Retraite

20140527_175512-1Het balkon van een vakantiewoning in een minuscuul plaatsje waar 99,99% van de wereldbevolking nog nooit van gehoord heeft. ‘Brede bron’, zo heet het gehucht vertaald. Een brede bron van wat? Inspiratie? Verlichting? Gemoedsrust? Beslissingen? Niets van dat alles. En hoe breed kan een bron überhaupt zijn?

20140527_14657Op dat balkon zit ik. Naast me op tafel mijn gedachteboekje en mijn schetsblok, een paar potloden, een glas wijn. Mijn telefoon mag hier weer puur telefoon zijn, want 3G of wifi bestaat in deze uithoek nog niet. Een deken over mijn benen en wat taai geworden ovenchips. Daar moet ik het mee doen. Maar is het voldoende om ’t leven weer op orde te denken?


Doelloos schets ik de haven met wat bootjes. Schrijf een tiental opzetten voor artikelen, blogs, gedichten en gedachtes op. Ik drink de fles in mijn uppie leeg en denk uit zelfbescherming maar niet meer al te veel verder.

20140527_143237-1Wat dóe ik hier? Ja, officieel ben ik in retraite.
“Denk maar eens goed na over waar je in vredesnaam allemaal mee bezig bent!” Die overbodige raad kreeg ik mee.

Geen internet, geen mensen om me heen, wandelingen langs de waterkant. Bibberend kiekjes maken van blauwe bierflessen en kinderslippers op het zand van een slordig opgespoten strand. Assepoester grijnst vanaf het voetbed naar mij. Het ziet eruit alsof de flipflops daar opzettelijk neergezet zijn, zo mooi in de pas staan ze. Uitgeglipt tijdens het wegrennen.

20140527_142856-1


Mijn momentele leven is een grote chaos en daar veranderen een paar dagen aan een miezerig meertje in de Duitse rimboe ook niets aan. Mentaal hard door blijven rennen, dat zal de enige remedie zijn. Ook al raak ik dan misschien zelf in de slip.

Tussen de keien aan de oever staat een lege PET-fles. Oók al zo zorgvuldig geplaatst. Het lijkt wel of iedereen hier alle rotzooi ordelijk neerzet om het vervolgens nutteloos en vervuilend achter te laten. Niet meer naar omkijken. Misschien moet ik dat dan ook doen.

Ik werp weemoedig een blik op mijn oude biker boots. Kapotte ritsen, rafelige randen, gescheurde zolen. Als ik al geen afstand kan doen van een paar versleten laarzen, hoe moet dat dan met de rest van mijn puinhoop?20140527_143642


Vannacht slaap ik weer in het onderste deel van het stapelbed op de kinderkamer. Om het de krakkemikkige verhuurster makkelijker te maken; slechts één bed verschonen is altijd nog beter dan twee. Maar ook omdat ik het luxe tweepersoonsbed sowieso niet aan durf te raken.

Bij de buren denderen de rolluiken omlaag. Totaal ongepast in deze setting. De belletjes aan de masten van de boten rinkelen als die van heftig grazende bergschapen. Dat past beter.


Een bries over het water. Krekels. Véél krekels. En eenden. Geen autogeronk. Geen mensenstemmen. Geen indrukken meer, enkel nog verloren afdrukken. De stilte gromt als een motorzaag in mijn oren. Misschien is totale eenzaamheid het enig werkzame dieet voor een volgevreten ziel.

Ik trek de deken nog dichter om me heen.

Eigenlijk is ’t niet eens zo koud.
Maar het is zó ontzettend koud.

20140527_175103

 


Deze tekst schreef ik meer dan 2,5 jaar geleden in mijn gedachteboekje.
Inmiddels heb ik het weer een heel stuk warmer en mijn laarzen op laten knappen.
Zo goed als nieuw.

Opgeven mag

Wezenloos staart hij uit het raam. Het ongenadig harde hout van de keukenstoel voelt hij tot diep in de broze botten van zijn zitvlak. Een paar uitgebluste en eindeloos vermoeide ogen kijkt langs de flats naar het donkergrijze water in de verte. Hij steunt met beide handen en kin op het handvat van zijn stok. Er glinstert vocht in zijn ogen. Alles is zinloos. Grauw. Eenzaam. Niets is het nog waard om voor door te gaan. Hij slaat zijn blik neer en perst de weerbarstige tranen uit zijn ooghoeken. Ze vloeien samen onder zijn neus. Een zilte smaak op zijn droge lippen.

