Vluchteling in de bus

Dochter (10) komt ’s middags met de schoolbus naar huis. Ze knalt de deur dicht, smijt haar tas in de hoek en roept meteen: “Mam! Weet je wat? Vandaag zat er een vluchteling in de bus! En IK zat naast hem!!”

Tja, dat kan gebeuren: nog geen vijfhonderd meter verderop is een net gerenoveerd hotel annex restaurant met nog veel vrije kamers en gastenappartementen in no time omgetoverd tot een opvanghuis annex AZC voor de vóór de Duitse grens gestrande vluchtelingen. Inmiddels zitten er een stuk of vijftig, waarvan circa tien kinderen bij dochter op school zitten. Ze wonen daar heel erg mooi, met een zwemmeertje [‘oh jee…’ dacht ik. (vergeef me)], een prachtig beekje [meer oh jee’s misschien?], een speelplaats met leuke wipwappen en bungeltoestellen en alle benodigde faciliteiten tot hun beschikking. Een persoonlijk initiatief van de hotelier met (financiële en psychische) ondersteuning van de lokale Diakonie. Zelfs een eigen bus is inmiddels geregeld om te voorkomen dat de oorlogsvluchtelingen ter plekke in een isolement raken; er rijdt daar [‘in deze negorij hier’ denk ik dan (vergeef me opnieuw)] immers geen ‘normale’ busdienst. En misschien worden het er binnenkort wel honderd, maar tot nu toe heb ik nog helemaal niets van ze gemerkt [ja, ik hoor ’t u vragen: “móet dat dan?” Nee.]. Niets gezien; geen incidenten, geen bedreigde vrouwen, geen inbraken, geen vechtpartijen, geen iPhones, geen overlast, he-le-maal niets. Tot vandaag.

Dochter vertelt honderduit over haar ‘dispuutje’ met ‘de vluchteling in de bus’. Een jochie van een jaar of acht.
“We hebben van die enkele en dubbele zitplaatsen in de bus, maar hij ging dus op een dubbele zitten en ik ben gewoon maar eens naast hem gaan zitten want hij zag er best heel interessant uit.” Helemaal goed, schatje. Geen xenofobische trekjes in ieder geval.

Maar het geijkte obstakel doemde klaarblijkelijk al snel op: ’t jochie sprak geen woord Duits en dochter helaas geen Syrisch (of was het toch Ghanees?). Het mocht niet deren: als dochter wil communiceren, wordt er gecommuniceerd. Punt. Het jochie schoof wat op en trok vervolgens zijn voeten in kleermakerszit onder zich op het zitvlak de stoel.

“Ja, en dát, mam, DAT kon dus écht niet hè!! Hij had vreselijk gore schoenen aan, vol met modder! [‘van het rondploeteren in dat zwemmeertje??’ denk ik dan. (Vergeef mij nog maar eens een keer…)] En sowieso mag je in de bus niet met je vieze schoenen op de zitting. Dat mag thuis toch ook niet? Van Harry [=de buschauffeur] mag dat dus al helemáál niet niet! Maar die zag dat niet want die moest rijden en hij was aan het telefoneren en zijn sigaret aan het maken tegelijk, en…” Dochter kakelt aan één stuk door. Ik smeer een boterham, aanhoor haar en denk enkel: “Morgen eens even een woordje met die Harry wisselen over telefoons en sigaretjes-rollen tijdens het rijden.”

“…dus zeg ik tegen hem: ‘Hé jij, vluchtelingenjongetje! Dat mag niet van Harry, hoor!’ Nou, hij keek me toch een potje raar aan… Toen wist ik het: hij verstónd me helemaal niet! Dus deed ik mijn voeten óók heel even onder me op de stoel en toen wees ik ernaar, keek hem hartstikke boos aan en schudde heel hard m’n hoofd en wijsvinger voor z’n neus. Toen zette ik mijn voeten weer op de grond, wees ernaar en knikte lachend naar hem. Mét duim omhoog. En weet je wat, mam? MET DIE DUIM HIJ SNAPTE HET INEENS!!! Hij deed meteen z’n voeten omlaag. Hij keek me héél even weer zo raar vragend aan maar ik knikte blij, zo van ‘ja jochie, zo is ’t goed’. Toen lachte hij zelfs naar me! Lief hè? Ik vond ‘m echt heel aardig. En hij heeft hele mooie tanden! Maar weet je, als je een vluchteling gewoon zégt – nou ja, zoiets van zeggen dan hè, dat snap je wel – wat er hier allemaal niet mag, dan doen ze dat dus ook niet meer! Ze wéten het alleen niet, want bij hun thuis was dat anders. Dus je moet het ze zéggen! Én je duim omhoog doen. Tof hè?”

