Relativiteit in theorie

“Alles is relatief!” Te pas en te onpas wordt het geroepen. Te gemakkelijk om moeilijke aangelegenheden steeds opnieuw te reduceren tot minimale issues. Je leeft maar één keer, toch? En die ene keer moet je er dan maar uit halen, wat er in zit. Maar wát zit er dan in vredesnaam in? En hoe weet je wáár het zit, zodat je het er ook uit kunt halen?

Je ligt in het ziekenhuis voor een kleine standaardoperatie. Je hebt pijn; de operatie is niet helemaal verlopen zoals het zou moeten. Thuis ligt er een zo mogelijk nóg grotere berg zorgen op je te wachten. Je weet eigenlijk niet eens hoe je leven verder zou moeten, overziet het niet meer. Onmogelijke keuzes. Grote verantwoordelijkheden. Rationaliteit moet per definitie overheersen, de wanhoop de kop ingedrukt. De pijn blijft. Wie biedt er nou meer ellende?

Naast je in de ziekenhuiskamer ligt nog een mens. Haar leven doorspekt van ziekte, verlies, verdriet, dood. Haar broer en twee zussen begroetten elkaar al lang in het hiernamaals. Een dappere, oude vrouw met existentiële angsten. Haar volwassen kinderen kijken naar haar, door goed gespeelde zorgen verscheurd. De kleinkinderen drukken oma uit plichtsbesef even tegen zich aan om vervolgens op de grond te gaan zitten wachten tot ze ein-de-lijk weer naar huis mogen. Oma kijkt het met lede ogen aan. Waarom zijn ze hier? Omdat het moet? Van haar hoeft het niet. Lijden kan ze zo veel beter in haar eentje.

Je kijkt naar de drie kleine sneetjes in je buik terwijl de verpleegster de pleisters vervangt en een nieuwe dosis pijnstillers op het infuus aansluit. Drie schone gleufjes van een centimeter. Morgen mag je vast naar huis. Een blik naar de buurvrouw. Het obligatoire privacy-gordijn ontbreekt in deze kamer. Haar wonden worden open en bloot verzorgd. Lappen huid van tien bij twintig centimeter ontbreken, afgedekt door smoezelig gaas, de rafelige wondranden compleet zwart. Op haar benen en in haar liezen is het een slagveld, overal waar de kanker uitgezaaid en weer weggesneden is. Etter en pus waar je kijkt. Een onderbroek kan ze al sinds maanden niet meer dragen. Langzaamaan vergezellen steeds grotere plekken van het doorliggen de melanomen die haar langzaam opvreten. Je hoort haar onderdrukt kreunen van de pijn. Niemand mag horen hoe erg ze in werkelijkheid lijdt…

Het móet beter worden. Het leven kán hier niet ophouden want dan gaat de boerderij er aan onderdoor. Wat moet dat worden, met alle varkens en achtendertig koeien als zij er niet meer is? Wie verzorgt de katten en de kippen? Maar ze weet het zelf ook. Rationeel gezien valt er voor haar niks meer uit te halen, uit dit leven. Op naar een volgend. Ze kijkt nog eens op naar haar kleinkinderen en tekent trillend de overdrachtsverklaring. Dat is pas rationaliteit. Ratio zonder keuzemogelijkheden. Ze sluit haar ogen en ademt langzaam uit. Hoe vaak zal ze dat nog mogen doen?

Ja. Alles is relatief.

 

mag ik ’t ruilen?

“Gelooft u in de liefde?
Nu lacht u.
Ik zie het.
Maar ik vraag het in alle ernst…

Natuurlijk spreek ik niet van die uitbraak van hartstocht waarvan we allemaal menen, dat deze een leven lang niet zal eindigen, die hartstocht die ons dingen laat doen en zeggen die we later berouwen, die ons wil laten geloven dat we zonder een zekere mens niet meer kunnen leven, die ons laat beven van angst bij de gedachte dat we deze mens zouden kunnen verliezen. Dat gevoel dat ons niet armer maar ook zeker niet rijker maakt omdat we enkel willen bezitten wat we niet kunnen bezitten, omdat we vast willen houden wat we niet vast kúnnen houden. Ik bedoel niet die lichamelijke begeerte, niet de eigenliefde, die parasiet die zich zo graag als de onzelfzuchtige liefde vermomt.
Ik spreek van de liefde, die blinden tot zienden maakt. Van de liefde die sterker is dan de angst. Ik spreek van de liefde die het leven weer zin geeft, die niet toegeeft aan de wetten van verval, die ons laat groeien en die geen grenzen kent. Ik spreek van de triomf over de zelfzucht en over de dood.”

