Keulen is klote

Keulen is al lang niet meer slechts een naam voor een stad.
Keulen is een zelfstandig begrip geworden.
Keulen. #Zeghet en iedereen weet direct waar je het over hebt.

Maar is dat wel zo? Weten we waar we het over hebben?

Voor de één is ‘Keulen‘ het lang verwachte armageddon dat door de massale toestroom van vluchtelingen met een ander geloof, een andere achtergrond en andere waarden en normen, veroorzaakt wordt. TPO, GeenStijl en co. lusten er, samen met een verlekkerde Geert en een juichende Trump, wel pap van. Het is koren op de rechtse molen.”Zie je wel? We zeiden het toch? Eerst wordt de boel dagenlang in de doofpot gestopt. Vervolgens komt de politie-k met een krom verhaal op de proppen en nu blijkt dat al die Islamobbers zich moedwillig hebben verzameld om ónze vrouwen te bespringen en ónze westerse vrijheden aan hun laars te lappen. Al die daders per direct het land uitzetten en de grenzen dicht voor nieuwe potentiële verkrachters, dat is de enige remedie tegen deze invasie van geweld en misbruik.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Voor de ander is ‘Keulen‘ een incident als vele andere. Dit keer helaas politiek erg brisant door de – al dan niet bekende – herkomst van de daders en de aanvankelijk nogal onhandige verdoezeling van de feiten. FrontaalNaakt, Krapuul en co. doen, samen met menig onthutst brabbelende linkse politicus, hun best om het zo op te tekenen. “Zie je wel? Nu het asielzoekers zijn, vliegt iedereen ineens in de hoogste boom. Waren het ‘gewone Duitsers’ geweest, had er geen haan naar gekraaid want dit soort dingen gebeuren overal. Kijk maar naar de aanrandingen van de serveersters op het alternatieve Oktoberfest in Alkmaar. Of naar de gang rapes op Britse en Amerikaanse universiteiten. Om van alle seriële verkrachtingen binnen familie- en vriendenkringen nog maar niet te spreken. #Zeghet werd afgedaan als zielig gejank, want daarbij ging het vooral om ‘eigen volk’ en dan moet je niet zeuren. Maar nu de daders van andere komaf zijn, is het ineens wél een rel vanjewelste en worden alle vluchtelingen over één kam geschoren. Hoe hypocriet wil je het hebben.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Dat dit soort dingen daadwerkelijk overal en altijd al gebeuren, kan ik – zij het enkel marginaal – bevestigen: ga voor de grap eens oud en nieuw vieren op het plein bij de Stephansdom in Wenen. Dan mag je blij zijn als je heelhuids, onberoofd, onaangerand en zonder voetzoeker in je nepbontkraagje weer thuis komt, ook zónder de aanwezigheid enige asielzoeker in de wijde omtrek. Dat was twintig jaar geleden al zo en dat is nu nog steeds zo. Ook heb ik menig Oktoberfest in München bezocht, waar ik dergelijke taferelen (massale beroving, geweld, aanranding door niet-asielzoekende daders) mocht aanschouwen. Maar daar gaat het niet om.

Waar het wel om gaat, is dat iedereen dénkt te weten wat er daar in Keulen gebeurd moet zijn en waarom dat gebeurd is. Iedereen – ik generaliseer nu zelf even, ik ben mij daarvan bewust – ziet er datgene in, wat hij/zij wíl zien. Iedereen zoekt precies die mediale berichtgeving die in zijn of haar straatje past. En iedereen heeft per definitie het eigen gelijk. Daarmee krijgt de gigantische wig die tussen ‘iedereen‘ en diens medemens gedreven wordt, nog een flinke klap met een moker na.

Op dit moment probeer ik enkel nog naar mijzelf te kijken en te doorgronden, wat dit alles het met mij en mijn overtuigingen doet. Ik was zoiets wat – niet bepaald liefdevol – als ‘Gutmensch‘ betiteld wordt. Gutmensch is al lang tot een scheldwoord verworden, een passende titel voor de naïeve en goedgelovige multiculti-knuffelaars onder ons. Voor mij dus. Maar ik kon en wilde simpelweg niet geloven dat een geloofsovertuiging dit soort excessen kan veroorzaken. Ik wilde niet geloven dat een groep mannen enkel op basis van een religie op zulk walgelijke wijze op een vrouw neer kan kijken en haar naar believen wenst te misbruiken.

En ik kan en wil dat nog stééds niet. Ook al weiger ik zelf in welke godheid dan ook te geloven (ik ben een ‘kufar‘, een atheïst, een ongelovige), ik ken te veel fijne, goede, vredelievende en respectvolle mensen van alle mogelijke geloofsovertuigingen om dermate te kunnen of te willen generaliseren. Ik wil zo graag blijven geloven dat ook ‘Keulen‘ een uitzondering, een losstaand incident was en dat ons beeld van wat er daar (en ook elders) gebeurd is, nog verre van compleet is. Maar ook ik, ja zélfs ik, word nu langzaamaan banger. Sceptischer. Wantrouwender? En het lullige is: ik ben zelfs bang om dát toe te geven.

Wat als.
Nee, dat kan niet.
Maar wat als…

Angst is een bitch.

Daarom is Keulen klote.

Het gif dat angst heet

ThePoisonOfFear2 SCAN-LargeA

Kwaaie vlieg

Rust zacht. Dat wens ik je. Ja, ik óók. Ik ken jou niet. Niet meer. Ik dacht je te kennen maar wat is dat nou helemaal, ‘kennen’ op al die huidige social media. Ik voerde hele chatgesprekken met je. Steunde je toen je in een relatiecrisis van reusachtige proporties zat. Aanhoorde alles, stuurde je knuffels. Gaf raad, was er steeds weer voor je. Ook diep in de nacht. Toen ik merkte, dat je borderline-achtige trekken vertoonde, praatten we erover. Geen doekjes erom, duidelijke woorden, fijne gesprekken. Ik vond je een lief, intens mens.
Jij, die werkelijk nooit een vlieg kwaad zou doen.

En nu, nu moet ik via onze ‘gemeenschappelijke vrienden’ horen, dat je onverwacht bent heen gegaan. Een goed jaar geleden deed je mij er plotseling uit. Alleen mij. Weg ermee. De overige eenenzestig gemeenschappelijkheden mochten kennelijk blijven. Ik vroeg je, direct op de vrouw af, wat ik misdaan had. Dat doe ik wel eens. Ik leer namelijk graag van mijn fouten. Na drie weken kwam er per mail een berichtje terug: ik was gewoon een vervelend mens dat steeds in het middelpunt zou willen staan. En ik wist te veel. Ondertussen snapte ik het nog steeds niet. Wát had ik dan precies nu ineens fout gedaan? Het raakte mij. Ik delete de mail en daarmee ook maar de vriendschap.
Ik, die werkelijk geen vlieg kwaad zou doen…

Onaangenaam getroffen door het bericht van je dood, zal ik er nooit meer achter komen, wat er nu zo mis was met mij. Behalve dan dat ik een vervelend mens ben. Hetzelfde gevoel dat ik destijds had bij het overlijden van mijn exschoonvader. Hij heeft me nooit gemogen, ik was precies dat: vervelend. Lastig. Te eigenzinnig. Te dwars? Een vlieg in de schone soep.  Achteraf gezien zal iedereen in mijn exschoonfamilie vast beamen, dat hij het bij het rechte eind had. En goedmaken zit er nu ook niet meer in. Als ik maar wist, wát ik dan goed had kunnen maken?
Ik, die werkelijk geen vlieg kwaad zou doen…

Rust zacht.
Ik wens het je hard.
Met heel mijn hart.
Rust zacht.

Momentje.
Even een verdwaalde wintervlieg doodslaan.

Relativiteit in theorie

“Alles is relatief!” Te pas en te onpas wordt het geroepen. Te gemakkelijk om moeilijke aangelegenheden steeds opnieuw te reduceren tot minimale issues. Je leeft maar één keer, toch? En die ene keer moet je er dan maar uit halen, wat er in zit. Maar wát zit er dan in vredesnaam in? En hoe weet je wáár het zit, zodat je het er ook uit kunt halen?

Je ligt in het ziekenhuis voor een kleine standaardoperatie. Je hebt pijn; de operatie is niet helemaal verlopen zoals het zou moeten. Thuis ligt er een zo mogelijk nóg grotere berg zorgen op je te wachten. Je weet eigenlijk niet eens hoe je leven verder zou moeten, overziet het niet meer. Onmogelijke keuzes. Grote verantwoordelijkheden. Rationaliteit moet per definitie overheersen, de wanhoop de kop ingedrukt. De pijn blijft. Wie biedt er nou meer ellende?

Naast je in de ziekenhuiskamer ligt nog een mens. Haar leven doorspekt van ziekte, verlies, verdriet, dood. Haar broer en twee zussen begroetten elkaar al lang in het hiernamaals. Een dappere, oude vrouw met existentiële angsten. Haar volwassen kinderen kijken naar haar, door goed gespeelde zorgen verscheurd. De kleinkinderen drukken oma uit plichtsbesef even tegen zich aan om vervolgens op de grond te gaan zitten wachten tot ze ein-de-lijk weer naar huis mogen. Oma kijkt het met lede ogen aan. Waarom zijn ze hier? Omdat het moet? Van haar hoeft het niet. Lijden kan ze zo veel beter in haar eentje.

Je kijkt naar de drie kleine sneetjes in je buik terwijl de verpleegster de pleisters vervangt en een nieuwe dosis pijnstillers op het infuus aansluit. Drie schone gleufjes van een centimeter. Morgen mag je vast naar huis. Een blik naar de buurvrouw. Het obligatoire privacy-gordijn ontbreekt in deze kamer. Haar wonden worden open en bloot verzorgd. Lappen huid van tien bij twintig centimeter ontbreken, afgedekt door smoezelig gaas, de rafelige wondranden compleet zwart. Op haar benen en in haar liezen is het een slagveld, overal waar de kanker uitgezaaid en weer weggesneden is. Etter en pus waar je kijkt. Een onderbroek kan ze al sinds maanden niet meer dragen. Langzaamaan vergezellen steeds grotere plekken van het doorliggen de melanomen die haar langzaam opvreten. Je hoort haar onderdrukt kreunen van de pijn. Niemand mag horen hoe erg ze in werkelijkheid lijdt…

Het móet beter worden. Het leven kán hier niet ophouden want dan gaat de boerderij er aan onderdoor. Wat moet dat worden, met alle varkens en achtendertig koeien als zij er niet meer is? Wie verzorgt de katten en de kippen? Maar ze weet het zelf ook. Rationeel gezien valt er voor haar niks meer uit te halen, uit dit leven. Op naar een volgend. Ze kijkt nog eens op naar haar kleinkinderen en tekent trillend de overdrachtsverklaring. Dat is pas rationaliteit. Ratio zonder keuzemogelijkheden. Ze sluit haar ogen en ademt langzaam uit. Hoe vaak zal ze dat nog mogen doen?

Ja. Alles is relatief.

 

Kom Karma, kom!

“Karma? Kom je nog?” Karma slaapt. Diep. Onwetend waar het de gevolgen betreft van alles, wat zich vandaag afspeelde. Rustig ademend ligt ze op de sofa, droomt over iedereen die ze nog te grazen mag nemen. Zelfs haar comateuze wijze van slapen is nooit zonder uitwerking want uitgestelde wraak is des te zoeter. Als ze na haar dutje maar niemand vergeet…

Wie neemt haar naam niet in de mond als het even zo uitkomt? Karma is gonna get you. Karma is a bitch. Simpel principe van oorzaak en gevolg. Alles wat een mens doet, is uiteindelijk van invloed op de rest van diens onbetekenende leventje. Er zijn te veel spreekwoorden voor: Wie goed doet, goed ontmoet. Boontje komt om zijn loontje. Boeddha wist waarover hij het had; betitelde zijn liefdevolle karma-doctrine als de ‘leer der daden’. Maar wat ik me steeds opnieuw afvraag: waarom komen zoveel mensen dan tóch weg met alle afschuwelijke dingen die ze uitvreten?

Net acht jaar oud. Je kwetsbare, naakte kruisje wordt zorgvuldig uitgestald op Marktplaats. Je ouders zitten tot over hun oren in de schulden en hopen deze met het geld van een paar pedofielen af te kunnen betalen. Je mams heeft het je meermaals toegebeten: “Waar heb ik jou anders voor gemaakt? Een beetje profijt hebben van mijn eigen productie, daar is toch niks mis mee? Toch??” De gegadigden krijgen van pap alvast wat lekkermakende foto’s van jou, zodat ze een grof beeld kunnen schetsen van alles, wat ze met je zouden willen doen en daarvoor een passend bod uit kunnen brengen. Bedragen tot vijftigduizend euro om bij jou alle denkbare lichaamsopeningen te mogen vullen, worden geboden. En maar al te graag geaccepteerd. Je kamertje is al zorgvuldig geblindeerd, je meisjesbed van een vochtdicht hoeslaken voorzien. Maar het lot wil dat je oplettende oom de laptop van papa leent. Heb jíj even geluk, meiske…

“Van je zwager moet je het maar hebben”, zal moeders gedacht hebben. In de verhoren volgen allesomvattende maar onvatbare bekentenissen. Jammer genoeg zijn die voor de poes haar spleetje: Men vergeet je ouders te wijzen op hun recht op een advocaat. Dit vormfoutje maakt de biecht in één klap waardeloos. De pedo’s komen niet. De ouders wel. Vrij. Als Karma per toeval eens níet ligt te slapen, zal die vrijheid hun straf worden.
Karma? Kom nou toch…

niet goed bezig

Gisteren opende ik – hoe kan het ook anders – ergens in de loop van de ochtend even facebook op mijn foon. Het eerste plaatje wat ik zag was van een half verbrande jonge man. Hij was, volgens de ernaast staande tekst, aangestoken. Een brandende autoband om zijn nek. Omdat hij homoseksueel zou zijn en dat mag dus niet in Oeganda (en niet alleen daar…). Sterker nog: zulke mensen mag je dus legaal, met de wet achter je, in de fik steken en toejuichen terwijl ze creperen. Ik kreeg spontaan kokhalsneigingen en dikke tranen in de ogen, moest noodgedwongen verder scrollen. Ik kon het simpelweg niet aanzien. Want wat moest ik hier nou mee? Onvoorstelbaar gruwelijk om te zien op een gezapige zondagochtend. Wat een wereld. Een bevestiging van mijn opvatting dat mensen de enige werkelijke beesten op deze aarde zijn.

Ik moest het plaatje eigenlijk delen om mijn solidariteit met de homoseksuelen op deze aarde te betuigen. Maar ik kon het niet… wetende dat ik een dermate afgrijselijke foto dagenlang op mijn eigen wall zou zien, een wall waar ook kindekes mee koekeloeren… en ook wetende dat het geen ene donder zou helpen. Ik ben vanzelfsprekend solidair met iedere andere mens die in naam van onzinnige (veelal religieuze) wetten gediscrimineerd, gemarteld, gedood wordt. Maar mijn solidariteit lost helemaal niets op. Ook een petitie met miljoenen email-handtekeningen eronder haalt niks uit. Ik onderteken ze allemaal want het is geen moeite en ik laat in ieder geval op microniveau zien dat ik het er niet mee eens ben, de NSA aan m’n broek of niet. Maar helpen doet het niks, ik ben niet zo naïef om te denken dat er in de toekomst ook maar íets anders zal gaan vanwege een simpele petitie. Geen meisje minder verkracht of op 9-jarige leeftijd uitgehuwelijkt, geen honingbij gered, geen niet-ondertekend TIPP, geen asiel voor meneer Snowden, geen betere vrouwenrechten, geen boycot van de olympische spelen in dat hypocriete Sotchi/Rusland, geen betere arbeidsomstandigheden voor die arme chinese kindertjes in de neodymiumwinning. Gewoon. Niks. Lijdzaam toezien is alles wat je mag vandaag de dag. En dat is ook nooit anders geweest.

Daarom deelde ik de foto niet… want ergens, ergens moet ik nog altijd míjn leven leven. Of dit nou allemaal gebeurt of niet. Dat van anderen kan ik niet leven. En ik moet dus zorgen dat mijn leven góed geleefd wordt, al naar gelang de omstandigheden. Dat is iets wat ik in ieder geval wél kan doen. En dan niet voor mij. Egocentrische gedachtes heb ik al genoeg (“ik moet goed voor mezelf zorgen”, “die Note 3 wil ik toch wel heul erg graag”, “wat zal ik eens eten vandaag” – en zo). Maar voor de bewonderenswaardige mensen en mensjes om mij heen. Mijn zoon die maar door bokst en vecht om op school mee te komen. Mijn dochter die morgen weer naar de dokter mag voor een uitgebreide hartcontrole. Dat gaatje zit er nog steeds hè… ook al denk je er dan praktisch nooit aan, het blijft eeuwig een issue. Vrienden en vriendinnen die vechten tegen dodelijke ziektes, financiële sores, rottige werkgevers, mishandelende echtgenoten, depressies. Ouders die een dagje ouder worden en allebei al kanker hebben gehad. Ons eigen hachje (lees: ‘relatie’) bij elkaar en leefbaar houden. Dat zijn de dingen waar ik in eerste linie mee bezig zou moeten zijn, ik weet het. Ik weet het zo goed…

En toch ben ik het niet.

doemdenker

Ik zit weer eens in een denkfase. Zo’n fase waarin ik meer dan anders nadenk over het hoe en wat in deze wereld. Waarom de dingen gaan zoals ze gaan, wie er daadwerkelijk aan de touwtjes trekt. En dat is dan nog heel summier en oppervlakkig gezegd. Ik kijk documentaires, luister naar ‘afvallige’ professoren, uit de school klappende voormalige politici en journalisten die zich vastgebeten hebben, praat met de één of de ander.. Maar het wordt er niet beter van. Integendeel.WatAls

Het zou echt mogelijk moeten zijn om je hersenen stop te zetten. Maar wel zonder angstaanjagend elektronisch gespuis. Gewoon. Zelf. Het kan ook, met simpel mediteren. Maar daar ben ik niet zo goed in. Wel geprobeerd, maar ook dat lukt me op de één of andere manier niet.

Ik staar in ’t niets en denk aan alles en iedereen. Vooral aan mijn kinderen, aan hoe alles zal zijn als ze eenmaal volwassen zijn. Hebben ze dan ook een chip in hun pols? Mogen ze nog vrij reizen? Hun eigen geld beheren? Zelf bepalen óf en hoeveel kinderen ze in de wereld willen zetten, mocht dat dan allemaal nog op de ‘normale’ manier gaan? Zijn ze nog vrij in hun denken en in het bepalen welk werk ze het liefste zouden doen? Zijn er tegen die tijd nog bijen of doet de mens dan inmiddels zelf aan bestuiving omdat geen insect dat meer kan doen? Welke nieuwe ziektes zijn er dan ontstaan (of gemaakt), welke oorlogen uitgevochten en hoeveel mensen zijn er tegen die tijd nog overgebleven op deze aarde? En zo ratelt het door in mijn warrig hoofd.

Ik ben misschien nog net geen doemdenker maar wel een overmatig piekeraar. Ik kan niet tegen mijn eigen machteloosheid en ook niet tegen de wildheid van mijn gedachten. Ik wil wat doen maar ik weet niet wat. Ik zou heel hard willen gillen maar als ik dat zou doen, zou ik enkel maar raar aangekeken worden. Waar maak je je druk om, mens… Tja. Dat weet ik ook niet. Nog niet.

Toch een doemdenker.