Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

Keulen is klote

Keulen is al lang niet meer slechts een naam voor een stad.
Keulen is een zelfstandig begrip geworden.
Keulen. #Zeghet en iedereen weet direct waar je het over hebt.

Maar is dat wel zo? Weten we waar we het over hebben?

Voor de één is ‘Keulen‘ het lang verwachte armageddon dat door de massale toestroom van vluchtelingen met een ander geloof, een andere achtergrond en andere waarden en normen, veroorzaakt wordt. TPO, GeenStijl en co. lusten er, samen met een verlekkerde Geert en een juichende Trump, wel pap van. Het is koren op de rechtse molen.”Zie je wel? We zeiden het toch? Eerst wordt de boel dagenlang in de doofpot gestopt. Vervolgens komt de politie-k met een krom verhaal op de proppen en nu blijkt dat al die Islamobbers zich moedwillig hebben verzameld om ónze vrouwen te bespringen en ónze westerse vrijheden aan hun laars te lappen. Al die daders per direct het land uitzetten en de grenzen dicht voor nieuwe potentiële verkrachters, dat is de enige remedie tegen deze invasie van geweld en misbruik.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Voor de ander is ‘Keulen‘ een incident als vele andere. Dit keer helaas politiek erg brisant door de – al dan niet bekende – herkomst van de daders en de aanvankelijk nogal onhandige verdoezeling van de feiten. FrontaalNaakt, Krapuul en co. doen, samen met menig onthutst brabbelende linkse politicus, hun best om het zo op te tekenen. “Zie je wel? Nu het asielzoekers zijn, vliegt iedereen ineens in de hoogste boom. Waren het ‘gewone Duitsers’ geweest, had er geen haan naar gekraaid want dit soort dingen gebeuren overal. Kijk maar naar de aanrandingen van de serveersters op het alternatieve Oktoberfest in Alkmaar. Of naar de gang rapes op Britse en Amerikaanse universiteiten. Om van alle seriële verkrachtingen binnen familie- en vriendenkringen nog maar niet te spreken. #Zeghet werd afgedaan als zielig gejank, want daarbij ging het vooral om ‘eigen volk’ en dan moet je niet zeuren. Maar nu de daders van andere komaf zijn, is het ineens wél een rel vanjewelste en worden alle vluchtelingen over één kam geschoren. Hoe hypocriet wil je het hebben.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Dat dit soort dingen daadwerkelijk overal en altijd al gebeuren, kan ik – zij het enkel marginaal – bevestigen: ga voor de grap eens oud en nieuw vieren op het plein bij de Stephansdom in Wenen. Dan mag je blij zijn als je heelhuids, onberoofd, onaangerand en zonder voetzoeker in je nepbontkraagje weer thuis komt, ook zónder de aanwezigheid enige asielzoeker in de wijde omtrek. Dat was twintig jaar geleden al zo en dat is nu nog steeds zo. Ook heb ik menig Oktoberfest in München bezocht, waar ik dergelijke taferelen (massale beroving, geweld, aanranding door niet-asielzoekende daders) mocht aanschouwen. Maar daar gaat het niet om.

Waar het wel om gaat, is dat iedereen dénkt te weten wat er daar in Keulen gebeurd moet zijn en waarom dat gebeurd is. Iedereen – ik generaliseer nu zelf even, ik ben mij daarvan bewust – ziet er datgene in, wat hij/zij wíl zien. Iedereen zoekt precies die mediale berichtgeving die in zijn of haar straatje past. En iedereen heeft per definitie het eigen gelijk. Daarmee krijgt de gigantische wig die tussen ‘iedereen‘ en diens medemens gedreven wordt, nog een flinke klap met een moker na.

Op dit moment probeer ik enkel nog naar mijzelf te kijken en te doorgronden, wat dit alles het met mij en mijn overtuigingen doet. Ik was zoiets wat – niet bepaald liefdevol – als ‘Gutmensch‘ betiteld wordt. Gutmensch is al lang tot een scheldwoord verworden, een passende titel voor de naïeve en goedgelovige multiculti-knuffelaars onder ons. Voor mij dus. Maar ik kon en wilde simpelweg niet geloven dat een geloofsovertuiging dit soort excessen kan veroorzaken. Ik wilde niet geloven dat een groep mannen enkel op basis van een religie op zulk walgelijke wijze op een vrouw neer kan kijken en haar naar believen wenst te misbruiken.