Afijn. Samenvatting niet nodig, lijkt me.

_______________________________________

WAARSCHUWING n.a.v. een posting van Tiny S. op FB: Wees voorzichtig met die duim!! Misinterpretatie is mogelijk 🙂 Tiny schrijft: “Een duim omhoog is een veilig positief gebaar, zolang je niet in Latijns-Amerika, West-Afrika, Griekenland, Rusland of in het Midden-Oosten bent. Daar betekent een duim omhoog ongeveer hetzelfde als een middelvinger hier. Volgende keer dus eerst even goed nadenken wie je op Facebook een ‘like’ met een duimpje omhoog geeft.” 

En een kleine aanvulling m.b.t. de context van dit blogje: Hier (dat is dus in Oostenrijk en dan vooral in het deel waar ik woon), zijn erg weinig (lees: praktisch geen) buitenlanders. Anders getinte mensen – ik weet niet hoe ik het anders kan/mag omschrijven -kom je hier nauwelijks tegen. Op de school met pak-em-beet 220 leerlingen zaten tot voor kort welgeteld 3 kinderen die niet Oostenrijks-katholiek zijn: een Jehova’s getuige, een Turks jongetje en een ‘ongelovige’ (=dochter). Een vluchteling is dus daadwerkelijk een exoot hier, en daarom ‘interessant’; men ként het (ze) gewoon niet. Misschien is dit ook de reden voor de grotendeels afwezige agressie tegen en/of allergie voor alles wat met vluchtelingen/asielzoekers te maken heeft. Dochter was in dit geheel enkel onbevangen, niet vooringenomen en open voor ‘nieuwe aapjes’ (zoals het op facebook genoemd werd). Dit blog is niet denigrerend bedoeld, het is enkel een anekdote in genoemde context.

Lezen en schrijven = dood

Oh en tekenen. Vooral tekenen. Dat = óók dood. Dus vooral geen satirische cartoons in de reacties a.u.b.

Hè verdorie. Juist die dingen die ik het liefst doe. Ja ja, als je éven niet oplet wat je tekent of schrijft – of eigenlijk juist wel – zijn activiteiten als deze werkelijk “levensgevaarlijk”. Dat is vandaag wel weer gebleken. Maar is dat echt wel zo? Natuurlijk, wat er vandaag in Parijs gebeurd is, maakte mij aanvankelijk ook bang. Heel bang. Je gaat toch automatisch denken: “oh jeminee, stel je voor dat ik morgen langs de redactie van één of ander satirisch magazine loop en dan ineens overhoop geschoten word…” Of: “ik ga niet meer met de metro hoor, de aanslagen zijn vanaf nu niet meer van de lucht…”

Bij nader inzien is die angst dus behoorlijk overtrokken: de kans is namelijk verrekte klein. De kans dat een geschifte spookrijder je op je dagelijkse rit op de autosnelweg moedwillig dood rijdt, is vele malen groter. Maar niemand die bang is, als ie de oprit morgenochtend weer op scheurt. De kans dat je dood gaat aan een enge ziekte, bijvoorbeeld als gevolg van roken, is nóg veel groter. Maar toch wordt de volgende sigaret bedenkingsloos weer opgestoken. De kans dat je op je ochtendwandeling door de gekke, maar de jou tot nu toe onbekende buurman te grazen wordt genomen (en al dan niet achttien jaar lang in zijn speelkelder met bunkerdeur wordt opgesloten), is waarschijnlijk óók groter. En vroeger (een paar eeuwen terug, hè) was de kans dat je als heidense heks of ongelovige Thomas op de brandstapel van een of andere enthousiaste Spaanse inquisiteur belandde, helemáál levensgroot.