Ik lees momenteel het boek “Das Herzenhören” van Jan-Philipp Sendker (origineel in het Duits, de Nederlandse versie heeft de titel “Het Theehuis van Kalaw”), een boek zoals ik nog nooit een boek gelezen heb. Ik zou op elke pagina kunnen markeren dat ik die alinea moet onthouden. Elke bladzijde is zo mooi geschreven, zo intens, zo vol hartstocht en zo waarachtig dat ik er soms de tranen van in de ogen krijg. De passage hierboven had ik als eerste gemarkeerd. Niet om het antwoord op de vraag maar om de vraag zelf. Gelooft u in de liefde? Luister met het hart en geloven verandert in weten.

Ik luister nog steeds bijna uitsluitend met mijn oren.
Mijn hart weet al veel beter maar laat het gebeuren.
Het hoofd zou enkel nog met dat wijzere hart moeten luisteren.
Toe, mag ik ’t mijne ruilen?

s(h)itting life

ik blog te weinig, ik weet het. Maar dat heeft een oorzaak: momenteel wind ik mij nergens over op en is mijn wereld verrekte klein. Dat eerste komt door de medicatie, vermoed ik. Van veel pijnstillers krijg je een betonnen plaat voor je kop. En van te weinig koffie word je een sufkop, dat ook. Goh, een taifoen… wat rot… 0,1% economische groei (ook wel stagnatie genoemd), wat prachtig… over een weekje gaat de wereld ten onder aan nucleaire straling… tja, ’t is niet anders hè, daarna zien we wel weer verder… Of niet. Oh en dat tweede komt door het feit dat ik al meer dan een week huisarrest heb. Ik mag niks. Liggen, zitten, liggen, naar de wc krukken. En weer terug.

Mijn hoofd is een vlakte. Een droge steppe. Ik heb m’n werk inmiddels actief en succesvol weten te verdringen. Geen zin in. Komt volgende week wel weer. Of ook niet. Ik doe een dutje als de kinderen de deur uit zijn, het liefst met één of twee slapende katten tegen me aan. Ik teken een zentangle of een zendoodle, schrijf wat en delete ’t dan weer (too boring, net als dit hier). Na de middag vragen de kinderen een hoop aandacht (school kills, had ik dat al gezegd?). Zoon vertelt en passant dat men zijn pennenetui met dagelijkse regelmaat door de klas heen keilt, maar ach, ze rapen het over het algemeen ook wel weer op. Goh, fijn. En hij heeft eindelijk een ‘echt’ vriendje gevonden. Dat is niet ‘goh, fijn’, dat is geweldig. Het is nog een aardig jong ook. zentanglecollage

Ik kijk naar de kat, die op dit moment onze koeienvlekkendeken probeert te slachten. En naar de zooi in de keuken. Als huisman is mijn man duidelijk net zo geschikt als een genarcotiseerde mol. Hij ziet niks, werkt de pruttel wat opzij, stopt bij tijden een noedel of een stuk oud brood in zijn mond, duwt af en toe wat in-de-weg-liggends aan de oppervlakte (zodat ik het weg kan ruimen) en graaft zich dan weer met verbazingwekkende snelheid in de onzichtbaarheid (namens ‘zijn werk’). Ik doe dus – ondanks de situatie – toch zo goed als alles, op mijn rollator – hatsjikideeee – en weet inmiddels ook welke kant-en-klare c.q. diepvriesmaaltijden geapprecieerd worden en welke niet. Het maakt mij geen bal uit: ik eet ze toch niet.

