De dood relativeert, no matter what

Op 4 november 2017 verloor ik een vriendin aan kanker. Een melanoom werd een hersentumor (met de veelbetekenende naam ‘Remi’), werd een uitzaaiing in het hersen- en ruggenmergvlies, werd de dood. Dat alles in een paar jaar tijd. De laatste fase ging echter zó enorm snel dat het insloeg als een bom.

Die bominslag kwam bij mij pas meer dan een dag later. Puur omdat ik de mededeling op Facebook niet meegekregen had. 6 November ’s ochtends, een half uur voor mijn tennisafspraak. Tóén wist ik het pas. En wist niet meer hoe ik het had. Ik ben toch naar de tennisbaan gegaan, heb mijn hart uitgestort, de ogen uit mijn kop gejankt in het bijzijn van mijn tennisvriendin en toen maar een potje keihard ballen over de baan gemept. Gewoon omdat het kon. Nóg kon. Nog kán.

God, wat relativeert dit. Ik besefte pas meer dan een etmaal later dat ze overleden was. Waarom? Omdat ik met mijn eigen – nu plotsklaps tot futiele proporties geslonken – sores bezig was. De bouw van een huis, waar natuurlijk van alles misgaat in de laatste fase. Een op stapel staande verhuizing die voor een hoop stress en chaos zorgt. Wat napijn van een gekneusde rib. Een rottige rechtszaak. Een niet aflatende berg werk waar ik me doorheen moet worstelen. Een naderende scheiding, niet alleen van mijn ex, maar ook van mijn bedrijf in München (dat ik al 17 jaar heb), omdat een bedrijfspartner het voor gezien houdt. Vijf websites die door moeten draaien. Kinderen met leerproblemen die veel begeleiding vergen.

Na de ochtend van 6 november zie ik dat alles anders. Bij al die dingen denk ik alleen nog maar: NOU EN!? Ik ben BLIJ met die idiote rechtszaak; zoiets stond toch al op mijn bucket list. BLIJ met alle andere ‘problemen’, die eigenlijk helemaal geen problemen, maar gewoon ‘leven’ zijn. BLIJ met alle drukte en stress die je laten voelen dat je er nog bent. Want ja, ik besef nu dat ik er ben nog ben om het allemaal mee te maken. Maar mijn vriendin is er niet meer. Haar trof dat verrotte noodlot veel te vroeg. Haar man en twee kinderen (net zo oud als de mijne) moeten nu zonder haar verder. Onvoorstelbaar, onvatbaar, onbegrijpelijk. Alles ‘on’.

En het egoïstische in deze is: ik heb spijt. Spijt als haren op mijn hoofd dat ik, de keren dat ik in de buurt was, niet even belde of ik haar kon bezoeken. Dat ik niet even iets regelde om nog een kop thee op ’t terras met haar te kunnen drinken, om nog een keertje bij te kletsen. Want ik dacht steeds: ik heb nu zoveel te doen en ben maar zo kort in Nederland; dat doe ik de volgende keer wel. Maar er komt geen volgende keer meer. Nooit meer. Mijn ‘had ik maar’-gedachten nemen de overhand. Ik kan nu alleen nog maar in mijn eigen hoofd afscheid nemen en me voor mijn kop slaan dat ik dat niet gedaan heb, toen ze er nog was. Spijt is een bitch, net als de kanker die me mijn vriendin afgepakt heeft voordat ik nog een keer met haar afgesproken had.

En dat, dát relativeert. Enorm. Who cares? I care. Maar ik geef niks meer om die mafkees die samen met zijn juriste een berg geld van me wil. Die verhuizing doe ik met links; zal wel goed komen. Scheiden? Levert óók vrijheid op. En die vrijheid om te leven, die zie ik nu weer. Door mijn vriendin. Want ik leef nog, alleen besefte ik dat de laatste tijd niet echt meer. Nu wel. Alles is nu.

Dank je Sandra, voor jou. Voor wie je was, jij positief, liefhebbend, vechtend, übermooi en veelkleurig mens. Veelkleurig was je, van je Desigual-jurkjes tot aan je hardloopschoenen. En je ijsvogel, jouw symbool geworden. Als er iemand voor mij hét voorbeeld was van een doorzetter, een nooit-opgever, dan was jij dat wel. Dóórrr!! No matter what. Je was 15 jaar lang een voorbeeld voor mij, een voorbeeld van ‘gewoon goed zijn zoals je bent’. Mijn afval-maatje was je ook. Alleen vrat ik het er allemaal weer aan en jij niet; jíj zette door. Zoals je altijd door wist te zetten. Tot de marathons aan toe.
Doorloper –> Hardloper –> Marathon(s)loper –> Wereldloper –> Ultraloper! –> Roparunloper.
Zo staat het ook op je rouwkaart. Want dat was jij ‘ten voeten uit’. Letterlijk. Het waren je – opeenvolgende – titels op ‘ons’ forum. Want lopen kon je. Je begon ermee en was meteen niet meer te stoppen. Tot nu. De allerlaatste finishlijn.

Ik zal je zo ontzettend missen. Gewoon, om wie jij was. Dankjewel dat je zelfs nu nog in staat bent om eigenwijze, tobbende, zelfdestructieve mensen zoals ik weer met twee benen op de grond te zetten. Mijn spijt zal ik nu zelf de kop in moeten drukken. Voorbij moeten lopen. Want jij zou met grote stelligheid gezegd hebben: “Je hebt echt niks aan ‘wat-als’ en ‘had ik maar’!” Je zou me een knuffel gegeven hebben. Me aangemoedigd hebben om de tranen te drogen en mijn schouders weer recht te trekken. “En dóórrrr!! Ja? Je kunt het!” Ik hoor het je nog zo zeggen.

Maar ik wil nu nog niet door. Ik wil nog even huilen. Om jou. Om het verlies van een prachtmens. Meehuilen met je lieve man en je schatten van kinderen. En dán ga ik weer door. Beloofd. Met een duizend keer beter besef van wat écht belangrijk is in mijn leven. En wat totaal niet. Ik zal weer lachen. Al was het maar omdat jij dat ook altijd deed, ‘no matter what’.
Dank je, lieve San-meis.

bron: pixabay.com (en die ene Kafka)


En nee, ik probeer hier niet te ‘scoren’ met het verdriet en verlies van een ander (zoals sommigen altijd weer schijnen te denken; eigenlijk te triest dat ik de noodzaak voel om dit hier te moeten vermelden). Dit is ook mijn verlies. Dit is mijn manier van afscheid nemen, mijn manier om het verdriet te uiten, mijn manier van dankjewel zeggen, mijn manier om haar liefsten en naasten te laten weten dat ik hier en nu met ze meeleef en meehuil. Ik kan niet bij de uitvaart zijn (gelukkig wel virtueel). Het laatste afscheid dat nu, op het moment dat deze blog verschijnt, plaatsvindt. Die 1000km afstand kan soms (nu) heel bitter zijn. Daarom doe ik het maar zo.
En de nacht werd weer dag.
Dag…