Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

Keulen is klote

Keulen is al lang niet meer slechts een naam voor een stad.
Keulen is een zelfstandig begrip geworden.
Keulen. #Zeghet en iedereen weet direct waar je het over hebt.

Maar is dat wel zo? Weten we waar we het over hebben?

Voor de één is ‘Keulen‘ het lang verwachte armageddon dat door de massale toestroom van vluchtelingen met een ander geloof, een andere achtergrond en andere waarden en normen, veroorzaakt wordt. TPO, GeenStijl en co. lusten er, samen met een verlekkerde Geert en een juichende Trump, wel pap van. Het is koren op de rechtse molen.”Zie je wel? We zeiden het toch? Eerst wordt de boel dagenlang in de doofpot gestopt. Vervolgens komt de politie-k met een krom verhaal op de proppen en nu blijkt dat al die Islamobbers zich moedwillig hebben verzameld om ónze vrouwen te bespringen en ónze westerse vrijheden aan hun laars te lappen. Al die daders per direct het land uitzetten en de grenzen dicht voor nieuwe potentiële verkrachters, dat is de enige remedie tegen deze invasie van geweld en misbruik.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Voor de ander is ‘Keulen‘ een incident als vele andere. Dit keer helaas politiek erg brisant door de – al dan niet bekende – herkomst van de daders en de aanvankelijk nogal onhandige verdoezeling van de feiten. FrontaalNaakt, Krapuul en co. doen, samen met menig onthutst brabbelende linkse politicus, hun best om het zo op te tekenen. “Zie je wel? Nu het asielzoekers zijn, vliegt iedereen ineens in de hoogste boom. Waren het ‘gewone Duitsers’ geweest, had er geen haan naar gekraaid want dit soort dingen gebeuren overal. Kijk maar naar de aanrandingen van de serveersters op het alternatieve Oktoberfest in Alkmaar. Of naar de gang rapes op Britse en Amerikaanse universiteiten. Om van alle seriële verkrachtingen binnen familie- en vriendenkringen nog maar niet te spreken. #Zeghet werd afgedaan als zielig gejank, want daarbij ging het vooral om ‘eigen volk’ en dan moet je niet zeuren. Maar nu de daders van andere komaf zijn, is het ineens wél een rel vanjewelste en worden alle vluchtelingen over één kam geschoren. Hoe hypocriet wil je het hebben.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Dat dit soort dingen daadwerkelijk overal en altijd al gebeuren, kan ik – zij het enkel marginaal – bevestigen: ga voor de grap eens oud en nieuw vieren op het plein bij de Stephansdom in Wenen. Dan mag je blij zijn als je heelhuids, onberoofd, onaangerand en zonder voetzoeker in je nepbontkraagje weer thuis komt, ook zónder de aanwezigheid enige asielzoeker in de wijde omtrek. Dat was twintig jaar geleden al zo en dat is nu nog steeds zo. Ook heb ik menig Oktoberfest in München bezocht, waar ik dergelijke taferelen (massale beroving, geweld, aanranding door niet-asielzoekende daders) mocht aanschouwen. Maar daar gaat het niet om.

Waar het wel om gaat, is dat iedereen dénkt te weten wat er daar in Keulen gebeurd moet zijn en waarom dat gebeurd is. Iedereen – ik generaliseer nu zelf even, ik ben mij daarvan bewust – ziet er datgene in, wat hij/zij wíl zien. Iedereen zoekt precies die mediale berichtgeving die in zijn of haar straatje past. En iedereen heeft per definitie het eigen gelijk. Daarmee krijgt de gigantische wig die tussen ‘iedereen‘ en diens medemens gedreven wordt, nog een flinke klap met een moker na.

Op dit moment probeer ik enkel nog naar mijzelf te kijken en te doorgronden, wat dit alles het met mij en mijn overtuigingen doet. Ik was zoiets wat – niet bepaald liefdevol – als ‘Gutmensch‘ betiteld wordt. Gutmensch is al lang tot een scheldwoord verworden, een passende titel voor de naïeve en goedgelovige multiculti-knuffelaars onder ons. Voor mij dus. Maar ik kon en wilde simpelweg niet geloven dat een geloofsovertuiging dit soort excessen kan veroorzaken. Ik wilde niet geloven dat een groep mannen enkel op basis van een religie op zulk walgelijke wijze op een vrouw neer kan kijken en haar naar believen wenst te misbruiken.