Ik teken wat meer, kijk naar Koffietijd (shocking) en de samenvatting van DWDD (saai gelul). Ik zie Miracle Blades, Magic Bullets, FabAbTrainers, wonderkorsetten en geweldige aztekische afvalpillen met de onuitspreekbare naam Alcachofa de Laon (Artisjokken in poedervorm voor maar vijftig euries per week!) bij Tommy Teleshopping en Tellsell (sorry, Netflix werkt niet in Oostenrijk). Dr. Google geneest mij snel weer van onverhoopt ontstane koopneigingen en ik dank de mensen die de moeite hebben genomen om de realiteit omtrent deze verzameling schroot en pseudo-hoopgevers in een recensie weer te geven. Thank you, thank you, thank you. Apropos, recensies. Ik schrijf nog wat meer. Recensies (hiero!) over seksboeken (zogenaamde ‘erotisch-pornografische romans’). Leuke bezigheid, moet ik toegeven, al behoor ik duidelijk tot het minder geschikte publiek voor dit literaire genre (over immuniteit gesproken…).

Het meest opwindende in mijn leven is momenteel de tijd die ik nodig heb om van de bank naar het toilet te komen. Die wordt namelijk steeds korter, naarmate ik mijn rollator met meer behendigheid en snelheid om de bocht kan manoeuvreren en met mijn krukken grotere sprongen kan maken (als ik zo doorga, mag mijn linkerknie straks ook geopereerd worden). Mijn rug gilt het elke avond uit van de excruciërende pijn. Ah… the blessings of a s(h)itting life. Ik verheug me inmiddels al op een heerlijk simpel rondje boodschappen doen. Vanmiddag onderneem ik ein-de-lijk weer eens een poging tot autorijden. Ik mis ‘m, mijn Oud-i… De kinderen moeten naar de gym resp. naar judo en er is niemand anders die dat kan doen, momenteel. Ja ja, dit wordt een topmiddag!!

Fictie

Lieve en uiterst gewaardeerde lezers,

Even een berichtje aan jullie. Opnieuw een blogje ter verduidelijking. Zoals u vast al gemerkt heeft, schrijf ik een hele hoop. Van dagelijkse onzinnigheden tot gedichten, over gebeurtenissen en over mezelf, van frustratie tot verdriet. En éigenlijk schrijf ik ook heel graag fictieve dingen. Tot nu toe hield ik me in wat fictie betreft, vooral omdat op elk fictief stuk of gedicht wat ik tot nu toe schreef, geschrokken of verontruste reacties kwamen: mensen die over het hoofd zien dat het fictie is en denken dat ik nu psychisch volledig in de kreukels lig, dat mijn relatie cq. huwelijk ten einde is, dat ik er minstens achtendertig lovers op na houd, dat ik mezelf wat aan doe of weet ik veel wat nog niet meer.

Ik heb al vaker een blogje als dit geschreven (‘Mind the tag’ heette dat geloof ik, u mag zoeken), ter geruststelling of ter uitleg. Ik kan u verzekeren, dat ik zo dermate gestoord ben, dat ik veel, héél veel uit mijn duim kan zuigen. Hoe verzint een schrijver een roman? Hoe schreef J.K. Rowling die zeven Harry Potter-boeken? Hoe verzint Stephen King zijn horrorverhalen? Waar kwamen die vijftig tinten grijs vandaan?? Een rijke fantasie en een sick mind. Het blog hiervoor heeft bijvoorbeeld werkelijk NIETS met mij te maken. Ik pikte ergens in de dieptes van het internet een oude schrijfopdracht op. Een 400 woorden-verhaaltje. Mijn huwelijk is nog prima in orde (voor zover ik weet). Mijn man hééft geen halfzusje. Of hij een buitenechtelijke relatie heeft, weet ik niet, maar in ieder geval merk ik er dan niks van. Hij merkt van de mijne natuurlijk ook niks… (BOEHHH!! GEINTJE!!!! ECHT HÈ!!!) (Hij merkt het wel) (WAHHH, ALWEER ZO’N GEINTJE!! 😉 ).

