Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

Brullen met tranen

21 uur. Bedtijd voor kleine kindekes.
“Mam, die zelfgemaakte patat ligt me dwars…”
“Neem je slokdarm als zweep en sla ‘m in ’t fatsoen, ja?”

Zoon grinnikt.
“Nee echt, als ik van hiero naar beneden op het parket kots [zoon heeft, net als dochter, een hele hoge hoogslaper], mag jíj de boel straks van het plafond schrapen.”
“Been there, done that, got the swiffer. Mij maak je niet bang.”

De humor. Vandaag is ie weer groots. Zoon stommelt naar de badkamer om vervolgens onverrichter zake voor een glas water naar de keuken lopen. En passant graait hij in de bak met laadkabeltjes (dat doet hij nu eenmaal graag, een automatisme). Eentje daarvan valt me nu ineens op.

“Hé, weet je nog, dat op afstand bestuurbare helicoptertje dat ik stante pede terug gestuurd heb omdat ie het niet goed – of eigenlijk helemaal niet – deed? Nou, dít is de laadkabel daarvan.”
Zoon ligt in een deuk. Tranen. Nu moet ie pas écht kotsen. Zegt ie.

“Oh en ik heb dat pakje met 3 nieuwe AAA-batterijtjes, waarvan ik claimde dat ze eveneens niet in de verpakking zaten, laatst ook in hal gevonden…”
“Waarom deed dat ding het niet dan? Waarom moest ie terug?”
“Nou, dáárom dus…”

Ze zijn eindelijk zo ver: ze liggen in hun bedden, of ‘doodskisten’ zoals dochter het blieft te noemen. Het plafond is namelijk slechts zo’n 50 cm boven hun neuzen. Tja, je moet wat hè. Zoon weet in ieder geval de oplossing om snel in slaap te vallen: met een noodvaart rechtop in bed gaan zitten. “Nou euh, tot over een dag of drie!!” brult ie jolig. In hun kamer [ja, ze slapen ook nog eens samen in één kamer, groot is het hier nu eenmaal niet] heb ik altijd de neiging om zooi op te ruimen en stof af te nemen. Ik, de huishoudelijke slons bij uitstek. U kunt zich voorstellen hoe het er daar uitziet.

Het los liggende dekseltje van een door dochter zelf gekleid paars-rood-blauw potje doe ik vol opruim-enthousiasme weer netjes op het onderste deel. Resultaat: de tanden en kiezen vliegen me om de oren.

“Neeeeeee, stupido!!! Mijn kiezen!! En ik verlies er al zo veel!!”
Da’s waar. Ze heeft boven en onder nog nét twee voortanden en hier en daar een hoektand. Daar houdt het wel mee op.
Dochter stommelt van de ladder omlaag om op de grond haar tanden bijeen te rapen.
Met de tranen nog in de ogen, jodelt zoon, dat je in dit huis sowieso elke dag minstens drie tanden verliest en dat op een blokje lego trappen er echt niks bij is. Maar: als we straks allemaal kunstgebitten hebben, zien we ze op de grond in ieder geval niet meer zo snel over het hoofd. Wel zo handig. De grapjas.

Ineens komt hij daadwerkelijk met een rotvaart overeind, ramt zijn hoofd tegen het plafond, dondert zijn hoogslapertrap af, geeft mij in het voorbijgaan met de ene hand een pets op mijn hoofd terwijl hij zijn andere voor zijn mond klemt. Een perfecte home run naar het toilet, om daar vakkundig zijn beugel eruit te spugen, begeleid door de genoemde patatten. En wie oh wie mag die beugel tussen het braaksel door weer uit het toilet vissen en minutieus schoonmaken, hmm? Juist. Di Mamma.

Het min of meer gebruikelijke avondritueel in huize(ke) Bartels.
Altijd weer leuk.

De onsterfelijkheid online

Bijna middernacht. Ik wil mijn computer afsluiten en nog even welterusten wensen op Facebook en Twitter. Een rare kronkel in mijn hoofd, want waarom doe ik dat eigenlijk? De meeste mensen die ik op deze manier goedenacht wens, ken ik ‘in het echt’ niet eens. Draagt het überhaupt iets bij aan de goedheid van de nacht van al die anderen op social media? Of toch enkel maar aan mijn eigen goede gevoel?