En ik kan en wil dat nog stééds niet. Ook al weiger ik zelf in welke godheid dan ook te geloven (ik ben een ‘kufar‘, een atheïst, een ongelovige), ik ken te veel fijne, goede, vredelievende en respectvolle mensen van alle mogelijke geloofsovertuigingen om dermate te kunnen of te willen generaliseren. Ik wil zo graag blijven geloven dat ook ‘Keulen‘ een uitzondering, een losstaand incident was en dat ons beeld van wat er daar (en ook elders) gebeurd is, nog verre van compleet is. Maar ook ik, ja zélfs ik, word nu langzaamaan banger. Sceptischer. Wantrouwender? En het lullige is: ik ben zelfs bang om dát toe te geven.

Wat als.
Nee, dat kan niet.
Maar wat als…

Angst is een bitch.

Daarom is Keulen klote.

Opgeven mag

Wezenloos staart hij uit het raam. Het ongenadig harde hout van de keukenstoel voelt hij tot diep in de broze botten van zijn zitvlak. Een paar uitgebluste en eindeloos vermoeide ogen kijkt langs de flats naar het donkergrijze water in de verte. Hij steunt met beide handen en kin op het handvat van zijn stok. Er glinstert vocht in zijn ogen. Alles is zinloos. Grauw. Eenzaam. Niets is het nog waard om voor door te gaan. Hij slaat zijn blik neer en perst de weerbarstige tranen uit zijn ooghoeken. Ze vloeien samen onder zijn neus. Een zilte smaak op zijn droge lippen.

Ze was de liefde van zijn leven, zijn hele leven lang. Haar ogen waren altijd de mooiste, de diepste en meest liefdevolle gebleven, zelfs toen ze langzaam maar zeker uitdoofden. Tranen van vreugde moesten de laatste jaren steeds vaker plaats maken voor tranen van pijn. En wanhoop. Toch bleef daar die glans. De glinstering en de fierheid van haar levenswil, die nooit door steeds dieper wordende rimpels en bovenlipgroefjes overschaduwd werd, weerspiegeld in haar lach. In al haar uren van lijden was ze onvermoeibaar moedig gebleven. Sterk. Positief. En de zijne. Maar ze had oneindig geleden. En alleen hij wist hoe zeer…

Ook nu kan hij zich de vibraties van haar zachte, diepe maar steeds zwakker wordende stem weer exact voor de geest te halen. Haar fluisterende, warme ademzuchten in zijn gehoorgang. Haar rozige geur, halsstarrig verankerd in zijn neusharen. 

Een glimpje zon valt op zijn knokige vingers. Maar in zijn beleving is er geen plaats meer voor zon of warmte. Er is enkel nog plek voor donkere wolken. En voor orkaanwinden waar hij onophoudelijk tegenin zal moeten blijven worstelen. Elke dag opnieuw. Elke nacht een eenzame kwelling.

Vierenzestig jaar lang was zij de zin geweest. De verlichting en de vreugde. Zijn basis en zijn bestaansreden. En nu, nu weet hij niet meer hoe dat leven nog te doorleven valt. Het beste deel van zichzelf, het deel dat zij in hem was, is voorgoed verloren gegaan. Zijn leven is het zijne niet meer. Wat een nutteloos recht is het geworden, dat recht om te voort te bestaan. Geen liefde zal haar ooit kunnen evenaren. Nee, nieuwe liefde bestáát simpelweg niet.

Hij heeft er lang genoeg over nagedacht. Lang genoeg om te weten, dat hij niets meer blieft van dit hier en nu. De wijkverpleegster zegt hem telkens weer dat hij op moet passen voor een depressie. Dat hij zich op andere dingen moet concentreren om niet op elk moment van de dag aan haar te hoeven denken. Wat nou depressie? En welke dingen dan? Hij kán haar niet zomaar uit zijn gedachten wissen, niet ontkennen, niet níet missen, niet één seconde vergeten.

Langzaam staat hij op. Zijn knieën trillen. Licht voorover gebogen en nog zwaarder op de stok leunend, opent hij de deur naar het balkon van de schamele, totale leegte uitwasemende seniorenflat, de houten stoel voetje voor voetje achter zich aan trekkend. Acht hoog is een mooie hoogte, maar het uitzicht op de haven, waar hij tot zijn pensioen vol overgave zijn werk mocht doen, wordt hem sinds een krap jaar door een betonnen kantoorflat ontnomen. Ach, hij ziet het immers het kille water nog.