OK, genoeg gedold. Mijn vraag aan jullie: Iemand een suggestie hoe ik mijn blog beter kan “markeren”? Ik wil alles wat fictief is, in ieder geval vanaf nu in een andere kleur posten (zoals vandaag het geval was, maar ik ga alle voorgaande fictieve dingen niet alsnog in een andere kleur zetten, no way), maar voor zover ik weet, zie je dat bij het lezen op de telefoon dus niet. Daar blijft de tekst gewoon zwart… Net als de tags, die zijn op de telefoon in eerste instantie ook niet te zien. Dan kan ik taggen en markeren wat ik wil, de foonlezers blijven zich lens schrikken. En om nu boven elk blog eerst een uitgebreide uitleg te gaan typen, dat vind ik nou ook zowat…

Voor het geval ik geen adequate oplossing vind, moet u zich er maar bij neerleggen, dat u ook in de toekomst af en toe een shock te verduren krijgt. Mocht u zich werkelijk ernstige zorgen maken, vraag dan. Of laat een comment achter, dan zal ik o.h.a. wel zo snel mogelijk uitleg geven. Vooralsnog moet u er maar gewoon vanuit gaan dat ik een sick mind heb. En dat afgezien van die mind alles in orde is. Deal?

Stilte

Zo veel te veel gezegdStilte
en toch te weinig woorden.
Priemende onduidelijkheid.
Ogen die doorboorden.

Ik weet het niet meer.
Wat doe ik steeds fout.
Verlies die mensen
waar ik zo van houd.

Windstille luwte
in het oog van een orkaan.
Ik hoop het maar. Ach toe,
ga weer naast me staan…

Kom hier en omarm
wat je ooit adoreerde.
Maak mijn binnenste warm.
Wees wat ik toen begeerde.

Sla mijn handen voor de ogen.
Word gek van deze kilte.
En kwijn zwijgzaam weg
in jouw opgelegde stilte.

Geschreven liefgeluiden
zorgzaam uit ’t net opgevist
zo ook verdwijnen ze weer
als bomen in de mist…

.

.

(c) Lou

Als een vlinder

Gisteren schreef ik naar aanleiding van een aantal dingen een spontane tekst. Ik plakte die op een foto van een vlinder en postte dat geheel op Facebook. Dichteres Janine Jongsma (dankjewel lieve Janine!!) was aangegrepen door de laatste zinnen en schreef ze anders op (namelijk onder elkaar) om er meer en betere nadruk op te leggen. En ineens ontstond er poëzie… Daarom wil ik het graag hier met jullie delen.
De tekst die eraan vooraf ging:
.
Ik vraag me echt oprecht af waarom de mens als zodanig niet in staat is om zijn soortgenoten met rust te laten. Als je elkaar vlinderniet kunt luchten of zien, ga elkaar dan tenminste uit de weg, vrij naar ’t motto ‘Live and Let Live’. Maar nee, er moet gelijk op elkaar ingehakt en -geslagen worden. Kinderen worden mishandeld en misbruikt, ouderen beroofd of simpelweg vergeten, dieren gekweld en doodgeknuppeld, nietsvermoedende mensen worden van hun fiets getrokken en in elkaar geramd. Men pest en mobt elkaar letterlijk de dood in. Probeert elkaar één of ander óngelooflijk geloof als ‘het enige ware’ op te dringen: my way or the stairway to hell. Soms komt er dan weer zo’n dag waar je ineens weer met je neus op het feit gedrukt wordt, dat de mens een raar en gewelddadig wezen met enorme en onnavolgbare hersenkronkels is. Ik ben weliswaar heel blij dat ik heel veel mensen ken die bewijzen dat het ook nog anders kan. Maar toch word ik er bij tijden ook intens verdrietig van en zou ik ’t liefst wegvliegen. Als een vlinder. Weg. Als dat wezen, dat door niemand gehaat wordt, door niemand gevangen, door niemand de vleugels uitgerukt of zonder reden platgedrukt. Onbereikbaar voor de ellende die we elkaar aandoen. Voelsprieten ingetrokken. Vleugels samengeklapt. In de allerhoogste boom. Op de meest broze tak. Gewoon. Onmenselijk.
.
.
.
.
Als een vlinder
..
als een vlinder weg
als dat wezen door niemand gehaat
door niemand gevangen wordt
.
door niemand de vleugels uitgerukt
of zonder reden platgedrukt
onbereikbaar voor de ellende
.
die we elkaar aandoen

voelsprieten ingetrokken
vleugels samengeklapt
.
in de allerhoogste boom
op de meest broze tak
gewoon. Onmenselijk.
.
 