En ik kan en wil dat nog stééds niet. Ook al weiger ik zelf in welke godheid dan ook te geloven (ik ben een ‘kufar‘, een atheïst, een ongelovige), ik ken te veel fijne, goede, vredelievende en respectvolle mensen van alle mogelijke geloofsovertuigingen om dermate te kunnen of te willen generaliseren. Ik wil zo graag blijven geloven dat ook ‘Keulen‘ een uitzondering, een losstaand incident was en dat ons beeld van wat er daar (en ook elders) gebeurd is, nog verre van compleet is. Maar ook ik, ja zélfs ik, word nu langzaamaan banger. Sceptischer. Wantrouwender? En het lullige is: ik ben zelfs bang om dát toe te geven.

Wat als.
Nee, dat kan niet.
Maar wat als…

Angst is een bitch.

Daarom is Keulen klote.

Is Karma echt zo’n bitch?

In twee seconden getwitterd, in twee seconden je carrière om zeep? Mia dacht even niet na over de impact van haar tweet. Een zwaar kraanongeval in Mekka, 60 doden, ca. 80 gewonden en zij zegt daarop: “[…] Karma is a bitch. #9/11.” Mia weet blijkbaar niet dat hastags met getallen niet werken, maar dat doet er niet toe. Niet meer. Wat zij werkelijk bedoelde met haar uitspraak, ook niet.

MiaSliwinski“Het lot kan harteloos zijn.” Dat was alles wat ze ermee had willen zeggen. Had ze 9/11 weggelaten, was de lawine misschien slechts een oversized sneeuwbal geweest. Had de hashtag daadwerkelijk gewerkt, was ze nu waarschijnlijk al lang ondergedoken of doodgestoken.

Maar: had IK dit getwitterd, was er niets gebeurd. Ik zou wellicht een paar mensen over me heen hebben gekregen die gevonden zouden hebben dat dit dus écht niet kan. Een paar fanatiekelingen zouden me waarschijnlijk ontvolgen en klaar. Iedere no-name mag roepen wat ie wil, de ergste verwensingen, de grootste racistische uitingen, de meest gruwelijke vergelijkingen. Niemand die daar nog van opkijkt. Het internet staat er vol mee. Het verschil met Mia? Zij heeft, als partijraadslid en docente Nederlands, een zogenaamde voorbeeldfunctie waardoor het behoud van haar functies afhankelijk is van andermans mening over haar. En die kan zomaar ineens volledig veranderen, dat blijkt.

Zo gauw je een maatschappelijke positie hebt, waar andere mensen in jou een voorbeeld zouden kunnen gaan zien, is je vrijheid om je mening te uiten volledig verdwenen. Op de eerste de beste ondoordachte uiting in de vorm van een snelle tweet, een meervoudig interpreteerbare zin in een interview of een simpele status op Facebook wordt je keihard afgerekend.

Zo bestaat er nu zelfs een Facebookgroep “Wij eisen ontslag Mia Sliwinski.” Ja, echt. En nee, geen link. Ik weiger een bijdrage te leveren aan dit soort stupiditeit. De domheid aldaar is werkelijk stuitend. Men gelooft zelfs in zelfverzonnen sprookjes: “De Gemeente Spijkenisse en haar partij gaat bij 10.000 likes een einde maken aan de werkzaamheden van Mia! Deel de pagina met jong en oud en vergeet niet te liken!” aldus de site. Mag ik even lachen? Alsof een gemeente haar ontslagbeleid gaat afstemmen op het aantal likes op een idiote Facebookpagina. Ook de school waar ze werkt, werd blijkbaar bestookt en gedwongen tot een reactie, die gelukkig enigszins ‘verstandig’ uitviel.

Mia’s tweet valt natuurlijk in het niet bij uitspraken zoals die van Dhr. Werner Fayman, onze Oostenrijkse bondskanselier, die de massale ‘deportatie’ per trein van in Hongarije aangekomen vluchtelingen vergeleek met de Holocaust. Deze uitspraak was misschien diplomatiek gezien niet erg handig, zeker niet met een buurhaai als Viktor Orbán in je nek, maar het is wél waar iedereen bij het zien van de beelden aan denkt. Alleen mag je het in díe positie níet meer zeggen. En dat vindt iedereen heel normaal.