Tastend en wiebelend klimt hij op de zitting. Sluit zijn ogen, ziet haar beneden in het plantsoen weer staan. Ze wuift. Zoals altijd. De twijfel over het verkozen einde slaat toe. Is het dan zo verkeerd om dat waardeloos geworden bestaansrecht nu op te geven? Zo verkeerd om haar gedachteloos te willen volgen? Zo verkeerd om zijn gezicht voorgoed van dat felle, ondraaglijk verblindende licht, dat een restleven vol gemis enkel nog is, af te wenden? De dieptes van zijn verdriet schreeuwen hem uit alle macht toe. Toch hoort hij haar zachte stem, dwars door het geraas in zijn hoofd heen. “Volg, mijn lieve lief. Opgeven mag.”

Een voet op de balustrade.
Een weloverwogen stap.
Een recht op leven ingeleverd.






Vandaag precies twee jaar geleden schreef ik deze tekst vanuit een opwelling. Een schrijfimpuls voortkomende uit een song die ik destijds vaak luisterde. U mag raden welke song. En nee, het is niet ‘Love is all’.

Liet vrij

Al mijn ‘toen’. Dat was met jou.
Een verleden zwanger van ’t leven.
Door de jaren roerloos heengegaan.
Kunnen we ’t nu niets meer geven.

Jij wou die verre einden lopen
Ik wilde enkel hoger springen.
Jij wou niet praten, op meer hopen.
Ik wilde zó veel liever zingen…

Jij schoot wortels, meters diep
Ik had ineens vleugels gekregen.
En de stilte die ons zo luid riep
Hebben we samen bruut doodgezwegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Voelde me jonger. Wist niet waarom.
Jij voelde je misplaatst. Bal naast de stip
Zo vielen we tergend langzaam om.
Verloren we meer en meer de grip.

Ik snapte dat jij er niets van snapt.
Ik begreep dat jij het niet bevat.
Waarom was alles dan níets waard?
Er volgde een lawine. ’t Grote gat.

We vergaten enkel te bewegen.
Was ik ervoor, was jij ertegen.
En nu, nu gaan we dus toch
voorgoed gescheiden wegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Rest ons dat ene verstokte ritueel,
waar de één de ander vermijdt
Zien al niet meer, wat ons verbond,
enkel nog al dat, wat ons scheidt.

We moeten ademen en weer groeien
elkaar niet langer meer vermoeien
Daar waar we onszelf opnieuw ontmoeten
Krijgen wegen weer handen en voeten.

Wegen die altijd verbonden blijven
Alleen lopen wij ze nu niet meer samen
Al mijn ‘nu’ ligt ergens anders
We gingen sneller dan we ooit kwamen.

Ik liet je vrij. We blijven verbonden.
Ik liet je vrij. Laat jou weer je leven.
Ik liet mij vrij. Lik ons beider wonden.
Ik liet mij vrij. Kunnen we vergeven…

=================================

geïnspireerd door (en deels vertaald vanuit) de prachtige song van Andreas Bourani – Auf Anderen Wegen

Even scannen a.u.b.

Een grote bobbel. Dat is wat ik merkte, een week of anderhalf geleden. Ik legde mijn handen op mijn buik, op de onderste ribben en voelde een behoorlijke asymmetrie. Links een soort van derde, tepelloze borst, rechts gewoon ‘plat’ (voor zover plat bij mij mogelijk is) en dacht: ‘What the f….???’ en daarna niks meer, alweer vergeten. Ik blondie kan dat.

Maar de bobbel bleef en viel zelfs mijn man ineens op. Gisteren dus een eerste  poging tot betasting door de huisarts ondernomen. Helaas: die bleek op vakantie. Doorgereden naar een mogelijk vervangende arts maar die had geen praktijk op donderdagen. Nou dan niet! Bekijk het maar. Zal wel loslopen.

Vandaag heb ik toch maar een nieuwe poging gedaan: een derde lokale arts. Een internist. Om tien voor half acht was ik er al. De wachtkamer was een paradijs voor mensenkijkers. SMS-ende punkers, dames met hondjes in tassen, een peuter die de boel systematisch afbreekt, überzielige pubers met dramatranen in de ogen en een lachend levensverhalen mompelende man met Down. Een uurtje of anderhalf wachten en hoppaaa, ik ben al aan de beurt.