Ja, mijn reactie was dezelfde als die van vele anderen vandaag. Jezus, waar moet dit heen... Oh shit, Jezus kan niet. Jantje, waar moet dit heen… Wat een wereld, wat een wereld. Deze is kapot, ik wil een nieuwe. En zo. Maar een relativerend gesprek met mijn lief liet me de dingen dan toch wel weer enigszins in perspectief zien. De overtrokken reacties, de haat en de fobieën die mensen in de media tentoonspreiden, zijn vele malen angstaanjagender…

Een (franse) antisemitische reactie van @RedaCteurr op Twitter (vertaald): “ik hoop dat de agenten Joden waren. #CharlieHebdo #headshots
Een plaatje op facebook dat als een lopend vuurtje rond gaat, daarop een doodshoofd en de woorden ‘Ban Islam‘.
Mensen die heel hard roepen, vooral niet bang te zijn. Not afraid! Not afraid!! Maar ondertussen…

De wederzijdse haat is inmiddels bijna tastbaar. Duizenden voorbeelden. Social Media to the max. Dit is dé beloning voor de terroristen van vandaag. Het is weer gelukt. De splinter is weer een stukje verder in de open wond der angst geduwd. De wig, die oh zo nodig is voor de ‘gerechtvaardigde’ Jihad-voering, weer een stuk harder tussen de fronten der samenleving gedrukt. Oorlogsverklaringen. Olie op het toch al aangewakkerde vuur van Wilders en Nanninga (Jalta), van Le Pen en consorten. Wilders, ja DIE mag pas echt bang zijn voor een aanslag na vandaag.

Oorlog is business. Oorlog is economische groei. Wapenleveranciers knijpen weer vergenoegd in hun handjes. De beurzen mekkeren even, maar dan gaat het uiteindelijk ook bergopwaarts. Die ouwe Rothschilds en Rockefellers kijken goedkeurend vanaf hun wolkjes toe (oh wacht, wolkjes? Mijn hemel…). Praktisch alle oorlogen ontspruiten uit religieuze of extremistische overtuigingen. Deze ‘oorlog’ ook. In naam van het geloof worden nog steeds de meeste mensen vermoord. Ban Islam? Ban religie…

Ik blijf religie als zodanig dan ook iets engs vinden (mijn mening hoor, please don’t shoot me!). Op de zevende dag schiep de mens een god. Of gelijk een dozijn goden. En profeten, niet te vergeten. En die hebben natuurlijk altijd (ALTIJD!!) gelijk. Een god is mijn ogen enkel hét perfecte excuus voor foute daden, een fantastisch iets om dingen te verklaren waar men bang voor of onzeker over is en vooral een hoopgever voor het ‘niets’ na de dood. Het universum breidt zich nog steeds uit. Waarheen? Juist. Naar het niets. Wat was er dan überhaupt daar, waar voorheen het universum nog niet was? Juist. Niets! En dat Niets noemen we dan ook maar god. Het concept niets is inderdaad moeilijk te bevatten: hoe kan iets daarheen groeien, waar voorheen niets was? Het woord ‘geloof’ zegt het al: het is enkel geloof. Het verschil tussen dingen weten en dingen geloven is het verschil wat zovele extremisten angstaanjagend maakt: de al dan niet foute interpretatie van één of ander vaag boek, zij het de Koran, zij het de Bijbel of welk menselijk nevelachtig schrijfsel dan ook, laat zulke mensen de ruimte om te geloven dat ze het zeker weten. Nou, is dat niet extreem ‘eng’?

[Aanvulling 08-01-2015: Ik wil niemand zijn of haar geloof ‘ontnemen’. De meeste mensen belijden hun geloof of overtuiging volledig vreedzaam. Alles wat goed doet, is goed. Ik ken veel gelovigen, van islamiet tot jehova’s getuige, van katholiek tot jood. Allemaal prima mensen die mij als totaal niet-gelovige ook in mijn waarde laten, zoals ik hun in hun waarde laat. Ieder zijn of haar ding. Mijn hierboven beschreven rotgevoel wordt enkel door de extremistische vormen gegenereerd. Laat men elkaar met rust v.w.b. waarde, geloof en overtuiging, is er niks aan de hand. Maar laat het nou juist daar duidelijk aan schorten. Wat is dan nog verdraagzaamheid…]

As said. Mijn mening. Mag ik hebben. Nog steeds. Laten we ons niet gek maken, we zijn het toch al lang. Doe mij maar een bloedige vampierfilm. Dat is vrediger: doelgerichte doodslag met een duidelijk rechtvaardigende reden. Je moet toch íets eten hè.