Ze was de liefde van zijn leven, zijn hele leven lang. Haar ogen waren altijd de mooiste, de diepste en meest liefdevolle gebleven, zelfs toen ze langzaam maar zeker uitdoofden. Tranen van vreugde moesten de laatste jaren steeds vaker plaats maken voor tranen van pijn. En wanhoop. Toch bleef daar die glans. De glinstering en de fierheid van haar levenswil, die nooit door steeds dieper wordende rimpels en bovenlipgroefjes overschaduwd werd, weerspiegeld in haar lach. In al haar uren van lijden was ze onvermoeibaar moedig gebleven. Sterk. Positief. En de zijne. Maar ze had oneindig geleden. En alleen hij wist hoe zeer…

Ook nu kan hij zich de vibraties van haar zachte, diepe maar steeds zwakker wordende stem weer exact voor de geest te halen. Haar fluisterende, warme ademzuchten in zijn gehoorgang. Haar rozige geur, halsstarrig verankerd in zijn neusharen. 

Een glimpje zon valt op zijn knokige vingers. Maar in zijn beleving is er geen plaats meer voor zon of warmte. Er is enkel nog plek voor donkere wolken. En voor orkaanwinden waar hij onophoudelijk tegenin zal moeten blijven worstelen. Elke dag opnieuw. Elke nacht een eenzame kwelling.

Vierenzestig jaar lang was zij de zin geweest. De verlichting en de vreugde. Zijn basis en zijn bestaansreden. En nu, nu weet hij niet meer hoe dat leven nog te doorleven valt. Het beste deel van zichzelf, het deel dat zij in hem was, is voorgoed verloren gegaan. Zijn leven is het zijne niet meer. Wat een nutteloos recht is het geworden, dat recht om te voort te bestaan. Geen liefde zal haar ooit kunnen evenaren. Nee, nieuwe liefde bestáát simpelweg niet.

Hij heeft er lang genoeg over nagedacht. Lang genoeg om te weten, dat hij niets meer blieft van dit hier en nu. De wijkverpleegster zegt hem telkens weer dat hij op moet passen voor een depressie. Dat hij zich op andere dingen moet concentreren om niet op elk moment van de dag aan haar te hoeven denken. Wat nou depressie? En welke dingen dan? Hij kán haar niet zomaar uit zijn gedachten wissen, niet ontkennen, niet níet missen, niet één seconde vergeten.

Langzaam staat hij op. Zijn knieën trillen. Licht voorover gebogen en nog zwaarder op de stok leunend, opent hij de deur naar het balkon van de schamele, totale leegte uitwasemende seniorenflat, de houten stoel voetje voor voetje achter zich aan trekkend. Acht hoog is een mooie hoogte, maar het uitzicht op de haven, waar hij tot zijn pensioen vol overgave zijn werk mocht doen, wordt hem sinds een krap jaar door een betonnen kantoorflat ontnomen. Ach, hij ziet het immers het kille water nog.

Tastend en wiebelend klimt hij op de zitting. Sluit zijn ogen, ziet haar beneden in het plantsoen weer staan. Ze wuift. Zoals altijd. De twijfel over het verkozen einde slaat toe. Is het dan zo verkeerd om dat waardeloos geworden bestaansrecht nu op te geven? Zo verkeerd om haar gedachteloos te willen volgen? Zo verkeerd om zijn gezicht voorgoed van dat felle, ondraaglijk verblindende licht, dat een restleven vol gemis enkel nog is, af te wenden? De dieptes van zijn verdriet schreeuwen hem uit alle macht toe. Toch hoort hij haar zachte stem, dwars door het geraas in zijn hoofd heen. “Volg, mijn lieve lief. Opgeven mag.”

Een voet op de balustrade.
Een weloverwogen stap.
Een recht op leven ingeleverd.






Vandaag precies twee jaar geleden schreef ik deze tekst vanuit een opwelling. Een schrijfimpuls voortkomende uit een song die ik destijds vaak luisterde. U mag raden welke song. En nee, het is niet ‘Love is all’.