De huisarts drukt eens op de bobbel. Auw man! Het enige wat hij zegt is: ‘hmm’. En nog een keer. ‘Hmm’. Ik kijk hem bedenkelijk en sterk afwachtend aan.
‘Uw onderste rib is gebroken. Een pathologische breuk.’
Nu kijk ik meer dan bedremmeld. Hoe is dat mogelijk?? Ik heb niets raars gedaan, geen ongeluk gehad, niemand heeft mij mishandeld (voor zover ik me kan herinneren), ik heb mezelf niet eens naar behoren op de borst geslagen de laatste tijd.
‘De meest voorkomende oorzaak bij jonge [oh Danke, Herr Doktor!] mensen als u is een gezwel onder het bot.”
BAM. Uit het lood geslagen. Fijn hoor, zo’n eerlijke edoch tactvolle dokter.
‘U moet nu naar de radiologie in Linz. Dit moet wel gecheckt worden.’
‘Kan dat eventueel ook anderhalve week wachten? Ik heb nu erg weinig tijd…’
‘Nee. U moet nu gaan.’
De dringendheid waarmee hij dat zegt, is voldoende. Met een verwijsbrief en een kloppend hart van de schrik scheur ik naar de radiologische praktijk in de stad.

Weer een wachtkamer. En meer wachten. Een klein kwartier later ben ik al aan de beurt. Een propperige, gezette dame met jampotglazen duwt me met nogal harde hand op het verticale röntgenplateau, derde borst tegen de witte plaat.
‘En nu diep inademen en niet meer uitademen!’ Alweer auw…
‘Omdraaien tot ik stop zeg, dan weer inademen en NIET uitademen!’
Ben ik even blij dat ik tussendoor toch stiekem nog wat uitgeademd heb, anders had ik nu niet eens meer in kunnen ademen voor Tante Pollewop. Duwen, sjorren, nog een keer duwen. Zij zegt ook ‘hmm’ en haalt de opperradioloog erbij. Het zweet breekt me uit. Sta je dan, halfnaakt en klotsend tegen zo’n witte plaat op te rijen. Ik weet leukere hobby’s.

‘Ik kan het niet goed zien, de foto’s moeten later nog beoordeeld worden. Ik moet nu eerst even een echo maken’, aldus de radioloog. Ik ga op het met papier bekleede brancard liggen en oogst daarvoor meteen een klodder koude gel op mijn buik. Met de scankop drukt hij hard op de abnormale plek. Ik kan het woord ‘hmm’ inmiddels niet meer horen en vraag zonder omwegen of hij nu wat ziet of niet, en zo ja, wat.
‘Een breuk, ja. Verder niets. Raar hoor.’
Alsof hij er graag van alles had zien zitten en nu bijna een beetje teleurgesteld is. Jammer zeg, wéér geen drama vandaag… Ik  hoor het hem denken en vraag nog een keer voor alle duidelijkheid of ik me nu echt geen zorgen meer hoef te maken. Hoef ik voorlopig niet. Ja die breuk, dat is raar. Ontzien. Geen al te wilde dingen doen, niet boksen, niet bungeejumpen. Oh jee… dat wordt afkicken de komende weken. De rest lijkt oké, maar ik moet nog wel even de uitslag van de röntgenfoto’s afwachten voor het uiteindelijke ‘O.K.’ Die komen volgende week met de post. Wat een opluchting. Om tien uur ben ik weer thuis en plof met een kop koffie op de loungebank op het terras.

Na een emotioneel rondje scannen nu dan  de rest van de oorspronkelijke plannen…

ja wat nou!

ik weet geen titel. Ik heb al in geen eeuwen meer geschreven. Zo voelt ’t althans. Mijn laatste blog is van 20 juli, bijna drie weken geleden. Het lijkt echt een eeuwigheid. We zijn op vakantie geweest. Een niet onverdeeld overgelukkige en relaxte vakantie, een schriftelijke klacht incluis. Daar blog ik ook nog wel een keer over. Vandaag nog effe niet.

Ik weet niet eens meer hoe het moet, dat bloggen. Ik zit hier en denk: “why the hell zal ik dit hier neerzetten.” Maar het is het gevoel wat er uit moet. Het gevoel dat alles te snel voorbij gaat. Het gevoel dat alles onder mijn neus gebeurt maar ik het niet zie. Het gevoel dat ik niet voldoende leef. Ik rij de berg af naar beneden, op weg naar de Lidl en het enige wat in me opkomt is: “bekrompenheid ten top”. Een durp, een school, een Lidl. Holladijeee.

Ik wil weg… Ik wil léven!!
Want zomaar ineens is het over en zelfs dat merk je dan zelf niet meer. Vandaag vernam ik dat een kennis (vader van vriend) een week geleden zomaar ineens, out of the blue, een zware hartaanval heeft gehad. De tot dan toe relatief fitte, vrolijke, levenslustige man van 63 kiepte om. Hersenschade niet te overzien. Net met pensioen en vanaf nu een kasplantje. Ik heb meerdere keren samen met hem getraind. En zomaar, van het ene op het andere moment, is deze mens onvrijwillig klaar met zijn leven. Want écht leven kan hij niet nu meer. Een toestand tussen coma en heel marginaal bewustzijn, nooit meer trainen, nooit meer reizen, nooit meer zijn kleinkind knuffelen, nooit meer zijn vrouw omarmen, nooit meer uit eten, nooit meer lachen, nooit meer liefhebben, nooit meer niks. Nooit meer. Zelfs de hoop dat hij weer zelf zal kunnen praten of eten is praktisch nihil. Wat is dat nou voor leven…

Na de eerste shock komt voor de achtenzeventigste keer het besef: leef nu… lééf!! Doe wat goed voelt, eet wat goed doet, zorg voor jezelf, geniet van alles wat goed is. Want zomaar ineens is alles voorbij. Dan is het te laat om te genieten. Het kloterige eraan is: hoe doe je dat. Hoe geniet je bewust. Hoe doe je precies dát waar je zin in hebt. Het dagelijkse leven haalt je na verloop van tijd toch weer in. Plichten, verantwoordelijkheden, kinderen, huishouden, moeten. En eigenlijk is dat maar goed ook. Want van de hele dag verplicht genieten wordt een mens ook weer intens moe.

Ik rommel maar wat verder met mijn leven. Als ik nu ineens omkieper, kan ik in ieder geval terug kijken op dik zeshonderd geschreven blogs. Oh nee. Dan kan ik niet meer terug kijken.

Ja wat nou…

Wanna be good

Let me be good to you goedgenoeg
Sit in your easy chair
What you want
I’ll bring it there
Even good can be better
Here’s my love
on a silver platter
Take it all, and
Let me be good…

Een paar zinnetjes van een songtekst van Otis Redding.
Over iets wat mij continu bezig houdt.
Die innerlijke drang om gewoon ‘goed’ te zijn.
Het maakt dat ik heel vaak hoor: “zeg ook eens NEE?”
Dat ik heel goed ben in veel teveel willen.
Dat ik altijd bang ben dat ik dingen verkeerd zeg.
Dat ik dingen eruit flap die ik éigenlijk voor me had moeten houden.
Dat ik iets heel belangrijks vergeet.
Dat iets totaal verkeerd overkomt.
Dat ik niet genoeg aan iemand denk.
Dat ik niet tactvol genoeg ben.
Dat ik niet genoeg steun geef.
Dat ik niet voldoende waardeer, wat ik heb.
Dat ik niet aan bepaalde verwachtingen voldoe.

De onzekerheid groeit met de dag en wordt uiteindelijk een monster.

Goed genoeg zijn, ook al doe ik even helemaal niets.
Goed genoeg zijn, ook al verdien ik een berg kritiek.
Goed genoeg zijn, ook al ben ik tien (twintig?) kilo aangekomen.
Goed genoeg zijn, ook al weet ik niet altijd alles wat ik zou moeten weten.
Goed genoeg zijn, ook al heb ik me compleet lam gezopen.
Goed genoeg zijn, ook al heb ik werkelijk hartstikke ongelijk.
Goed genoeg zijn, ook al kom ik soms niet uit mijn woorden.
Goed genoeg zijn, ook al hoor je soms mijn gierende zenuwen.
Goed genoeg zijn, ook al wil ik mezelf soms compleet verdoven.
Goed genoeg zijn, ook al ben ik af en toe bezitterig en jaloers.
Goed genoeg zijn, ook zónder jou…

Alanis Morissette zong ’t ook al zoiets. Precies zoals ’t voelt.

But once you are good enough for others, you will finally be good enough for yourself as well…

Nou dat hopen we dan maar.

If only I could be good…

.

.

_________________________________________________
PS…
De eerste versie van dit blog schreef ik – volgens de revisielijst – al 227 dagen geleden. Zeventien revisies later had ik het nog steeds niet gepost. Nu, bij nummer 18, dan eindelijk wel. Maar het is dus  wel duidelijk dat dit een diepgaand blog is: dit zit heel diep in mij. En ik baal daar eigenlijk ontzettend van. Sabel me alsjeblieft niet meer omdat ik mijn eigen onzekerheid hier toon. Waarom zet ik het dan überhaupt online… geen idee. Of ja, toch wel. Out in the open = easier to tackle. Zichtbare monsters zijn makkelijker te bestrijden. En misschien biedt het ook wel een stukje herkenning voor anderen…

Warboel. Op naar het volgende blog…