Want als ik juist raad, kan ze niet ontkennen. Ik ken mijn dochter.
“Heb je op school voor het eerst een jongen gezoend?”
“Neeee zeg! Yuck!”
“Heb je per ongeluk iets kapot gemaakt of iets stoms vergeten?” Dochter lijkt erg op mij, dus deze dingen gebeuren met enige regelmaat.
“Nee, natuurlijk niet.”
Dan schiet me ineens ons gespreksthema van vorige week te binnen. Over ‘vrouw worden’ en zo.
“Zeg, ben je misschien ongesteld geworden?”
“…”

Ik grijns vertederd. Dát is het dus. Zo heb je het er ginnegappend over en zo is het al zo ver. Mijn kleine meiske heeft haar eerste menstruatie te pakken. En dat nog wel tijdens schooltijd, arm kind. Geen kleine meid meer. Niet langer mijn tuddeke. Ik knuffel haar. Er glinstert iets in de ooghoeken. De hare en de mijne.

bron: eigen foto (LB)

“Mijn onderbroek is vie-hie-hies…” Tranen.
“Kom, skattie, gaan we even naar de badkamer.” Ik pak haar hand en ze loopt – enigszins wijdbeens – met me mee.

Op ’t toilet frommelt ze de lappen wc-papier uit haar onderbroek. Goed gedaan meisje; aan oplossend vermogen geen gebrek.
“Ik had gym en ik wilde niet dat iemand het aan mijn legging zou kunnen zien…”
Ik trek de kast open waar het maandverband en de inlegkruisjes liggen. “Híér moet je wezen,” knipoog ik en laat haar zien hoe ’t werkt met de plakstrip. En waar de beste plakplek in de onderbroek is. En dat je je onderbroek vooral niet uit moet rekken tijdens het bevestigen, anders heb je een harmonica-ribbelverbandje tussen je benen en da’s niet fijn. En meer van dat soort praktische zaken.

bron: pixabay

“Nooit in de wc gooien hè! Altijd in de prullenbak. Anders heb ik straks een andere overstroming hier.”
“Jahaa… Ik ben niet gek. En hoe werkt dat dan met die trappers?” Ze wijst naar het pakje in de kast.
“Tampons, lieverd, tampons. Dat zijn een soort van dikke wattenstaafjes met een draadje eraan. Die duw je in je vagina. Als ie vol is, trek je hem er aan ’t draadje weer uit.”
“Ieuw. Die dingen hoef ik niet.”
“Nee, nu zeker nog niet. Dat komt later wel een keer. Ze zijn wel handig bij ’t sporten en zwemmen en zo. Maar voor nu is een maandverbandje prima.”
“Ik vind het niks, zo’n mini-luier in m’n broek. Maar het is beter dan toiletpapier.”
Stiekem denk ik: Joh, dit is niks. Straks, als je 45 bent, twee kinderen hebt gehad en met jodelende bekkenbodemspieren moet dealen, loop je tijdens het sporten regelmatig met incontinentie-verband in je broek. Dát zijn pas luiers…

Terug aan tafel zit ze bij mij op schoot te sippen.
“Lieverd, het is écht niks om je voor te schamen, hoor! Het is zelfs de normaalste zaak van de wereld. Ieder meisje wordt ongesteld als ze in de puberteit komt en volwassen wordt.”
“Ik WIL helemaal niet volwassen worden! Ik wil gewoon kind blijven.”
“Wel, je hebt nu weer een luier in je broek, dus dat zit vast wel goed met dat kind blijven.”
Ze grinnikt en slaat haar armen om mijn nek. Ik ben blij dat ze er nog een beetje om kan lachen.
“Weet je, dat gaat allemaal vanzelf, dat heb je niet in de hand. Het is in ieder geval heel geruststellend dat bij jou alles gewoon ‘in orde’ is. Stel je voor dat je helemáál niet ongesteld wordt, dan kun je heel waarschijnlijk ook nooit kinderen krijgen… Je bent vanaf nu vruchtbaar, dat weet je, hè?”
“Alsof ik ooit van mijn leven seks ga hebben. Mooi niet. Getver.”