Anders ga je dood.

#reallife

Huilen mag.

Ik zou niks moeten zeggen. Stil en berustend moeten wachten tot ook deze storm weer overwaait. Maar ik kan het niet laten. De openlijke agressie maakt me bang. De agressie, die mensen tentoonspreiden naar aanleiding van een simpel stukje tekst. Je kunt het ermee eens zijn of niet. Je mag het belachelijk vinden en dat uiten. Je mag er natuurlijk kwaad om worden. Je mag te allen tijde je gal spuwen over de inhoud en de – in jouw ogen – minderwaardige kwaliteit van het stuk. Je mag woest worden over volgens jou niet kloppende ‘feiten’ en proberen een discussie aan te gaan met argumenten. Allemaal prima. Zo gaat en hoort dat in de hedendaagse samenleving. Let it all out.

Maar de realiteit is zo schrikbarend… Het blijft namelijk niet bij discussiëren of argumenteren Het blijft niet bij simpele, al dan niet getemperde woede en onenigheidsuitingen. Schrijf je vandaag de dag een tekst over een gevoelig onderwerp (abortus? De doodstraf? Feminisme? Terrorisme? Ik noem maar wat hoor!), over een penibel persoon (Zwarte Piet?) of een op zijn minst dubieuze groepering (euh… Hooligans? ISIS? Nee, laten we voor de zekerheid maar even iets rustigers als de Hell’s Angels of de Japanse Maffia nemen), kun je ervan uitgaan dat je de komende weken minstens acht keer per dag hartstikke deaud (DOOOOOOD!!!) moet. Dat je een vette NSB-er bent. Dat je de kankerteringtyfus moet krijgen, je moeder een kk-k*thoer is (en je oma natuurlijk ook), dat ze écht wel weten waar jouw huis woont en je binnenkort een kogel door je kop gaat krijgen. Je mag hard hopen dat je niemand van de aanhangers tegen zult komen want dan kun je voortaan vanaf een wolkje op hunne koppen spugen. Men (ver)vloekt, tiert en bedreigt, men wenst de langzame dood, hels verderf en eeuwige verdoemenis. De brandstapel is uit; men komt je wel eigenhandig de nek omdraaien met een meegebrachte bankschroef. Dat alles in bewoordingen die je ogen doen bloeden, om het maar even niet over het Nederlands taalgebruik als zodanig te hebben.

Ik vind het eng. Zijn dit echt mensen die in onze samenleving ‘functioneren’? Waarom wordt er dermate overtrokken gereageerd op een stuk tekst, waarin een overduidelijke problematiek kort en pregnant belicht wordt, in combinatie met een aantal op het moment van schrijven nog geldende feiten? Waarom is men door een summiere column (een column nota bene!! geen journalistieke tekst!) zó zeer op de gevoelige pik getrapt? Misschien omdat het onderhuids toch jeukt dat er een kern van waarheid in steekt? Omdat er wel degelijk een probleem is, wat men – read no evil, see no evil – liever niet wil erkennen? Of omdat men bij een eenvoudig “Oh, maar zó ben ik niet, wat een lulkoek en wat jij roept, is stierenpoep” geen genoegdoening meer voelt? Al deze mateloos overtrokken agressie laat alleen maar zien dat de tekst tóch een heel gevoelige plek raakt bij de betreffende groep. Een groep waarvan het gros duidelijk niet (meer) over normale meningsuitingscapaciteiten beschikt. De laagbijdegrondse bewoordingen en de ongenuanceerde uitbarstingen laten enkel zien dat de heersende vooroordelen over de meute in kwestie helemaal geen vooroordelen zijn: ze kloppen gewoon…

Met openlijke bedreigingen en iemand dood wensen kom je helemaal nergens.

Hooguit voor de rechter.

Huilen mag.

(Moet ik nu ook dood?)

Relativiteit in theorie

“Alles is relatief!” Te pas en te onpas wordt het geroepen. Te gemakkelijk om moeilijke aangelegenheden steeds opnieuw te reduceren tot minimale issues. Je leeft maar één keer, toch? En die ene keer moet je er dan maar uit halen, wat er in zit. Maar wát zit er dan in vredesnaam in? En hoe weet je wáár het zit, zodat je het er ook uit kunt halen?

Je ligt in het ziekenhuis voor een kleine standaardoperatie. Je hebt pijn; de operatie is niet helemaal verlopen zoals het zou moeten. Thuis ligt er een zo mogelijk nóg grotere berg zorgen op je te wachten. Je weet eigenlijk niet eens hoe je leven verder zou moeten, overziet het niet meer. Onmogelijke keuzes. Grote verantwoordelijkheden. Rationaliteit moet per definitie overheersen, de wanhoop de kop ingedrukt. De pijn blijft. Wie biedt er nou meer ellende?

Naast je in de ziekenhuiskamer ligt nog een mens. Haar leven doorspekt van ziekte, verlies, verdriet, dood. Haar broer en twee zussen begroetten elkaar al lang in het hiernamaals. Een dappere, oude vrouw met existentiële angsten. Haar volwassen kinderen kijken naar haar, door goed gespeelde zorgen verscheurd. De kleinkinderen drukken oma uit plichtsbesef even tegen zich aan om vervolgens op de grond te gaan zitten wachten tot ze ein-de-lijk weer naar huis mogen. Oma kijkt het met lede ogen aan. Waarom zijn ze hier? Omdat het moet? Van haar hoeft het niet. Lijden kan ze zo veel beter in haar eentje.

Je kijkt naar de drie kleine sneetjes in je buik terwijl de verpleegster de pleisters vervangt en een nieuwe dosis pijnstillers op het infuus aansluit. Drie schone gleufjes van een centimeter. Morgen mag je vast naar huis. Een blik naar de buurvrouw. Het obligatoire privacy-gordijn ontbreekt in deze kamer. Haar wonden worden open en bloot verzorgd. Lappen huid van tien bij twintig centimeter ontbreken, afgedekt door smoezelig gaas, de rafelige wondranden compleet zwart. Op haar benen en in haar liezen is het een slagveld, overal waar de kanker uitgezaaid en weer weggesneden is. Etter en pus waar je kijkt. Een onderbroek kan ze al sinds maanden niet meer dragen. Langzaamaan vergezellen steeds grotere plekken van het doorliggen de melanomen die haar langzaam opvreten. Je hoort haar onderdrukt kreunen van de pijn. Niemand mag horen hoe erg ze in werkelijkheid lijdt…

Het móet beter worden. Het leven kán hier niet ophouden want dan gaat de boerderij er aan onderdoor. Wat moet dat worden, met alle varkens en achtendertig koeien als zij er niet meer is? Wie verzorgt de katten en de kippen? Maar ze weet het zelf ook. Rationeel gezien valt er voor haar niks meer uit te halen, uit dit leven. Op naar een volgend. Ze kijkt nog eens op naar haar kleinkinderen en tekent trillend de overdrachtsverklaring. Dat is pas rationaliteit. Ratio zonder keuzemogelijkheden. Ze sluit haar ogen en ademt langzaam uit. Hoe vaak zal ze dat nog mogen doen?

Ja. Alles is relatief.

 

Buikgevoel

Ze steunt zachtjes. De wond op haar been heeft dikke zwarte rouwranden. Wat bloederige korsten groeien door het gaas van transplantatiehuid heen. Op haar dij mist ze twee afgeschaafde lappen, felrode banen die pijn doen aan je ogen. Miep (eigenlijk heet ze Elfriede maar Miep vind ik beter passen) heeft huidkanker. Die van het ergste soort. ‘De Zwarte’, zoals ze het zelf noemt. Het type kanker dat zich ook gelijk in je lymfeklieren nestelt en van daaruit de rest van je opvreet.

Miep snurkt ’s nachts. Snoeihard. De uit haar liezen verwijderde lymfeklieren maken op de buik of de zij slapen onmogelijk en op haar rug heeft ze helaas geen controle over haar tong. Miep verontschuldigt zich en ik heb maar oordopjes gevraagd. Kleine moeite, meer rust voor allebei.

Na een dag redelijke stilte komen Miep en ik nader tot elkaar. Ze vraagt of ik haar wel versta, met haar sterke dialect. Ik stel haar gerust: ze kan voor haar begrippen ‘normaal’ praten, ik snap het wel. Ik kan alleen nog steeds niet toekijken hoe haar ontstoken wonden verzorgd worden maar ik hoor haar luid lijden. Miep heeft vijf jaar geleden al kanker gehad. Darmkanker. Veertig centimeter dikke darm mist ze nu, maar met alle chemo’s is ze twee maand geleden dan toch ‘genezen’ verklaard. En toen viel ze van de trap, bezeerde haar been op de plek waar enkel een vermeende spatader zat. Alleen kwam die spatader door de val ineens naar buiten en bleek een tumor te zijn.
“Da Krebs is a Hund,” mompelt ze zonder enige verbittering. En dat is ie.

Maar ze had het ook wel kunnen verwachten, zegt ze. Haar moeder had het ook. Het vele buitenwerk op de boerderij maakt van rare plekjes nu eenmaal zwarte kanker. Haar ene zus had eveneens darmkanker, die is al lang dood. Op haar zesenveertigste. Miep’s broer had prostaatkanker maar kreeg een hartaanval dus die heeft niet lang geleden.

“Is toch een mooie dood,” zegt ze. Gewoon omvallen en niks meer merken. Ja, zo zou iedereen dood moeten gaan. Haar nicht deed dat ook al zo mooi: die stond bij de kassa af te rekenen en zakte ineens in elkaar. “Poefff, weg,” zegt Miep terwijl ze demonstratief met haar vingers knipt. Zo hoort dat. Maar Miep moet eerst nog weer opkrabbelen want de koeien, de man en de katten wachten thuis op haar. En ze is nog maar éénenzestig hè! Te jong om nu al te stoppen met lijden.

Ik nestel me weer in mijn ziekenhuisbed en aanhoor mijn luid brommende en borrelende, vers geopereerde buik. Die probeert me overduidelijk iets te vertellen. Moet ik er dan toch maar naar luisteren?

 

Even scannen a.u.b.

Een grote bobbel. Dat is wat ik merkte, een week of anderhalf geleden. Ik legde mijn handen op mijn buik, op de onderste ribben en voelde een behoorlijke asymmetrie. Links een soort van derde, tepelloze borst, rechts gewoon ‘plat’ (voor zover plat bij mij mogelijk is) en dacht: ‘What the f….???’ en daarna niks meer, alweer vergeten. Ik blondie kan dat.

Maar de bobbel bleef en viel zelfs mijn man ineens op. Gisteren dus een eerste  poging tot betasting door de huisarts ondernomen. Helaas: die bleek op vakantie. Doorgereden naar een mogelijk vervangende arts maar die had geen praktijk op donderdagen. Nou dan niet! Bekijk het maar. Zal wel loslopen.

Vandaag heb ik toch maar een nieuwe poging gedaan: een derde lokale arts. Een internist. Om tien voor half acht was ik er al. De wachtkamer was een paradijs voor mensenkijkers. SMS-ende punkers, dames met hondjes in tassen, een peuter die de boel systematisch afbreekt, überzielige pubers met dramatranen in de ogen en een lachend levensverhalen mompelende man met Down. Een uurtje of anderhalf wachten en hoppaaa, ik ben al aan de beurt.

De huisarts drukt eens op de bobbel. Auw man! Het enige wat hij zegt is: ‘hmm’. En nog een keer. ‘Hmm’. Ik kijk hem bedenkelijk en sterk afwachtend aan.
‘Uw onderste rib is gebroken. Een pathologische breuk.’
Nu kijk ik meer dan bedremmeld. Hoe is dat mogelijk?? Ik heb niets raars gedaan, geen ongeluk gehad, niemand heeft mij mishandeld (voor zover ik me kan herinneren), ik heb mezelf niet eens naar behoren op de borst geslagen de laatste tijd.
‘De meest voorkomende oorzaak bij jonge [oh Danke, Herr Doktor!] mensen als u is een gezwel onder het bot.”
BAM. Uit het lood geslagen. Fijn hoor, zo’n eerlijke edoch tactvolle dokter.
‘U moet nu naar de radiologie in Linz. Dit moet wel gecheckt worden.’
‘Kan dat eventueel ook anderhalve week wachten? Ik heb nu erg weinig tijd…’
‘Nee. U moet nu gaan.’
De dringendheid waarmee hij dat zegt, is voldoende. Met een verwijsbrief en een kloppend hart van de schrik scheur ik naar de radiologische praktijk in de stad.

Weer een wachtkamer. En meer wachten. Een klein kwartier later ben ik al aan de beurt. Een propperige, gezette dame met jampotglazen duwt me met nogal harde hand op het verticale röntgenplateau, derde borst tegen de witte plaat.
‘En nu diep inademen en niet meer uitademen!’ Alweer auw…
‘Omdraaien tot ik stop zeg, dan weer inademen en NIET uitademen!’
Ben ik even blij dat ik tussendoor toch stiekem nog wat uitgeademd heb, anders had ik nu niet eens meer in kunnen ademen voor Tante Pollewop. Duwen, sjorren, nog een keer duwen. Zij zegt ook ‘hmm’ en haalt de opperradioloog erbij. Het zweet breekt me uit. Sta je dan, halfnaakt en klotsend tegen zo’n witte plaat op te rijen. Ik weet leukere hobby’s.

‘Ik kan het niet goed zien, de foto’s moeten later nog beoordeeld worden. Ik moet nu eerst even een echo maken’, aldus de radioloog. Ik ga op het met papier bekleede brancard liggen en oogst daarvoor meteen een klodder koude gel op mijn buik. Met de scankop drukt hij hard op de abnormale plek. Ik kan het woord ‘hmm’ inmiddels niet meer horen en vraag zonder omwegen of hij nu wat ziet of niet, en zo ja, wat.
‘Een breuk, ja. Verder niets. Raar hoor.’
Alsof hij er graag van alles had zien zitten en nu bijna een beetje teleurgesteld is. Jammer zeg, wéér geen drama vandaag… Ik  hoor het hem denken en vraag nog een keer voor alle duidelijkheid of ik me nu echt geen zorgen meer hoef te maken. Hoef ik voorlopig niet. Ja die breuk, dat is raar. Ontzien. Geen al te wilde dingen doen, niet boksen, niet bungeejumpen. Oh jee… dat wordt afkicken de komende weken. De rest lijkt oké, maar ik moet nog wel even de uitslag van de röntgenfoto’s afwachten voor het uiteindelijke ‘O.K.’ Die komen volgende week met de post. Wat een opluchting. Om tien uur ben ik weer thuis en plof met een kop koffie op de loungebank op het terras.

Na een emotioneel rondje scannen nu dan  de rest van de oorspronkelijke plannen…

Gazellifant

Met mijn olifantenpoten ren ik hard. Nog harder om alles toch maar in te halen. Hier en daar een porseleinen kopje vertrappend, draaf ik nog steeds blind voort. Over de droge savanne vol met noodlotten en de woeste steppe van incomplete conclusies. Geen idee waar te beginnen, niet eens een hint over waar als eerste te stoppen om de armen te spreiden. Dus ren ik maar verder. Als ik blijf staan, zinken mijn grote, stampende poten weg in de uit andermans ongeluk en mijn eigen machteloosheid bestaande blubber.

Slopende ziektes waar ik nooit weet van had tot ze ongeneeslijk werden. Andermans innerlijke worstelingen waarvan ik me bewust was maar die ondergingen in de myriaden van mijn eigen gedachten. Zware operaties die al voorbij waren voor ik op tijd ‘nog heel veel sterkte’ kon wensen. Verjaardagen die ik om twee voor twaalf bijna had vergeten. Zorgen die geuit werden maar die door extreme externe filtering voor mijn oren weg werden gerukt. Knuffels die in mid-air bleven hangen…

En dus loop ik zo snel mogelijk door.gazellifant
Niks ziend, allenig, nadenkelijk.
Geconcentreerd op iedere pas.
Blijf vooral draven…
Hup hup, achter die feiten aan.
Ze zullen altijd sneller zijn dan ik.
Was ik maar een gazelle…