(c) Lou
 

Time out

Door de tuin, over het bijna nieuw ogende pad van rivierstenen, liep hij naar de schuur. Zijn oude maar inmiddels weer verre van krakkemikkige werk- en knutselhok, een zelf opgeknapte, houten hooischuur op een meter of honderd afstand van de eveneens tiptop gerenoveerde woonboerderij. Dikke balken, een grote staldeur, de geur van oude motorolie en vers gezaagd hout. Alles had hij met liefde in perfecte staat gebracht. Zijn baan als machinist had hem zijn leven lang veel van het land laten zien, had hem altijd voldoening gegeven en hem jarenlang omgeven met die zalige bielzengeur. Totdat de betonnen bielzen kwamen… Springers had hij vanzelfsprekend ook meegemaakt. De aanblikken van die wanhoop voor eeuwig in zijn geheugen gegrift. Als hij dan toch weer thuis was, stortte hij zich op de gebouwen. Zijn gebouwen. Zijn tweede natuur, zijn lust en zijn leven. Timmeren, bouwen, ombouwen, renoveren. Nieuw, mooier en beter maken. Nooit te oud. Nooit te goed.

Maar nu, nu was alles af. Beter. Best. Op zijn mooist. En afgelopen. Afgemaakt. Sinds drie maanden was hij nu officieel met pensioen. Wat een rotwoord. Oudjaar. Einde van alle jaren. Een bedankje op papier voor zijn tweeënveertig dienstjaren. Waar vind je dat nou nog tegenwoordig? En een nieuw jaar vol met niks… En nu, nu waren ook alle bouwperikelen rondom huis en haard voltooid. Er was niets meer wat nog moest gebeuren. De laatste lik verf op de schuurdeur had alles afgemaakt. Klaar. Over en uit.

En ineens. Zomaar.
Was het daar.
Dat groots gapende gat.
Wat nu?
Waarvoor nog…
Waaróm nog…
Spring ik erin?
Of blijf ik eeuwig hangen…

Samen met Mara had hij net geluncht in het zonnetje op de gelikte veranda die door haar al liefdevol met een bloemenzee was uitgedost. De boel zou vast nog wel een keer gruwelijk bevriezen, maar dan zou ze er onuitputtelijk nieuwe bloemen neer blijven zetten tot ze ook écht in leven bleven. Ook al geen eeuwig leven. Ze was net even boodschappen gaan doen. Wat lekkere dingetjes voor vanavond bij de boterham, zei ze nog. Ze had hem nu toch niet meer nodig…

Hij slenterde voort.
De zinloosheid was tastbaar.
Zichtbaar.
In zijn voetstappen op de nog keiharde grond.
Blauwe hemel, de linde geur van lente.
Wat had het nog voor zin.
Druk scharrelende vlaamse gaaien.
Een blauw veertje achterlatend.
Waarom zou hij nog…
Dat lichte briesje dat door zijn laatste vlassige haren dwarrelde.
Wanhopige moedeloosheid maakte plaats.
Voor absolute leegheid…

Het bungelde een beetje. Stevig bevestigd aan de dikste balk in het midden van de schuur. Hij schoof er een gammel draaikrukje onder en draaide het nog iets hoger om echt zeker van zijn zaak te zijn. Het uiterste van de ketting. Een geschikt touw had hij niet kunnen vinden. Dan maar zo. Een zwaar gevoel. Even stond hij, ogen gesloten, en vroeg zich nog één keer af waarom. Het kon niet anders. Er was niets meer. Aan alle zinloosheid een einde. De ondraaglijke zwaarte van het bestaan. Even wiebelen, overgaand in een licht schommelen. Een troostend wiegen.

Het krukje kantelde en de auto van Mara reed steentjesknarsend de grindoprit op. Haar met verdriet en shock doordrenkte schreeuw hoorde hij al lang niet meer.

Hij wist het nu.
Het was zijn tijd.

.
.
Time.

.
Out.

.

.

.

.

.

N.a.v. enkele (privé-)reacties:
Please mind the tags!!! Dit is een volledig fictief kort verhaal. Het heeft niets met mij of mijn (directe) omgeving te maken.