En natuurlijk volgt daarop weer een giebelgesprek over jongens en seks, over zaadjes en eitjes. Het zoveelste gesprek, maar dat is juist goed. Ze moet weten waar ze aan toe is. Maar waar het mij vooral om gaat, is dat ze weet dat ze altijd naar me toe kan komen als ze vragen heeft, zich zorgen maakt of wil praten over voorbehoedsmiddelen. Anytime, anyplace, anywhere. Want ook al is ze nog maar 11 (en een half), ik wil dat ze weet dat ik echt niets gek vind.

Ze weet het. En tóch is er nog een restje onnodige schaamte.
“Ehm, mam, wil jij het alsjeblieft voor mij aan papa vertellen?”


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Gelukkig Kippetje

Avondeten. Zoonlief (14) vreet weer eens als een bootwerker en pakt het derde (flinke!) stuk gekruide kalkoen met lekker veel knoflook.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gromt dochter hem toe.
“Hou je erbuiten. Je bent m’n moeder niet,” bitst hij terug.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gooi ik er maar gelijk achteraan.
“Ja.”
Oh.

bron: commons.wikimedia.org (licence CC 2.0)

“Mam, vroeger was T. toch ooit een tijdje vegetariër?”
Jee, dat ze dat nog weet. Ze moet 6 geweest zijn of zo. Zoon was toen 9 en zat onder de ritalin. Een compleet verkeerde keuze destijds, hoewel het in het begin zo goed leek te gaan. Voor ons was het sowieso niet nodig (zoon is een geweldige, lieve, rustige en verstandige jongen), maar voor hem zelf wilden we álles proberen. Alles waardoor hij zich maar een beetje beter en vooral minder chaotisch, minder ‘anders’, meer geaccepteerd en minder verloren zou kunnen gaan voelen. Het werd helemaal niet beter, enkel slechter. Ook Strattera en Medikinet bleken geen uitkomst. Naast de nachtmerries, de lusteloosheid, de hartkloppingen, de gejaagdheid en de depressieve fases had hij ook nog eens totaal geen eetlust meer. Vel over been was hij. Na een jaar ‘proberen’ was het punt bereikt: weg met die rottige pillen.

“Ja, lieffie, klopt. T. wilde een tijd lang helemaal geen vlees eten. Door de ritalin vond hij alles vies, dus ook vlees. Daarnaast dacht hij ineens over álles na. En dus ook over waar ’t beest op zijn bord vandaan kwam. Als ik een gebraden kip op tafel zette, was het eerste wat hij bulderde: “Is dit wel een gelukkig kippetje geweest?” Als in bio-vrije-uitloop-kip. Daarop antwoordden wij dan natuurlijk bevestigend. En dan nóg at hij niks. Waar je al niet allemaal over nadenkt met die pillen…”

“Dat kwam helemaal niet door die pillen. Dat kwam door jullie,” mompelt zoon.
Die zag ik niet aankomen. Huh? Wij?
“Ja, jullie. Ik was toen weer eens ziek en jullie moesten allebei even weg, dus parkeerden jullie mij op de bank met één of andere suffe kinderuitzending op tv en legden vervolgens, zoals altijd, de afstandsbediening boven op de kast. Maar toen de serie afgelopen was, kwam er een documentaire. Over kippenfokkerijen. En ik had geen afstandsbediening en geen zin om van de bank af te komen, dus heb ik die hele docu afgekeken. Vanaf toen wilde ik geen ongelukkige kip meer eten.”
Aha. Oké dan. Daar kan ik me niets meer van herinneren.

“Nou, eh, deze kalkoen was echt een hele gelukkige bio-kalkoen, hoor!” stotter ik.
“Kan mij ’t bommen. Als ie maar lekker is. En dat is ie.”

Zoon begint aan zijn vierde stuk. Opdat hij maar een potige kerel mag worden.
Hij is in ieder geval goed op weg, mijn nu prima in zijn vel zittende, gelukkige haantje.
Zónder ritalin & co, welteverstaan.

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl