Brullen met tranen

21 uur. Bedtijd voor kleine kindekes.
“Mam, die zelfgemaakte patat ligt me dwars…”
“Neem je slokdarm als zweep en sla ‘m in ’t fatsoen, ja?”

Zoon grinnikt.
“Nee echt, als ik van hiero naar beneden op het parket kots [zoon heeft, net als dochter, een hele hoge hoogslaper], mag jíj de boel straks van het plafond schrapen.”
“Been there, done that, got the swiffer. Mij maak je niet bang.”

De humor. Vandaag is ie weer groots. Zoon stommelt naar de badkamer om vervolgens onverrichter zake voor een glas water naar de keuken lopen. En passant graait hij in de bak met laadkabeltjes (dat doet hij nu eenmaal graag, een automatisme). Eentje daarvan valt me nu ineens op.

“Hé, weet je nog, dat op afstand bestuurbare helicoptertje dat ik stante pede terug gestuurd heb omdat ie het niet goed – of eigenlijk helemaal niet – deed? Nou, dít is de laadkabel daarvan.”
Zoon ligt in een deuk. Tranen. Nu moet ie pas écht kotsen. Zegt ie.

“Oh en ik heb dat pakje met 3 nieuwe AAA-batterijtjes, waarvan ik claimde dat ze eveneens niet in de verpakking zaten, laatst ook in hal gevonden…”
“Waarom deed dat ding het niet dan? Waarom moest ie terug?”
“Nou, dáárom dus…”

Ze zijn eindelijk zo ver: ze liggen in hun bedden, of ‘doodskisten’ zoals dochter het blieft te noemen. Het plafond is namelijk slechts zo’n 50 cm boven hun neuzen. Tja, je moet wat hè. Zoon weet in ieder geval de oplossing om snel in slaap te vallen: met een noodvaart rechtop in bed gaan zitten. “Nou euh, tot over een dag of drie!!” brult ie jolig. In hun kamer [ja, ze slapen ook nog eens samen in één kamer, groot is het hier nu eenmaal niet] heb ik altijd de neiging om zooi op te ruimen en stof af te nemen. Ik, de huishoudelijke slons bij uitstek. U kunt zich voorstellen hoe het er daar uitziet.

Het los liggende dekseltje van een door dochter zelf gekleid paars-rood-blauw potje doe ik vol opruim-enthousiasme weer netjes op het onderste deel. Resultaat: de tanden en kiezen vliegen me om de oren.

“Neeeeeee, stupido!!! Mijn kiezen!! En ik verlies er al zo veel!!”
Da’s waar. Ze heeft boven en onder nog nét twee voortanden en hier en daar een hoektand. Daar houdt het wel mee op.
Dochter stommelt van de ladder omlaag om op de grond haar tanden bijeen te rapen.
Met de tranen nog in de ogen, jodelt zoon, dat je in dit huis sowieso elke dag minstens drie tanden verliest en dat op een blokje lego trappen er echt niks bij is. Maar: als we straks allemaal kunstgebitten hebben, zien we ze op de grond in ieder geval niet meer zo snel over het hoofd. Wel zo handig. De grapjas.

Ineens komt hij daadwerkelijk met een rotvaart overeind, ramt zijn hoofd tegen het plafond, dondert zijn hoogslapertrap af, geeft mij in het voorbijgaan met de ene hand een pets op mijn hoofd terwijl hij zijn andere voor zijn mond klemt. Een perfecte home run naar het toilet, om daar vakkundig zijn beugel eruit te spugen, begeleid door de genoemde patatten. En wie oh wie mag die beugel tussen het braaksel door weer uit het toilet vissen en minutieus schoonmaken, hmm? Juist. Di Mamma.

Het min of meer gebruikelijke avondritueel in huize(ke) Bartels.
Altijd weer leuk.

Opgeven mag

Wezenloos staart hij uit het raam. Het ongenadig harde hout van de keukenstoel voelt hij tot diep in de broze botten van zijn zitvlak. Een paar uitgebluste en eindeloos vermoeide ogen kijkt langs de flats naar het donkergrijze water in de verte. Hij steunt met beide handen en kin op het handvat van zijn stok. Er glinstert vocht in zijn ogen. Alles is zinloos. Grauw. Eenzaam. Niets is het nog waard om voor door te gaan. Hij slaat zijn blik neer en perst de weerbarstige tranen uit zijn ooghoeken. Ze vloeien samen onder zijn neus. Een zilte smaak op zijn droge lippen.

Ze was de liefde van zijn leven, zijn hele leven lang. Haar ogen waren altijd de mooiste, de diepste en meest liefdevolle gebleven, zelfs toen ze langzaam maar zeker uitdoofden. Tranen van vreugde moesten de laatste jaren steeds vaker plaats maken voor tranen van pijn. En wanhoop. Toch bleef daar die glans. De glinstering en de fierheid van haar levenswil, die nooit door steeds dieper wordende rimpels en bovenlipgroefjes overschaduwd werd, weerspiegeld in haar lach. In al haar uren van lijden was ze onvermoeibaar moedig gebleven. Sterk. Positief. En de zijne. Maar ze had oneindig geleden. En alleen hij wist hoe zeer…

Ook nu kan hij zich de vibraties van haar zachte, diepe maar steeds zwakker wordende stem weer exact voor de geest te halen. Haar fluisterende, warme ademzuchten in zijn gehoorgang. Haar rozige geur, halsstarrig verankerd in zijn neusharen. 

Een glimpje zon valt op zijn knokige vingers. Maar in zijn beleving is er geen plaats meer voor zon of warmte. Er is enkel nog plek voor donkere wolken. En voor orkaanwinden waar hij onophoudelijk tegenin zal moeten blijven worstelen. Elke dag opnieuw. Elke nacht een eenzame kwelling.

Vierenzestig jaar lang was zij de zin geweest. De verlichting en de vreugde. Zijn basis en zijn bestaansreden. En nu, nu weet hij niet meer hoe dat leven nog te doorleven valt. Het beste deel van zichzelf, het deel dat zij in hem was, is voorgoed verloren gegaan. Zijn leven is het zijne niet meer. Wat een nutteloos recht is het geworden, dat recht om te voort te bestaan. Geen liefde zal haar ooit kunnen evenaren. Nee, nieuwe liefde bestáát simpelweg niet.

Hij heeft er lang genoeg over nagedacht. Lang genoeg om te weten, dat hij niets meer blieft van dit hier en nu. De wijkverpleegster zegt hem telkens weer dat hij op moet passen voor een depressie. Dat hij zich op andere dingen moet concentreren om niet op elk moment van de dag aan haar te hoeven denken. Wat nou depressie? En welke dingen dan? Hij kán haar niet zomaar uit zijn gedachten wissen, niet ontkennen, niet níet missen, niet één seconde vergeten.

Langzaam staat hij op. Zijn knieën trillen. Licht voorover gebogen en nog zwaarder op de stok leunend, opent hij de deur naar het balkon van de schamele, totale leegte uitwasemende seniorenflat, de houten stoel voetje voor voetje achter zich aan trekkend. Acht hoog is een mooie hoogte, maar het uitzicht op de haven, waar hij tot zijn pensioen vol overgave zijn werk mocht doen, wordt hem sinds een krap jaar door een betonnen kantoorflat ontnomen. Ach, hij ziet het immers het kille water nog.

Tastend en wiebelend klimt hij op de zitting. Sluit zijn ogen, ziet haar beneden in het plantsoen weer staan. Ze wuift. Zoals altijd. De twijfel over het verkozen einde slaat toe. Is het dan zo verkeerd om dat waardeloos geworden bestaansrecht nu op te geven? Zo verkeerd om haar gedachteloos te willen volgen? Zo verkeerd om zijn gezicht voorgoed van dat felle, ondraaglijk verblindende licht, dat een restleven vol gemis enkel nog is, af te wenden? De dieptes van zijn verdriet schreeuwen hem uit alle macht toe. Toch hoort hij haar zachte stem, dwars door het geraas in zijn hoofd heen. “Volg, mijn lieve lief. Opgeven mag.”

Een voet op de balustrade.
Een weloverwogen stap.
Een recht op leven ingeleverd.






Vandaag precies twee jaar geleden schreef ik deze tekst vanuit een opwelling. Een schrijfimpuls voortkomende uit een song die ik destijds vaak luisterde. U mag raden welke song. En nee, het is niet ‘Love is all’.

Hart in de brievenbus

Ik slof in mijn ochtendjas naar de voordeur om de krant te halen. Verrast staar ik naar de brievenbus: er hangt een hart aan. Een versierd taaitaaihart. Eentje zoals ze op het Oktoberfest in München verkopen. Een verdwaald valentijnshart kan het niet zijn; dan was het pas echt taaie taai. Zou dit hart werkelijk voor mij zijn?hdr

Binnen sla ik, met het hart in mijn hand, de krant open en zie daar: de ietwat minder romantische maar duidelijke uitleg. Gisteren was het “Liebstattsonntag“. Een dag waarvan ik tot nu toe het bestaan niet kende. Ik weet inmiddels al sinds een paar jaar wat die Steak-and-Blowjobdag inhoudt en ook dat het afgelopen vrijdag wereldslaapdag was, wat ik uitbundig gevierd heb. Maar wat is dan in vredesnaam Liebstattsonntag?

In 1641 was er hier in Oberösterreich een bisschop, Leopold Wilhelm van Oostenrijk genaamd. Hij richtte het broederschap “Corpus Christi” op. Dit broederschap nodigde elk jaar op de vierde zondag van de vastentijd de armsten onder de bevolking uit om te komen eten, om hen zo voor hun liefde voor de kerk te belonen (“um ihre Liebe abzustatten“).

Door de eeuwen heen veranderde dit typisch Opper-Oostenrijkse gebruik: in plaats van de armen voor een etentje uit te nodigen, bakte de bevolking nu zelf koekharten om deze, al dan niet anoniem, aan mensen te geven die veel liefde voor hun medemensen getoond hadden. Maar ook aan degenen, die wel “een hart onder de riem” konden gebruiken vanwege pijn die ze in het afgelopen jaar geleden hadden. De bijbehorende slogan: “Gegen jede Art von Schmerz hilft ein Liebstattherz!

Ik heb de buurvrouw gevraagd of zij weet van wie het hart komt. Ze heeft geen flauw idee. Niemand weet het. Iemand heeft me een hart gegeven en ik ben er maar gewoon blij mee.

Bergen van liefde, hier op het land.

Kreukels

vouwtjes
Wist jij al hoe het zou lopen?
Dat wij groeiden tot een wonder?
Elkaars wegen doorkruisten,
Tegen oordelen indruisten,
nu op een leven samen hopen?

Denk aan hoe goed je me kent en
mij leest. ‘k Wil niet meer zonder,
Besef nu, keer op keer
ik wil dit, wil jou meer
bij me, jij haalt terug wie ik ben.

Strijk jij mijn kreukels weer glad
vijlt scherpste kanten ronder.
Geen aarzeling, geen twijfel,
Als íets goed is, dan wij wel.
De zin die ik zocht en niet had.

Je warmt me. ‘k Had het zo koud.
Jij, unicum, mooi en bijzonder
goed in ‘t me op waarde wijzen.
Wist me op het droge te hijsen.
Je handen om de mijne vouwt.

Méér had ik niet nodig. Enkel dat.
Mijn aanlegsteiger. Mijn vlonder
waar ik veilig af kon meren,
’t gat in mijn boeg repareren
Ik heb je altijd al lief gehad.

Klein

Ik luister naar Mayday van Klein.
Een nietszeggend bandje.
Maar die stem.
En die tekst,
zó onder de huid.
Vooral op dagen als deze.
Dagen waarop ik alles
echt liever zou vergeten.
En enkel nog die ene arm
om me heen wil.
En die andere ook.

Wat als we alles
gewoon vergeten
En ik even niets zeg.
Nee…
Sla je dan je armen
om
mij heen,
of zou je weg lopen?

Zo veel indrukken.
Zo veel haat.
Zo veel angst.
Maar toch ook
zó veel liefde…

Kun je me even vast houden
zodat ik zelf niet los laat…
Zoals je me zei:
Houd je wensen dicht bij je
want wie weet…

Ik weet heel goed
wat mijn wensen zijn.
Wat ik wil.
Jou.
Jij. Alles.
Dus houd ik jou
voor altijd
heel dicht
bij mij.

Want wie weet?

_____________________________________

Over een uur…

over een uur, twaalf jaar geleden.
was hij er ineens.
floep. zo uit mij gegleden.
nou ja, zo makkelijk was het niet…
een sterrenkijker in de wereld zetten
is toch best moeizaam.
maar kijk hem nu, knul van twaalf.

en toch…
dit keer niet bij mij. niet heel even
over zijn bol strijken om half één.
twaalf jaar geleden om deze tijd.
ja, twaalf jaar is een eeuwigheid.
alles is anders, niets blijft hetzelfde.
behalve mijn liefde voor hem

twaalf jaar geleden, over een uur
nee, drie kwartier nu. toen was ie er.
schreeuwend en goed drie weken
te vroeg. maar ik, ik lag daar.
hevig nabloedend genietend van
een fijngeperst mensenkind.
mijn.
de wereld een wonder rijker.
en ik ook.

 

De Liefde – revisited

Vandaag is het dan toch zover: ik heb weer twee kinderen. Het ene heeft zich stierlijk verveeld omdat ze vijf dagen lang niemand had om haar ergernissen op bot te vieren. Het andere was een midweek op schoolkamp en is nu ineens als een halve puber terug gekomen.

Om half één rijd ik de parkeerplaats op, direct achter de bus waar met koeienletters “Alles wird Gut” op de achterruit staat. We hopen het maar. Door de letters heen zwaaien er een paar kinderen enthousiast naar alles wat rijdt. Ze leven nog, dat is een goed teken. Verstoppen onder de stoelen is er blijkbaar al niet meer bij.

Zoon komt scheef grijnzend de bus uit springen, mompelt iets van: “eyy mam,” en loopt linea recta naar de bagageruimte waar hij zijn weekendtas uit de massa opgraaft. Hij laat zich een korte ‘mama-moet-nu-toch-echt-éven-knuffelen-sessie’ welgevallen en na een fatsoenlijk afscheid c.q. bedankje aan de docente rijden we naar huis. Liefde

Hij vertelt niet veel. Ik moet alles eruit trekken, mocht ik echt iets willen weten. Maar ineens houdt hij het niet meer uit en barst los: “ik heb nóg een brief gekregen!!” M. heeft hem nu officieel de liefde verklaard, maar dan wel in het geheim. Een geheime liefde. Hij duwt me zijn portemonnee in de handen, waar alle briefjes, inclusief die, die hij op mijn commando uit de prullenbak heeft gevist, ingepropt zijn.

Ik ontfrommel ze, strijk ze een beetje glad. De evolutie van het liefdesgebeuren wordt duidelijk zichtbaar. Het eerste briefje is een cool aftasten: “Hallo, hoe gaat ie. Groetjes, M.”  Tja. Wat móet je ermee als elfjarige… Iets antwoorden van “Hey, ja goed hoor, maar nu dus net even iets minder – en bedankt hè!”  is ook not done. Het tweede briefje is in het geniep door een vriendinnetje in zijn jaszak gestopt: “jij bent  cool.”  Dát is nog eens een statement. Een groter compliment kun je een jongen op die leeftijd niet maken. Vooral niet als de knul in kwestie met duidelijke coolnessmankementen te kampen heeft. Het derde briefje heeft zoon door de telefoon al beschreven. De keuzemogelijkheden van het algemene aardig vinden: JA of NEE. Eigenlijk zou hij dit briefje al niet meer in bezit moeten hebben: aankruisen en terug ermee. Klaar. Makkelijkste methode. Het vierde briefje is duidelijk van een ander, intenser kaliber: “Ik hou van jou, T. [hartje]. Als jij ook van mij, geef me een teken. En het is geheime liefde (niet doorvertellen a.u.b.) [hartje][hartje]”

God wat een moed. Ik bewonder M. Zo jong en toch al zó dapper in liefdesaangelegenheden. Ik vraag zoon losjes of hij haar dan al iets geantwoord heeft. “Ja ja. Ik heb een brief terug gestuurd!” Vol goede hoop informeer ik wát hij dan geschreven heeft. “Nou gewoon: ‘Ik weet het nog niet. Ik moet er nog even over nadenken,’” en hij kijkt mij triomfantelijk aan. “Je kunt niet gelijk toegeven hè, dat hóórt niet!”

Een harde noot, die zoon van mij.
Een zomaar ineens bijna puberale noot.
Komt goed.