Conclusie:
Ben je een nobody? Roep wat je wilt, er is toch niemand die een voorbeeld aan jou neemt. Je bent hooguit een paar vrienden of tweeps armer.
Ben je niet afhankelijk van een werkgever die waarde hecht aan marktimago en uitspraken van medewerkers? Gooi er vooral uit wat je niet binnen kunt of wilt houden. Het zal anderen worst wezen.
Ben je zo iemand die alles aan de afgetrapte laars lapt en vindt dat ie sowieso niks te verliezen of te verbergen heeft? Hou je niet in en smijt heerlijk iedere opwelling verbaal op het net.
Ben je dat allemaal niet? Dan ben je per definitie maatschappelijk bezit en moet je je mening te allen tijde inslikken, want bij jou is Karma pas écht een bitch.

De vrijheid van meningsuiting is dood.
Lang leve de vrijheid van meningsuiting.

Es ist, wie es ist

Schwer ist es.
Schwer, um genau das auf zu schreiben,
was ich wirklich sagen möchte.

Schwierig ist es auch.
Schwierig, mich zu äußern.
Schwierig, niemanden mehr zu verletzen
mit meiner persönlichen Verarbeitung vom ganzen Geschehenen.

Ich möchte den Einen auf keinen Fall verunsichern, dem Anderen aber irgendwie so gerne schildern, wie ich’s erfahre und bislang erfahren habe. Zeigen, dass es in meinem Herzen bei weitem nicht so eisig und kalt ist, wie es für die Außenwelt aussehen mag. Im Gegenteil.

Nein, ich bedauere nicht. Non, je ne regrette rien. Es ist, wie es ist und es ist gut so. Ich verdanke ihm so viel. Zwei fabelhafte, besondere Kinder und Dezennien des guten Lebens. Tausende Erinnerungen und Erfahrungen. Ich werde sie nie vergessen. Auch nie vergessen wollen. Oder können.

Aber irgendwann, vor einigen Jahren, fingen wir an, den Faden zu verlieren. Diesen Faden, der uns so lange zusammenhielt und der ganz langsam, ja, fast unmerklich, ausfranste. Schlussendlich brach er. Wir bemerkten es nicht einmal, aber unser Flickenteppich fiel in Zeitlupe auseinander. Die Fetzen waren immer weniger miteinander verbunden. Bis alles plötzlich in einzelne Stücke auf den Boden fiel. Die warme Decke war keine mehr. Irreparabel. Kaputt.

Wir haben unser Bestes getan. Alles, um es so gut wie’s ging, zu regeln. Und das ist uns auch gelungen. Es ist absolut erstaunlich, aber unser Nachwuchs gedeiht nach wie vor. Den beiden geht’s überraschend gut, mal abgesehen von den Schwierigkeiten, die sie sowieso schon immer hatten. Wir regeln das. Wir schaffen das. Und sie werden ihren Weg finden, koste es, was es wolle.

Ich sagte: “Ich bedauere nicht”. Stimmt auch weitestgehend. Aber irgendwie doch nicht ganz? Ich bedauere, wie es gelaufen ist. Die Art, die rasante Geschwindigkeit, die Brutalität. Wie eine Dampflokomotive. Er sagte: “Alles hat eine gewaltige Eigendynamik bekommen und jetzt ist der Zug nicht mehr zu stoppen. Er wälzt über alles drüber…”

Und so war es in der Tat.

Es so weit haben kommen lassen, dass es im Vorhinein schon keine Chance mehr hatte. Und ja, da bin ich sicherlich mehr Schuld. Ich hätte viel früher aufschreien müssen. Aus meiner Sicht habe ich das auch mehrmals getan, nur war’s wohl nicht laut genug… Darüber zu streiten hat jetzt keinen Sinn mehr. Es ist, wie es ist.