Plop. Een groot blok met dikke donkerblauwe omranding verschijnt midden op mijn beeldscherm; een notificatie van een app die ik voornamelijk heb om die gruwelijke FB-site aan te kunnen passen aan mijn wensen. Ik kan bepalen wat er verschijnt (timeline, feeds, filters), hoe het verschijnt (lettertypes, kleuren), waar het verschijnt (zijbalken etc.). Vind ik fijn. Ook al zo’n persoonlijke kronkel: waarom pas ik iets banaals en onbelangrijks als FB aan aan mijn visuele behoeften? Maar: de app deelt je ook op de meest idiote momenten mede wie er niet meer met je bevriend wil zijn. Aan de ene kant wel handig (soort van nieuwsgierigheidsbevrediging), aan de andere kant soms ronduit shocking. Dit was zo’n mededeling.

Deze ‘ontvriending’ kwam echter van een lieve vriendin, die al anderhalf jaar niet meer op deze wereld is. Dat raakte me onverwacht diep. Ik dacht ineens terug aan haar. Nu denk ik wel vaker zonder aanleiding aan mensen die ik al lang niet meer gezien of gelezen heb. Dan kijk ik out of the blue even op hun profiel, scroll er doorheen, like wat, zeg wat, en dan weet ik weer dat alles oké is. Ik denk ook met enige regelmaat aan degenen die er niet meer zijn, maar een directe aanleiding daartoe – zoals deze notificatie was – is er zelden. Het leverde een nieuw soort gevoel van herhaald afscheid nemen op. En ik snapte het niet, waarom was ze nú plots ook hier weg? Ik keek een laatste keer op haar profiel. Het was echt zo. “(+) Vriend toevoegen” stond er, maar dat vond ik not done. Taggen was niet ook meer mogelijk in de nachtelijke posting die ik daarop vanuit mijn hart schreef:

Het heeft iets onwerkelijks om kort voor middernacht ontvriend te worden door een vriendin, die anderhalf jaar geleden overleden is. Eind juni vorig jaar ging ze heen. Ik leefde mee in haar gevecht tegen kanker. Wat heb ik gehuild. Om haar, om haar zoontje, om haar dappere man, om het volledige wegblijven van enig antwoord op het ‘waarom’. De ondoorgrondelijke oneerlijkheid. Een verloren strijd. Ik volgde haar bruiloft, nog kort voor haar overlijden. We deelden, we schreven, we schreeuwden. We jankten.
       Ik weet niet wie haar account nu beheert, en het geeft ook niet dat diegene mij nu plots verwijderd heeft. Het is goed zo. Ik snap helemaal dat dingen afgesloten moeten worden. En dat andere dingen doorgaan. Ik zag mijn voortbestaande FB-vriendschap met haar als een soort van tribute, een herinnering die online doorleefde. Maar ze is er niet meer. Het is zoals het is. Ik zal me haar altijd herinneren als de dappere, lieve, moedige, immer levenslustige B., die zelf koos, zelfs het tijdstip van haar dood. Ik mag nu dan niet meer in haar kringen zijn, maar ze is en blijft in de mijne. Dag lieve B. In mijn hart is ruimte genoeg om altijd te blijven wonen, ook al is de gedenkwaardige FB-woning nu evident te klein geworden. Ik pink mijn tranen weg en denk even weer aan jou. Zoals ik wel regelmatig doe. Aan jou, mijn voorbeeld van een eeuwig dappere, sterke vrouw. Kus. Dag…

…en ik pinkte die tranen weg. Dacht terug aan haar, maar ook aan de mensen waar ik toen, in haar laatste dagen, veel mee sprak maar die nu jammer genoeg bijna allemaal weer uit mijn leven verdwenen zijn. Peinsde over hoe lang ik eigenlijk al niet meer aan haar gedacht had en dat het ergens best fijn was, om nu weer actief herinnerd te worden.

Maar wat bleek: de app is echt niet betrouwbaar. Althans, misschien ook wel, want de profielpagina was nu omgezet naar een In-Memoriam-pagina. Dat kan blijkbaar bij overledenen en dat registreerde de app, vermoed ik. Weer zo’n kronkel in mijn digitale wereld.

Mensen blijven online vaak sterker aanwezig dan ze in je echte leven ooit waren. Hun profielen blijven bestaan, hun accounts lopen – weliswaar vanzelfsprekend zonder updates – gewoon door alsof er niets gebeurd is. Ze blijven jarig, jaar in jaar uit. Henk Krol heeft dat ook al meerdere malen mogen ondervinden.

Online ben je dus nooit écht dood, je leeft digitaal verder. Je blijft bevriend met degenen die toen al bij je waren, blijft glimlachen en toekijken vanaf je profielfoto. Als niemand de toegang tot of het beheer over het account van de overledene heeft, niemand met een overlijdensbericht in de hand een aanvraag tot deactivatie indient, blijf je tot het einde der (FB-)tijden doorgaan met bestaan.

Deze ‘ontvriending’ (die er geen was) voelde als een fotoalbum dat zonder enige aanleiding uit de boekenkast donderde. Je schrikt even, pakt het verbaasd op, bladert er doorheen. En je herinnert je degenen die je dierbaar waren. In het echte leven kan me zoiets niet meer gebeuren: al mijn oldskool fotoalbums staan nog in een kast in een huis uit – hoe cru – een vorig leven. Daarom ben ik nu maar gewoon dankbaar dat er bij mij zo nu en dan, soms ongewild, altijd onverwacht, een digitaal album uit de FB-kast flikkert. Het houdt de herinnering levend.

Muggenbulten

“Mam, weet je wel dat jij nog steeds muggen hier in huis hebt?”
Zoon (13) krabt demonstratief aan zijn benen.
“Echt, ik heb óveral muggenbulten. Ze jeuken niet zo erg, maar toch ook wel een beetje. En soms doen ze zelfs pijn…”
Hij trekt er een gruwelijk meelijwekkend gezicht bij.

Ik weet heel zeker dat er geen muggen meer in huis zijn. Het is nota bene eind november, buiten vriest het en ik heb zelf al weken geen mug, vlieg of ander ongedierte meer gezien. Enkel joekels van herfstspinnen en een verloren fruitvliegje.

“Nou, laat eens zien dan?”
Hij showt z’n been. Ik zie een klein rood restplekje.
“Die was vorige week nog écht groter, hoor! Maar op de één of ander manier is ie nu ineens weer bijna weg.”
Ik vraag of hij er dan misschien nog meer heeft. Hij keert me letterlijk de rug toe.
“Kijk! Hier! Een hele grote, rare. Met een bobbeltje. Ik voel ‘em!”

Ik grinnik vertederd.
Mijn puber krijgt puistjes.

Beschrijf je zusje

Zo luidt vandaag zoons oefenopdracht voor het vak Duits (als in: Nederlands voor Nederlandstalige kinderen, maar dan net even anders). Over twee weken het grote proefwerk: De Persoonsbeschrijving.

Ik zit te werken op mijn kantoortje, hij om de hoek aan de keukentafel, nog geen twee meter verderop. Ik hoor hem foeteren en ploeteren.

Persoonsbeschrijver“Ik beschrijf mijn zusje.

“Kolere, wat schrijf je nou over een zusje.”
“Mijn zusje heet Tina*. Ze is een meisje, maar dat had u vast al verwacht.”
Dochter grinnikt vanuit de woonkamer.
“Ze is toevallig ook nog het kind van mijn moeder. Net als ik.”

Ik schiet ook in de lach, maar luister nu wat preciezer naar zijn gemompel; zoon heeft duidelijk inspiratie. En een pesthumeur.
“Gossamme, hoe schrijf ik meer dan tweehonderd woorden over iets dat ik niet eens beschrijven wíl?”

Mijn zusje heeft een grote mond waar ze vaak vet veul eten in propt.
Luid protest vanuit de woonkamer dat die zin onmiddellijk ‘geinktwisserd’ moet worden. (“Héé! Das wirst du sofort tintenkillern! SOFORT!”)

Dan barst hij los, zoals altijd hardop denkend (waar ik mij dit keer echter zeer over verheug)

“Mijn zusje heet Tina. Ik zal het even spellen. We hebben een teeee. We hebben een iiiii, we hebben een ennn en natuurlijk hebben we ook nog de aaaa. Mijn zusje ziet er precies zo uit als mijn moeder, alleen kleiner.”
Ik hoor hem in zijn tas rommelen.
“Hier, heeft u een foto van mijn moeder.”
Ik grijns vertederd.
“Deze foto heeft net als alle foto’s vier hoeken en is nogal klein. Hij is geprint op fotopapier met een…”

“Maahaaam! Wat voor merk printer heb jij?”
“…Brother-printer. Die printer heeft mijn moeder natuurlijk ook bij Amazon gekocht.”

Stilte. Ik neem aan dat zijn hersenen even op adem moeten komen.
En het is me nu ook duidelijk dat ik veel te vaak iets bij Amazon bestel.

Amazon is een mega-groot bedrijf dat overal op de wereld een hoop rotzooi aan mensen verkoopt. Maar onze printer is geen rotzooi, die is goed. Dat ziet u wel aan deze foto. En mijn moeder zegt dat ook iedere dag. Amazon komt trouwens uit Amerika. Amerika noemen ze ook wel de Verenigde Staten maar eigenlijk is Amerika een continent en de Verenigde Staten gewoon een land van veel landen.”

“Ze hebben daar een vlag met strepen en sterren erop. Sterren staan ook aan de hemel. Maar de hemel zelf is een verzinsel. Het is gewoon ons zonnestelsel in het universum, waar we met zijn allen stom naar zitten te staren.


“Zo, nu weet u ook hoe mijn zusje eruit ziet.

“Hoeveel woorden heb ik nu”

“Ik reken mooi die gespelde letters ook als woorden.”

“Sjezus, nóg vijftig!” Hij tikt getergd met zijn pen op tafel, op zoek naar een oplossing.

“Mijn zusje stottert nogal. Ondanks dat praat ze toch irritant graag en veel. Als mijn zusje iets tegen mij zegt, dan gaat dat altijd zo: “Hey, hey, hey, hey, blijf blijf blijf blijf met met met met je je je je je vieze vieze vieze rot rot rot rot ving-ving-vingers van van van van de de de de af-af-af-afstands be-be-be-diening-ning af af af af af. AF!” Ja, mijn zusje kijkt erg graag naar de televisie.”

“Zo. Dat moet wel genoeg wezen.”





*) Die naam heb ik verzonnen. De rest niet. Ik heb getuigen. En nee, ‘Tina’ stottert niet.

Kwestie van vertrouwen

Gisteren bracht ik mijn twaalf jaar oude boots naar de schoenmaker. Ik kon er niet meer omheen: de laarzen waren kliko-rijp, maar ze weggooien, dat kan ik echt niet over mijn hart verkrijgen. Ze zitten zó fijn, zijn zo lekker stoer en ze horen simpelweg bij mij. De gang naar de lokale laarzendokter was dus obligatoir. Mijn hoop was op hem gevestigd, op deze oer-Oostenrijkse 70-plusser van het oude ambacht.

Het is een piepklein winkeltje: als je de deur opent, doe je nog één pas naar voren en dan sta je voor de toonbank annex kassa annex werkbank annex koffietafel annex hele winkel. BootsAchter die met papieren, schaafsel, verweesde schoenen, schoensmeer en gereedschap bezaaide ‘balie’ staat meneer Schuhmacher zijn ding te doen met een paar bejaarde faalbeige gezondheidsinstappers. Je kunt dan rustig even gaan facebooken want hij laat je standaard minstens vijf minuten wachten; eerst afmaken waar hij mee bezig was, dan pas ben jij aan de beurt.

“Wat kan ik voor u doen?” mompelt hij, je niet eens aankijkend want die halve zool moet nog bijgesneden worden.
“Mijn lievelingslaarzen zijn kapot. Ik ben erg aan ze verknocht, dus er moeten nieuwe ritsen in en nieuwe zolen onder.” Meneer Schuhmacher pakt mijn meest kapotte linkerlaars en kijkt me dan tóch ineens, zij het zwaar medelijdend, in de ogen.
“Weet u zeker dat u dat nog wilt laten doen? Deze laarzen kunt u beter liefdevol begraven als u er zo aan gehecht bent.”
Ik kijk hem ontzet aan en vraag of hij niet toch nog mogelijkheden tot reanimatie ziet.
“Jawel, maar dat kost u minstens tachtig euro, plus nieuwe zolen, komt u op [Schuhmacher pakt overjarige calculator erbij] zo’n honderd euro. Nog een paar euro erbij en u kunt nieuwe kopen. Dat zijn deze laarzen toch niet meer waard?”
Hij snapt mij niet. Ik had van deze man meer passie voor oude schoenen verwacht. Toch blijf ik bij mijn reparatiewens. Met een laatste onbegrijpende zucht pakt hij mijn boots, draait ze voor zijn neus om, en legt ze op de all-in-one-schoenmakersmachine achter hem. Als ik ze daar moedeloos zie liggen, schiet ik bijna vol.

“Mag ik die honderd euro dan gelijk even incasseren?”
Ik frummel mijn bankpas tevoorschijn.
“Nee, alleen contant, sorry.”
Ik leg het geld op de toonbank en wacht op mijn bonnetje. Dat komt niet. Achter mij staat een oudere dame te grinniken om mijn onwetendheid: deze man doet noch aan kwitanties, noch aan enige technologie buiten zijn werkmachine en calculator om, noch aan schoenenadministratie.
“Ehm, heb ik dan geen afhaalbewijs of iets dergelijks nodig?”
Hij staat alweer met zijn rug naar me toe en buigt zich over mijn comateuze boots.
“Nee hoor, ik weet wel dat deze van u zijn. Vrijdagochtend zijn ze klaar. Tot ziens!”

Geen bonnetje. Maar ik heb er het volste vertrouwen in.

Blijft de vraag in mijn achterhoofd hangen:
Had ik er ook zo veel blind vertrouwen in gehad, als de man géén oer-Oostenrijker was geweest?

Vluchteling in de bus

Dochter (10) komt ’s middags met de schoolbus naar huis. Ze knalt de deur dicht, smijt haar tas in de hoek en roept meteen: “Mam! Weet je wat? Vandaag zat er een vluchteling in de bus! En IK zat naast hem!!”

Tja, dat kan gebeuren: nog geen vijfhonderd meter verderop is een net gerenoveerd hotel annex restaurant met nog veel vrije kamers en gastenappartementen in no time omgetoverd tot een opvanghuis annex AZC voor de vóór de Duitse grens gestrande vluchtelingen. Inmiddels zitten er een stuk of vijftig, waarvan circa tien kinderen bij dochter op school zitten. Ze wonen daar heel erg mooi, met een zwemmeertje [‘oh jee…’ dacht ik. (vergeef me)], een prachtig beekje [meer oh jee’s misschien?], een speelplaats met leuke wipwappen en bungeltoestellen en alle benodigde faciliteiten tot hun beschikking. Een persoonlijk initiatief van de hotelier met (financiële en psychische) ondersteuning van de lokale Diakonie. Zelfs een eigen bus is inmiddels geregeld om te voorkomen dat de oorlogsvluchtelingen ter plekke in een isolement raken; er rijdt daar [‘in deze negorij hier’ denk ik dan (vergeef me opnieuw)] immers geen ‘normale’ busdienst. En misschien worden het er binnenkort wel honderd, maar tot nu toe heb ik nog helemaal niets van ze gemerkt [ja, ik hoor ’t u vragen: “móet dat dan?” Nee.]. Niets gezien; geen incidenten, geen bedreigde vrouwen, geen inbraken, geen vechtpartijen, geen iPhones, geen overlast, he-le-maal niets. Tot vandaag.

Dochter vertelt honderduit over haar ‘dispuutje’ met ‘de vluchteling in de bus’. Een jochie van een jaar of acht.
“We hebben van die enkele en dubbele zitplaatsen in de bus, maar hij ging dus op een dubbele zitten en ik ben gewoon maar eens naast hem gaan zitten want hij zag er best heel interessant uit.” Helemaal goed, schatje. Geen xenofobische trekjes in ieder geval.

Maar het geijkte obstakel doemde klaarblijkelijk al snel op: ’t jochie sprak geen woord Duits en dochter helaas geen Syrisch (of was het toch Ghanees?). Het mocht niet deren: als dochter wil communiceren, wordt er gecommuniceerd. Punt. Het jochie schoof wat op en trok vervolgens zijn voeten in kleermakerszit onder zich op het zitvlak de stoel.

“Ja, en dát, mam, DAT kon dus écht niet hè!! Hij had vreselijk gore schoenen aan, vol met modder! [‘van het rondploeteren in dat zwemmeertje??’ denk ik dan. (Vergeef mij nog maar eens een keer…)] En sowieso mag je in de bus niet met je vieze schoenen op de zitting. Dat mag thuis toch ook niet? Van Harry [=de buschauffeur] mag dat dus al helemáál niet niet! Maar die zag dat niet want die moest rijden en hij was aan het telefoneren en zijn sigaret aan het maken tegelijk, en…” Dochter kakelt aan één stuk door. Ik smeer een boterham, aanhoor haar en denk enkel: “Morgen eens even een woordje met die Harry wisselen over telefoons en sigaretjes-rollen tijdens het rijden.”

“…dus zeg ik tegen hem: ‘Hé jij, vluchtelingenjongetje! Dat mag niet van Harry, hoor!’ Nou, hij keek me toch een potje raar aan… Toen wist ik het: hij verstónd me helemaal niet! Dus deed ik mijn voeten óók heel even onder me op de stoel en toen wees ik ernaar, keek hem hartstikke boos aan en schudde heel hard m’n hoofd en wijsvinger voor z’n neus. Toen zette ik mijn voeten weer op de grond, wees ernaar en knikte lachend naar hem. Mét duim omhoog. En weet je wat, mam? MET DIE DUIM HIJ SNAPTE HET INEENS!!! Hij deed meteen z’n voeten omlaag. Hij keek me héél even weer zo raar vragend aan maar ik knikte blij, zo van ‘ja jochie, zo is ’t goed’. Toen lachte hij zelfs naar me! Lief hè? Ik vond ‘m echt heel aardig. En hij heeft hele mooie tanden! Maar weet je, als je een vluchteling gewoon zégt – nou ja, zoiets van zeggen dan hè, dat snap je wel – wat er hier allemaal niet mag, dan doen ze dat dus ook niet meer! Ze wéten het alleen niet, want bij hun thuis was dat anders. Dus je moet het ze zéggen! Én je duim omhoog doen. Tof hè?”

Afijn. Samenvatting niet nodig, lijkt me.

_______________________________________

WAARSCHUWING n.a.v. een posting van Tiny S. op FB: Wees voorzichtig met die duim!! Misinterpretatie is mogelijk 🙂 Tiny schrijft: “Een duim omhoog is een veilig positief gebaar, zolang je niet in Latijns-Amerika, West-Afrika, Griekenland, Rusland of in het Midden-Oosten bent. Daar betekent een duim omhoog ongeveer hetzelfde als een middelvinger hier. Volgende keer dus eerst even goed nadenken wie je op Facebook een ‘like’ met een duimpje omhoog geeft.” 

En een kleine aanvulling m.b.t. de context van dit blogje: Hier (dat is dus in Oostenrijk en dan vooral in het deel waar ik woon), zijn erg weinig (lees: praktisch geen) buitenlanders. Anders getinte mensen – ik weet niet hoe ik het anders kan/mag omschrijven -kom je hier nauwelijks tegen. Op de school met pak-em-beet 220 leerlingen zaten tot voor kort welgeteld 3 kinderen die niet Oostenrijks-katholiek zijn: een Jehova’s getuige, een Turks jongetje en een ‘ongelovige’ (=dochter). Een vluchteling is dus daadwerkelijk een exoot hier, en daarom ‘interessant’; men ként het (ze) gewoon niet. Misschien is dit ook de reden voor de grotendeels afwezige agressie tegen en/of allergie voor alles wat met vluchtelingen/asielzoekers te maken heeft. Dochter was in dit geheel enkel onbevangen, niet vooringenomen en open voor ‘nieuwe aapjes’ (zoals het op facebook genoemd werd). Dit blog is niet denigrerend bedoeld, het is enkel een anekdote in genoemde context.