Wir sind nun beide zusehends glücklicher. Er mit der Seinen, ich mit dem Meinen. Sie gibt ihm wieder Halt. Sie ist mit Sicherheit eine tausend Mal bessere Frau für ihn als ich es je sein konnte oder sein würde. Das hoffe ich wirklich  aufrichtig. Und ich habe ebenfalls meinen Lebensmensch gefunden. Es ist irgendwie ein blödes Wort, ich weiß, aber es fühlt sich nun mal so an. Er ist gut für mich. Derjenige, der mir wieder Halt gibt. Das Ganze war möglich weil wir – er und ich, wir beide – zuschauten, während wir in den Abgrund schlitterten. Abgerutscht; von fast gar nichts schnurstracks hin zu einfach gar nichts mehr.

Desinteresse. Kritik. Gegenseitige Unzufriedenheit. Entfremdung. Verfremdung. Gleichgültigkeit.

Bis es irgendwann nur noch ein mehr oder weniger seelenloses nebeneinanderher Leben war.

Alles schien so perfekt… Liebe, intelligente, kreative, eigensinnige, besondere Kinder. Ein tolles Haus, niedrigstenergie sogar! Ich war sowas von stolz drauf. Wir hatten Luxus. Und keinerlei finanzielle Sorgen. Wir hatten alles. Nur einander nicht mehr…

So viel Vergangenheit, aber keine weitere Zukunft. Das tut mir aufrichtig Leid. Die Lawinen, ja, mehrere, rollten hier genauso unbarmherzig drüber, glaub’s mir. Die Verzweiflung. Was schmiss ich da über Bord? Nein. Wir!

Oh, und ICH vermisse auch. Meine Nachbarn, die jetzt keine Nachbarn mehr sind, nur noch Freunde. Mein schöner Garten, wo ich mit so viel Hingabe gearbeitet und geerntet habe. Aufs Rasenmähen konnte ich allerdings verzichten. Mein geregeltes Leben, wie es mal war. Auf einmal war alles weg. Durch mein – nein, unser – eigenes Zutun. Aber vor allem vermisse ich doch meine Schwägerinnen und Schwäger, meine Nichten und meinen Neffen, meine ‘zweite Mutter’.  Seit einem Vierteljahrhundert meine Familie, aber jetzt schon fast seit einem Jahr nicht mehr gesehen. Ich vermisse sie. Sehr sogar. Aber jetzt traue ich mich nicht mehr… Wie würden sie mich sehen? Würden sie mich überhaupt noch sehen wollen?? Ich sie schon… Ja, wirklich, dann kommen mir die Tränen.

Ich vermisse das Haus ebenfalls. Das Haus, das schon längst nicht mehr das meinige ist, aber es mal so sehr war. Das Leben in diesem Haus, wo alles (fast) perfekt war. So, wie wir es uns gewünscht hatten. Und wofür er so viel getan hatte. Ich schenkte ihm meine Hälfte. Konnte nicht ertragen, dass er dort, durch unser Auseinanderreißen, wegziehen müsste. Nicht ertragen, dass die Kinder auch noch dieses Zuhause verlieren würden. Das konnte nicht sein, das durfte einfach nicht passieren. Aber ich vermisse es. Doch es ist, wie es ist.

Wirklich, glaub’s mir, ich möchte es nicht anders. Zwei völlig neue Leben, um 180° gedreht. Neue Partner, neue Horizonten, neue Zukunft im Doppelpack. Aber das Wichtigste: den Kindern geht’s gut…

Doch manchmal weine ich nachts trotzdem bitterlich. Einfach so. Um das, was mal war. Und jetzt nicht mehr ist. Um alle, die – und alles, was – ich so sehr vermisse. Auch wenn’s jetzt gut ist, so wie es ist. Vielleicht sogar besser. Auch für ihn.

Ich hoffe lediglich noch, dass er das nun selbst auch erkennt.
Ich hoffe, dass die großen und kleinen Herzen jetzt, nach einem Jahr, nicht mehr so stark bluten…

Es ist, wie es ist.

Liet vrij

Al mijn ‘toen’. Dat was met jou.
Een verleden zwanger van ’t leven.
Door de jaren roerloos heengegaan.
Kunnen we ’t nu niets meer geven.

Jij wou die verre einden lopen
Ik wilde enkel hoger springen.
Jij wou niet praten, op meer hopen.
Ik wilde zó veel liever zingen…

Jij schoot wortels, meters diep
Ik had ineens vleugels gekregen.
En de stilte die ons zo luid riep
Hebben we samen bruut doodgezwegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Voelde me jonger. Wist niet waarom.
Jij voelde je misplaatst. Bal naast de stip
Zo vielen we tergend langzaam om.
Verloren we meer en meer de grip.

Ik snapte dat jij er niets van snapt.
Ik begreep dat jij het niet bevat.
Waarom was alles dan níets waard?
Er volgde een lawine. ’t Grote gat.

We vergaten enkel te bewegen.
Was ik ervoor, was jij ertegen.
En nu, nu gaan we dus toch
voorgoed gescheiden wegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Rest ons dat ene verstokte ritueel,
waar de één de ander vermijdt
Zien al niet meer, wat ons verbond,
enkel nog al dat, wat ons scheidt.

We moeten ademen en weer groeien
elkaar niet langer meer vermoeien
Daar waar we onszelf opnieuw ontmoeten
Krijgen wegen weer handen en voeten.

Wegen die altijd verbonden blijven
Alleen lopen wij ze nu niet meer samen
Al mijn ‘nu’ ligt ergens anders
We gingen sneller dan we ooit kwamen.

Ik liet je vrij. We blijven verbonden.
Ik liet je vrij. Laat jou weer je leven.
Ik liet mij vrij. Lik ons beider wonden.
Ik liet mij vrij. Kunnen we vergeven…

=================================

geïnspireerd door (en deels vertaald vanuit) de prachtige song van Andreas Bourani – Auf Anderen Wegen

Huilen mag.

Ik zou niks moeten zeggen. Stil en berustend moeten wachten tot ook deze storm weer overwaait. Maar ik kan het niet laten. De openlijke agressie maakt me bang. De agressie, die mensen tentoonspreiden naar aanleiding van een simpel stukje tekst. Je kunt het ermee eens zijn of niet. Je mag het belachelijk vinden en dat uiten. Je mag er natuurlijk kwaad om worden. Je mag te allen tijde je gal spuwen over de inhoud en de – in jouw ogen – minderwaardige kwaliteit van het stuk. Je mag woest worden over volgens jou niet kloppende ‘feiten’ en proberen een discussie aan te gaan met argumenten. Allemaal prima. Zo gaat en hoort dat in de hedendaagse samenleving. Let it all out.

Maar de realiteit is zo schrikbarend… Het blijft namelijk niet bij discussiëren of argumenteren Het blijft niet bij simpele, al dan niet getemperde woede en onenigheidsuitingen. Schrijf je vandaag de dag een tekst over een gevoelig onderwerp (abortus? De doodstraf? Feminisme? Terrorisme? Ik noem maar wat hoor!), over een penibel persoon (Zwarte Piet?) of een op zijn minst dubieuze groepering (euh… Hooligans? ISIS? Nee, laten we voor de zekerheid maar even iets rustigers als de Hell’s Angels of de Japanse Maffia nemen), kun je ervan uitgaan dat je de komende weken minstens acht keer per dag hartstikke deaud (DOOOOOOD!!!) moet. Dat je een vette NSB-er bent. Dat je de kankerteringtyfus moet krijgen, je moeder een kk-k*thoer is (en je oma natuurlijk ook), dat ze écht wel weten waar jouw huis woont en je binnenkort een kogel door je kop gaat krijgen. Je mag hard hopen dat je niemand van de aanhangers tegen zult komen want dan kun je voortaan vanaf een wolkje op hunne koppen spugen. Men (ver)vloekt, tiert en bedreigt, men wenst de langzame dood, hels verderf en eeuwige verdoemenis. De brandstapel is uit; men komt je wel eigenhandig de nek omdraaien met een meegebrachte bankschroef. Dat alles in bewoordingen die je ogen doen bloeden, om het maar even niet over het Nederlands taalgebruik als zodanig te hebben.

Ik vind het eng. Zijn dit echt mensen die in onze samenleving ‘functioneren’? Waarom wordt er dermate overtrokken gereageerd op een stuk tekst, waarin een overduidelijke problematiek kort en pregnant belicht wordt, in combinatie met een aantal op het moment van schrijven nog geldende feiten? Waarom is men door een summiere column (een column nota bene!! geen journalistieke tekst!) zó zeer op de gevoelige pik getrapt? Misschien omdat het onderhuids toch jeukt dat er een kern van waarheid in steekt? Omdat er wel degelijk een probleem is, wat men – read no evil, see no evil – liever niet wil erkennen? Of omdat men bij een eenvoudig “Oh, maar zó ben ik niet, wat een lulkoek en wat jij roept, is stierenpoep” geen genoegdoening meer voelt? Al deze mateloos overtrokken agressie laat alleen maar zien dat de tekst tóch een heel gevoelige plek raakt bij de betreffende groep. Een groep waarvan het gros duidelijk niet (meer) over normale meningsuitingscapaciteiten beschikt. De laagbijdegrondse bewoordingen en de ongenuanceerde uitbarstingen laten enkel zien dat de heersende vooroordelen over de meute in kwestie helemaal geen vooroordelen zijn: ze kloppen gewoon…

Met openlijke bedreigingen en iemand dood wensen kom je helemaal nergens.

Hooguit voor de rechter.

Huilen mag.

(Moet ik nu ook dood?)

Buikgevoel

Ze steunt zachtjes. De wond op haar been heeft dikke zwarte rouwranden. Wat bloederige korsten groeien door het gaas van transplantatiehuid heen. Op haar dij mist ze twee afgeschaafde lappen, felrode banen die pijn doen aan je ogen. Miep (eigenlijk heet ze Elfriede maar Miep vind ik beter passen) heeft huidkanker. Die van het ergste soort. ‘De Zwarte’, zoals ze het zelf noemt. Het type kanker dat zich ook gelijk in je lymfeklieren nestelt en van daaruit de rest van je opvreet.

Miep snurkt ’s nachts. Snoeihard. De uit haar liezen verwijderde lymfeklieren maken op de buik of de zij slapen onmogelijk en op haar rug heeft ze helaas geen controle over haar tong. Miep verontschuldigt zich en ik heb maar oordopjes gevraagd. Kleine moeite, meer rust voor allebei.

Na een dag redelijke stilte komen Miep en ik nader tot elkaar. Ze vraagt of ik haar wel versta, met haar sterke dialect. Ik stel haar gerust: ze kan voor haar begrippen ‘normaal’ praten, ik snap het wel. Ik kan alleen nog steeds niet toekijken hoe haar ontstoken wonden verzorgd worden maar ik hoor haar luid lijden. Miep heeft vijf jaar geleden al kanker gehad. Darmkanker. Veertig centimeter dikke darm mist ze nu, maar met alle chemo’s is ze twee maand geleden dan toch ‘genezen’ verklaard. En toen viel ze van de trap, bezeerde haar been op de plek waar enkel een vermeende spatader zat. Alleen kwam die spatader door de val ineens naar buiten en bleek een tumor te zijn.
“Da Krebs is a Hund,” mompelt ze zonder enige verbittering. En dat is ie.

Maar ze had het ook wel kunnen verwachten, zegt ze. Haar moeder had het ook. Het vele buitenwerk op de boerderij maakt van rare plekjes nu eenmaal zwarte kanker. Haar ene zus had eveneens darmkanker, die is al lang dood. Op haar zesenveertigste. Miep’s broer had prostaatkanker maar kreeg een hartaanval dus die heeft niet lang geleden.

“Is toch een mooie dood,” zegt ze. Gewoon omvallen en niks meer merken. Ja, zo zou iedereen dood moeten gaan. Haar nicht deed dat ook al zo mooi: die stond bij de kassa af te rekenen en zakte ineens in elkaar. “Poefff, weg,” zegt Miep terwijl ze demonstratief met haar vingers knipt. Zo hoort dat. Maar Miep moet eerst nog weer opkrabbelen want de koeien, de man en de katten wachten thuis op haar. En ze is nog maar éénenzestig hè! Te jong om nu al te stoppen met lijden.

Ik nestel me weer in mijn ziekenhuisbed en aanhoor mijn luid brommende en borrelende, vers geopereerde buik. Die probeert me overduidelijk iets te vertellen. Moet ik er dan toch maar naar luisteren?